Column Ibtihal Jadib

Marokkaanse kinderen lopen rond met een torenhoge schuld bij hun ouders die ze nooit kunnen inlossen

Ik heb als advocaat piketdienst en bezoek in dat kader een verdachte op het politiebureau. Hij heeft snoep gestolen, en een onderzetter. Dat zie ik niet vaak op het boodschappenlijstje van de gemiddelde dief. Beschaamd mompelt hij dat-ie zelf ook niet weet wat hem bezielde.

Als ik vraag naar zijn persoonlijke omstandigheden komt er een relaas uit waarmee je drie boeken zou kunnen vullen. Hij is in Marokko geboren en met zijn ouders naar Nederland gekomen. Zij zochten hier als gastarbeiders een beter leven. Van dat laatste is, zoveel decennia later, weinig terechtgekomen. Zo ongeveer alles wat er mis kan gaan in een mensenleven heeft deze man ervaren.

Met een zucht vraag ik: ‘Tjongejonge, waarom hebben Marokkanen toch altijd zoveel ellende?’ Hij moet er om lachen, maar dan heeft hij zowaar een antwoord paraat: ‘Omdat onze ouders niet naar ons omkeken! Ze riepen altijd tegen mij: ‘Ga maar naar buiten’ want ze waren te druk bezig met het huis dat ze in Marokko wilden bouwen om aandacht te hebben voor hun kinderen.’

Ik ben verrast door zijn felle toon: Marokkanen spreken doorgaans niet over hun ouders in termen van verwijt. Hoeveel steken ze ook hebben laten vallen, over Marokkaanse ouders niets dan eerbied en respect. Als ik tegen mijn vader en moeder zou zeggen dat ik last heb gehad van sommige dingen in mijn jeugd zou ik worden bestempeld als een ondankbaar stuk vreten dat geen idee heeft van de ontberingen die zij hebben moeten doorstaan om mij in dit land een toekomst te bieden. Marokkaanse kinderen lopen rond met een torenhoge schuld bij hun ouders die ze nooit kunnen inlossen.

Maar zijn onze ouders niet in de eerste plaats naar dit land gekomen om zichzelf een beter leven te geven? Ik kan mij niet herinneren dat de factor ‘kinderen’ bij ons thuis doorslaggevend was bij welke beslissing dan ook. Als kind hobbelde je gewoon overal achteraan en moest je vooral geen bijkomende zorgen opleveren, want die waren er al genoeg. We gingen naar de school die toevallig het dichtstbij was, we vertrokken naar Marokko zodra de leerplichtwet dat toeliet - ongeacht eventueel ingestudeerde eindmusicals of andere schoolonzin - en verder mocht je niet te veel kosten, dus ideeën over sportclubs of muzieklessen hoefde ik niet in mijn hoofd te halen. Toen ik mijn eerste bijbaan kreeg, kon ik eindelijk winkelen met mijn Nederlandse vriendinnen. Zij kregen meestal kleedgeld mee, maar ik was allang blij want mijn ouders waren tenminste zo genereus dat ik mijn salaris mocht houden. Ik kende Marokkaanse kinderen die het geld van hun bijbaantje ook nog thuis moesten afdragen.

Een vriendin biechtte me laatst op dat ze misselijk was geworden van de mierzoete theatervoorstelling Toen ma naar Mars vertrok. Ze kon het zoveelste verhaal over die liefdevol bereide couscous van onze moeders niet meer aan.

Want allemaal leuk en aardig, dat geploeter van onze ouders, maar ondertussen groeide een hele generatie kinderen op die het allemaal maar zelf moesten uitzoeken. Met alle gevolgen van dien voor de daaropvolgende generatie.

Als ik het politiebureau uitloop voel ik me wiebelig. Ik heb het gevoel dat ik hard moet huilen, maar ik heb geen idee waarom. Ik bel mijn man om te vragen hoe het thuis is. Hij neemt ontspannen op: ‘Alles loopt hier gesmeerd hoor, doe rustig aan.’ De cirkel is doorbroken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden