Méér dan vingerlengteverschillen

Dat verschillen in vingerlengte en de blootstelling aan hormonen in de baarmoeder iets zeggen over seksuele geaardheid, is hoogst twijfelachtig, vindt de Nederlandse endocrinoloog....

'NEE, IK geef niet zoveel voor dit onderzoek', zegt hij, terwijl hij de uitvergrote grafieken bij het artikel van Breedlove over vingerlengteverschillen en seksuele oriëntatie er nog eens bij neemt. Prof. dr. Louis Gooren, endocrinoloog en hoogleraar transseksuologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, gelooft niet dat hormonen een doorslaggevende rol spelen bij de vraag of iemand heteroseksueel of juist homoseksueel wordt.

Twee weken geleden verraste en verbaasde de Amerikaanse psycholoog prof. dr. Marc Breedlove van de universiteit van Berkeley in Californië de wereld met zijn constatering dat lesbische vrouwen wat betreft hun vingerlengtepatroon meer op mannen dan op heteroseksuele vrouwen lijken. Net als bij mannen is hun wijsvinger gemiddeld genomen korter dan hun ringvinger; bij heteroseksuele vrouwen zijn beide vingers gemiddeld even lang. Bij homoseksuele mannen werd iets soortgelijks gevonden.

Breedlove en collega's vatten de geconstateerde verschillen op als een aanwijzing dat iemands seksuele voorkeur al in de baarmoeder wordt 'voorgeprogrammeerd'. Lesbische vrouwen zouden in de embryonale fase aan meer testosteron (het 'mannelijke' geslachtshormoon) zijn blootgesteld dan heteroseksuele vrouwen. Gevolg daarvan zou zijn dat ze een mannelijk vingerlengtepatroon ontwikkelen en later in het leven op vrouwen vallen in plaats van op mannen.

Gooren gelooft er niets van. 'Er is geen enkel bewijs dat testosteron al vóór de geboorte iemands latere seksuele oriëntatie bepaalt.' Hij begrijpt ook niet waarom een gerenommeerd wetenschappelijk tijdschrift als Nature het artikel van Breedlove en medewerkers zonder kritiek heeft gepubliceerd. 'Kennelijk is het zo dat als je 'seks' zegt, het verstand op nul gaat. Bij een dergelijk prikkelend onderwerp gaat de wetenschappelijke standaard onvermijdelijk omlaag.'

Gooren heeft fundamentele kritiek op Breedlove's verhaal. De onderzoeker heeft namelijk verzuimd om controles in te voeren, terwijl die er wél zijn, zegt hij. Er zijn twee groepen personen bij wie er aantoonbaar iets aan de hand is met de hormoonhuishouding in de embryonale en foetale fase. De eerste groep betreft vrouwen bij wie in die periode de bijnier te veel testosteron aanmaakt, de andere groep betreft mannen met een aangeboren ongevoeligheid voor testosteron.

Het eerste syndroom staat bekend als congenitale viriliserende adrenale hyperplasie (CVAH), wat er onder meer toe leidt dat zulke meisjes zich als kind een beetje als tomboy, als jongetje, gedragen. Bij aangeboren testosteron-ongevoeligheid komt een genetische (XY) man ter wereld met vrouwelijke geslachtkenmerken. Zulke mannen worden dus als vrouw geboren en ook als zodanig opgevoed.

Gooren meent dat het zorgvuldiger was geweest als Breedlove en collega's hun theorie over de invloed van testosteron op het vingerlengtepatroon van mannen en vrouwen ook hadden getoetst aan deze groepen. 'Als blootstelling aan testosteron inderdaad leidt tot de ontwikkeling van een 'mannelijk' vingerlengtepatroon, dan zou je dat bij vrouwen met CVAH ook duidelijk moeten terugvinden. En bij mannen met testosteron-ongevoeligheid zou je een 'vrouwelijk' patroon verwachten. Zo had je in ieder geval een solide hypothese gehad om te toetsen', vindt hij.

Breedlove is het daar in principe mee eens. 'Onderzoek bij deze groepen personen kan duidelijk maken of het inderdaad testosteron is dat de vingerlengtepatronen beïnvloedt of wellicht een ander hormoon, bijvoorbeeld IGF-2. Ook kan duidelijk worden of die invloed al voor de geboorte bestaat of wellicht zich pas kort na de geboorte manifesteert', zo laat hij in een reactie weten. Breedlove en medewerkers zijn dan ook al begonnen aan een studie naar vingerlengtepatronen bij vrouwen met CVAH.

Gooren zelf heeft, met onderzoekers van de afdeling kinder- en jeugdpsychiatrie en het Rudolf Magnus Instituut voor hersenonderzoek van de Universiteit Utrecht, zojuist een studie afgerond die op een andere wijze de hypothese over de vroege invloed van geslachtshormonen op de seksuele geaardheid toetst. 'In de wetenschappelijke literatuur wordt met grote hardnekkigheid beweerd dat de vingerafdrukken van mannen en vrouwen verschillen en dat die verschillen eveneens al voor de geboorte ontstaan onder invloed van testosteron.'

'Wij hebben die veronderstelling nu getoetst door de vingerafdrukken te bekijken van 184 man-naar-vrouw transseksuelen en 110 vrouw-naar-man transseksuelen. Die komen hier toch regelmatig op de kliniek, dus was het een kleine moeite om vingerafdrukken van ze te nemen. Onze veronderstelling was dat de vingerafdrukken van man-naar-vrouw transseksuelen zouden lijken op die van vrouwen, en omgekeerd.

'Maar dat bleek niet het geval te zijn. De vingerafdrukken van de transseksuele mannen en vrouwen hadden dezelfde kenmerken als die van heteroseksuele mannen en vrouwen. Er is dus geen relatie tussen vingerafdrukken, geslachtelijke identiteit en seksuele oriëntatie bij volwassen transsseksuelen en de hypothese dat testosteron daar een rol in speelt, hebben we dus niet kunnen bevestigen', aldus Gooren.

Het is niet de eerste keer dat Gooren een theorie over hormonale invloeden op de seksuele geaardheid omverwerpt. Tien jaar geleden haalde hij de ideeën van de Duitse endocrinoloog Günter Dörner onderuit dat homoseksuele en transseksuele mannen er een vrouwelijke geslachtshormoonhuishouding op na zouden houden, terwijl die bij lesbische vrouwen teloor zou zijn gegaan. Gooren toonde aan dat er wat dit betreft geen verschillen zijn met heteroseksuele mannen en vrouwen. Sterker, zegt hij, 'dat lesbische vrouwen gewoon kinderen kunnen krijgen, is het beste bewijs dat er niets mis is met hun geslachtshormonen'.

De testosteron-theorie van Breedlove is in de ogen van Gooren een nieuwe variant van Dörners ideeën, die evenmin stand kan houden. 'Wat ik bijvoorbeeld niet begrijp, is waarom blootstelling aan testosteron in de baarmoeder tot vingerlengteverschillen leidt aan voornamelijk de rechterhand, zoals uit het onderzoek van Breedlove naar voren komt. Als het al aan dit hormoon ligt, zou het effect evengoed aan de linkerhand te zien moeten zijn, want hormonen zitten overal, ze gaan het hele embryo door.'

Breedlove pareert die kritiek met de veronderstelling dat de rechterhand kennelijk gevoeliger is voor de invloed van testosteron dan de linkerhand. 'Iets dergelijks zie je ook bij de asymmetrische ontwikkeling van de hersenen van dieren onder invloed van hormonen. In ieder geval staat het verschil tussen rechter- en linkerhand vast. Niet alleen de Engelse bioloog John Manning, maar ook wij hebben dat herhaaldelijk bij verschillende groepen proefpersonen vastgesteld. Je kunt natuurlijk schamperen dat dit niet is wat je verwacht, maar het is nu wel vier keer vastgesteld en niemand heeft het nog kunnen weerleggen.'

Gooren houdt vol dat tot dusver niets is gebleken van belangrijke hormonale verschillen tussen homo- en heteroseksuele mannen en vrouwen. Ook uit de kennis die beschikbaar is over de seksuele oriëntatie van vrouwen met CVAH, blijkt volgens Gooren weinig van de aan testosteron toegedichte invloed. 'Als de theorie zou kloppen, zouden zulke vrouwen allemaal lesbisch moeten zijn. Maar uit onderzoek blijkt dat slechts een kwart zegt weleens te fantaseren over een lesbische relatie, en slechts 10 procent heeft feitelijk een seksuele relatie met een vrouw. De andere 90 procent is heteroseksueel georiënteerd.'

Dat is nog altijd een hoog percentage lesbiennes. Breedlove ziet in deze gegevens dan ook juist een bevestiging dat de prenatale blootstelling van vrouwen aan testosteron waarschijnlijk een rol speelt in hun latere seksuele oriëntatie. 'Hoe groot die rol is, weet ik ook niet precies. Ik beweer niet dat prenatale blootstelling aan hormonen de enige factor is die de seksuele geaardheid bepaalt, en ook niet dat het een belangrijke factor is. Maar een zekere rol is op grond van onze gegevens niet uit te sluiten.'

Gooren blijft zich echter opwinden over het oude, maar niettemin hardnekkige idee dat homo's eigenlijk 'gemankeerde' mannen zijn en lesbiennes vermannelijkte vrouwen, zoals Breedlove en medewerkers nu ook weer een beetje suggereren. 'Zo zit homoseksualiteit niet in elkaar', zegt hij. 'Seksuele oriëntatie is een kwestie van gedrag en voorkeuren. En dat staat mijlenver af van zoiets als aangeboren vingerlengteverschillen.

'Wat Breedlove en medewerkers hebben gevonden, is niet meer dan een statistische correlatie. Ik heb er problemen mee dat ze die interpreteren alsof het een oorzakelijke relatie zou zijn. Bij de huidige stand van onze kennis is het onwaarschijnlijk dat een homoseksuele oriëntatie door hormonen wordt bepaald.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden