De eenzame uitvaart vanMeneer H. en Meneer W.

Meneer H. had bij zijn uitvaart een rolkoffer mee met daarin leverworst en pikante foto's

Meneer H. en meneer W. overleden beiden eenzaam in hetzelfde hospitaal. Bij de uitvaart hebben beide een mysterieus stuk handbagage mee: de een een koffer met pikante foto’s, de ander een sporttas voor een paar dagjes hospitaal.

De eenzame uitvaart van meneer H. en meneer W.Beeld Merel Corduwener

De telefoon gaat, Gerald Rosenberger van Team Rampendienst, Uitvaarten en Pension (Trup) van de gemeente Amsterdam. Hij heeft twee eenzaam overledenen voor me. Ze gaan, zegt hij, volgende week achter elkaar de grond in op begraafplaats Sint Barbara.

De heren W. (65) en H. (78) – voor zover is na te gaan geen bekenden van elkaar – kwamen beiden omstreeks dezelfde tijd in hetzelfde Amsterdamse hospitaal terecht, OLVG-Oost, waar ze kort na elkaar overleden.

Omdat zijn teraardebestelling als eerste staat ingepland begin ik met meneer H. Rosenberger heeft vernomen dat hij op de Wallen ineen is gezakt, niet in een peeskamer maar op de Majoor Bosshardtbrug.

Meneer H. huurt een goedkope woning in Arnhem, iemand van die gemeente heeft twee broers weten op te sporen: zij willen zich niet over hun overleden verwant ontfermen.

Omdat er ook geen testament is, en bovendien geen noemenswaardig bezit – de Arnhemse ambtenaar meldt aan inkomsten slechts een aow-uitkering – zal Amsterdam, de plaats van overlijden, de begrafenis op zich moeten nemen.

De politie maakt melding van een vreemd detail. In de portefeuille van meneer H. werd een briefje aangetroffen. ‘Pas op, ik heb corona,’ stond er op. In het ziekenhuis, meneer H. zou niet meer bij kennis zijn geweest, werd hij geïsoleerd en tweemaal getest: negatief.

Misschien was meneer H. een practical-joker. Zou hij vaker op de Wallen hebben rondgescharreld? Misschien doorkruiste hij het gebied slechts, onderweg naar ergens anders.

Ik denk na over een dichter en besluit Rob Schouten te vragen: een geroutineerd poëet met oog voor het absurde, bovendien iemand van wie ik me levendig kan voorstellen dat hem iets soortgelijks zou overkomen; niet het sterven – Schouten lijkt me eeuwig jong – maar het terechtkomen in een situatie waarin je de schijn tegen hebt.

Schouten kan en doet het graag, meldt vervolgens hoe toevallig het is dat de man dezelfde achternaam heeft als zijn moeder, die trouwens ook uit Arnhem komt. Straks is het nog familie, zeg ik voor de grap.

Het blijkt geen grap te zijn maar werkelijk waar: Schouten pluist de stamboom na en ontdekt dat meneer H. een achterneef van hem is. Er is dus toch familie op de uitvaart!

De koffer als erfstuk 

Een week later arriveer ik met Schouten om kwart over negen in de ochtend op Sint Barbara. Voor de kapel bespreken we het onwaarschijnlijke toeval. Schouten heeft zijn 95-jarige moeder gisteren nog even gebeld, ze meende zich de achterneef van een bepaalde familiebijeenkomst te kunnen herinneren, al wist ze het niet helemaal zeker.

Daar komt de rouwauto aan, na een sierlijk rondje over het voorplein plaatsen de dragers de kist op de baar. Op de kist – ook dat heb ik niet eerder meegemaakt – ligt een rolkoffer. Er is een Amsterdams vlaggetje aan bevestigd, met een wasknijper, en er hangt ook een knuffelbeestje aan.

De uitvaartleider vertelt dat ze meneer H. met rolkoffer en al in het ziekenhuismortuarium hebben opgehaald. Omdat niemand wist wat ermee moest hebben ze het ding maar meegenomen.

Het treft dat Schouten familie is, hij kan de koffer als erfstuk accepteren. Gedurende de dienst, ik laat Debussy en tweemaal Bach voor hem spelen, Schouten leest prachtig en ook wel ontroerd zijn vers voor, staar ik nieuwsgierig naar de koffer.

Schouten is ook nieuwsgierig, als de kist is gezakt slurpen we snel de koffie op. Bij zijn auto, we willen geen pottenkijkers, ritsen we de koffer open. Er vallen kledingstukken uit, waaronder bretels en een afwijkend paar sokken.

Voorts stuiten we op een blik leverworst, een flesje alcoholvrij bier, een gebruiksaanwijzing van een verouderd fototoestel, een broodtrommeltje en een aantal voorwerpen – kookwekker, liniaal – die volstrekt overbodig zijn voor een Arnhemmer die een dagje Amsterdam bezoekt.

Mijn oog valt op een map met op A4-formaat uitgeprinte foto’s. We zien meneer H. op Bali, in gebatikt hemd, soms met bloemenkrans op het hoofd. Hij laat zich omringen door Indonesische schonen, beduidend jongere verschijningen die nogal contrasteren met zijn licht corpulente postuur, grijze ringbaard en ongekamde, zilverwitte haardos.

Ondanks zijn bescheiden inkomsten is meneer H. regelmatig op Bali geweest, meerdere jaren achtereen, zeker tot 2016 aan toe. Hij verbleef er in hetzelfde hotel, het Bali Wirasana Inn in Denpasar, valt op te maken uit de onderschriften bij de foto’s.

Met een aantal van de vrouwen correspondeerde hij, hun onleesbare kattebelletjes treffen we in een ander mapje aan. Voorts stuiten we op foto’s die verraden dat meneer H. in de jaren negentig te Amsterdam zogenoemde blootcafés als Hooters en Teasers bezocht. Voornamelijk Aziatische dames namen plaats op zijn schoot.

Schouten is toch wel geschokt. ‘Stiekem hoop je op een intellectueel type, een boekenschrijver, net als jij.’ We ritsen de koffer vlug weer dicht, concluderend dat dit ook maar een aspect is van een leven.

Stom toeval

Soms gaat een toeval met ons aan de haal,
dezelfde plaats, dezelfde achternaam,
alsof het toeroept: waarom kwamen jullie
elkaar niet tegen op familiefeestjes?!

Nu pas, nu je voorbij bent, maak ik kennis,
vreemd en vertrouwd, zo allebei met onze
Kootwijkerbroekse boertjes in het bloed,
maar zeer verstrooid, jij daar, ik hier.

Nu pas zie ik dat je door Sonsbeek wandelt,
onder de waterval door, mag ik hopen,
en door de Amsterdamse binnenstad,
Wallen van leegloop en Leger des Heils,
op zoek naar weet ik veel, ik ken dat wel.

En zeker hangt de kosmos om ons heen,
grote heelalle onverschilligheid
waarin we één voor één moeten verleppen,

maar graag had ik je beter leren kennen,
een afspraak ergens zonder grafmuziek,
wij voor de aardigheid twee achterneven,
levendig aan de praat in plaats van dood.

Rob Schouten

Als Rob Schouten met de koffer is vertrokken arriveert meneer W.’s onderbuurman, een alleenstaande gedrongen vijftiger met een horrelvoet. Drie dagen eerder sprak ik hem, in het portiek van de woning aan de Polanenstraat in de Spaarndammerbuurt.

De onderbuurman is een voormalig paralympiër. Meerdere keren kwam hij uit voor het Nederlands voetbalelftal. Hij stond opgesteld toen in de zomer van 1990 in Assen de finale van de Wereldspelen voor Gehandicapten Ierland met 5-0 werd verslagen.

Omdat meneer W. in de schuldhulpverlening zat ging het Trup de woning niet bekijken. Er was slechts sprake van negatief bezit, wist Rosenberger, die aan familieleden slechts een neef en een nicht wist te traceren; ze zijn aangeschreven maar reageren niet. De kans dat er in huis iets van waarde zou worden aangetroffen achtte hij nihil.

Om toch een beeld van de overledene te krijgen belde ik op goed geluk bij de buren aan. Alleen meneer W.’s onderbuurman reageerde. Door de intercom vroeg hij wat ik wenste, ik zei dat het met meneer W. had te maken.

Waarom ik dan potverdomme niet bij meneer W. aanbelde, in plaats van bij hem? Ik zei dat meneer W. niet meer leefde, het was een poosje stil, toen mocht ik naar boven komen.

Beeld Merel Corduwener

In de deuropening vertelde de onderbuurman wat hij wist. Het was niet veel, meneer W. was zuinig met woorden en leefde erg teruggetrokken. ’s Ochtends deed hij boodschappen bij de Jumbo in de Spaarndammerstraat, bij de Primera om de hoek kocht hij sigaretten.

Soms nam hij boeken mee uit een van de straatbibliotheken in de Spaarndammerbuurt, de zogeheten minibiebs. Ik zag de boeken, voornamelijk thrillers van David Baldacci en Håkan Nesser, in scheve stapels op de trap naar boven liggen. Het was de bedoeling dat hij ze retourneerde, zei de onderbuurman, maar daar kwam het bij hem om een of andere reden nooit van.

Hij had geen auto of fiets, de onderbuurman zag hem geregeld bij de tramhalte staan, in de leren bodywarmer hij meestal droeg. Op een keer, ze kwamen elkaar tegen op straat, vertelde meneer W. dat hij in de horeca had gewerkt, als barman.

In de tweede helft van zijn leven stond hij vooral aan de andere kant van de toog, dat bleek wel uit wat hij aan de onderbuurman vertelde. Na de dagelijkse boodschappen ging hij met de tram naar zijn stamcafé, dat zich ergens in de Pijp zou bevinden.

’s Avonds laat hoorde de onderbuurman hem thuiskomen, nogal onvast besteeg hij de trappen, de vloer kraakte een paar keer flink, dan volgde er een bons en lag meneer W. te snurken in zijn bed.

Meneer W. is getrouwd geweest, valt op te maken uit de mutatie die ik voorafgaand aan een eenzame uitvaart krijg toegestuurd. Wanneer en met wie is onbekend, erkende kinderen heeft hij niet.

De onderbuurman, die sinds 2003 in de Polanenstraat woont, hoort op van het huwelijk: hij heeft meneer W., die ruim veertig jaar op het adres staat ingeschreven, nooit in het gezelschap van een dame gezien.

Sowieso is er voor zover hij weet nooit iemand bij meneer W. op bezoek geweest. Of jawel, toch: een neef en een nicht, een jaar of tien, vijftien terug. Ze waren een dagje in Amsterdam, wilden hun verwant verrassen met een onverwacht bezoek.

Hij was echter niet thuis, omdat ze langdurig aanbelden deed de onderbuurman tenslotte open. Ze vertelden hem dat ze uit Cuijk kwamen, al een poos hadden ze hun neef niet gesproken.

Stamkroeg 

De onderbuurman, na zijn carrière in de gehandicaptensport als conciërge aan de faculteit Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam (UvA) verbonden, zei dat hij waarschijnlijk in z’n kroeg zat, ergens in de Pijp.

Hij zou in ieder geval doorgeven dat ze waren langs geweest. Toen hij dat de volgende ochtend deed haalde meneer W. zijn schouders op, de geste liet hem onberoerd.

Een jaar of twee geleden gebeurde er nog iets vreemds, er was politie aan zijn deur verschenen. Omdat meneer W. niet opendeed lieten ze de brandweer komen. De hoogwerker hing al voor zijn raam toen hij alsnog tevoorschijn kwam.

Meneer W. had ziek in bed gelegen, een paar dagen al. De onderbuurman vermoedt dat de stamgasten van de onbekende kroeg alarm hadden geslagen.

Daar is de rouwwagen, plechtig vouwt de onderbuurman zijn handen achter de rug. Al kende hij meneer W. amper, hij wilde graag naar de uitvaart komen, een kwestie van respect. Vanuit de Spaarndammerbuurt is hij hier naartoe komen lopen, in kalm tempo, vanwege de horrelvoet.

De achterklep gaat open. Het zal toch niet waar zijn? Opnieuw ligt er, afgezien van het bloemstuk, een voorwerp op de kist! Ditmaal geen rolkoffer maar een ouderwetse sporttas. De uitvaartleider vertelt hetzelfde als zijn collega van vanochtend: omdat niemand wist wat ze ermee moesten hebben ze de tas maar meegenomen.

Ook nu is mijn nieuwgierigheid groot. Na Delibes, Morricone, Albinoni, het gedicht van Jos Versteegen, het zakken van de kist, een haastige kop koffie, maak ik de sporttas in de aula behoedzaam open.

T-shirts, onderbroeken, sokken, de leren bodywarmer. Scheerapparaat, deodorant, inhalator, keelsnoepjes, sigaretten, leesbril. Dit is de tas zoals meneer W. hem heeft ingepakt, klaar voor een paar dagjes hospitaal.

Geen briefjes, geen pikante foto’s. Geen agenda, notitieblok of factuur: niets waarmee de naam van de stamkroeg in de Pijp valt te achterhalen. Zullen de vaste klanten opnieuw de politie gaan bellen?

De onderbuurman houdt er ernstig rekening mee, hij gelooft niet dat ze reeds op de hoogte zijn en stilletjes een toost uitbrengen op hun zwijgzame drinkebroer. Destijds schakelden ze volgens hem ook niet uit naastenliefde de politie in, er stond nog een rekening open.

Vrienden

Het moet een jaar of twee geleden zijn.
U was een dag niet in ’t café geweest,
als in een smartlap bleef uw barkruk leeg.
Er werd gebeld en u kreeg veel bezoek:
de brandweer aan de deur, en de politie,
terwijl u, ziek, alleen maar wilde lezen.

Er woonde nog familie in het zuiden,
een neef of nicht kwam ooit nog bij u langs,
het moet een jaar of tien geleden zijn.
Als in een smartlap was u ook gescheiden
en lag u in het ziekenhuis, eenzaam,
verlangend naar de vrienden in uw boeken,
die elke dag het volle leven waren.

Ik weet niet wat u weggedronken hebt
of welk bestaan u lezend wilde smoren.
Vaststaat: er woonden vrienden in uw huis,
honderd, duizend, het was er al die jaren
onopgemerkt een drukte van belang.

Jos Versteegen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden