100 jaarManci Csontos

Manci Csontos (100): ‘Ik moest als 17-jarige trouwen met een ontevreden klant van de stomerij. Nee hoor, ik was niet boos’

Manci Csontos-Halasz is evenals de Volkskrant 100 jaar. Hoe kijkt de in 1956 uit Hongarije gevluchte Dordtse aan tegen de eeuw die achter haar ligt, en wat vindt zij van het huidige tijdsgewricht?

Marjon Bolwijn
Manci Csontos-Halasz Beeld Aurélie Geurts
Manci Csontos-HalaszBeeld Aurélie Geurts

Manci Csontos-Halasz is een charmante en vrolijke verschijning. Ze doft zich graag op en heeft een open, warme blik, haar gezichtsplooien staan non-stop in de lachstand. Twee maanden geleden woonde ze nog zelfstandig. Haar 76-jarige dochter heeft alle huisraad ingepakt en verhuisd naar een tweekamerappartement in een zorgcentrum in Dordrecht. In de tuin van haar grote, nieuwe onderkomen kijkt ze wat onwennig om zich heen. Al die onbekende mensen die ze nog moet leren kennen. Wie zou die huisgenoot van 103 jaar zijn, die elke dag de post schijnt rond te brengen? Daar is ze wel nieuwsgierig naar. Wennen is het ook aan de tamtam. Al spoedig na haar entree zong rond welke bijzondere dagelijkse gewoonte de nieuwe bewoonster erop nahoudt, een gebruik waar ze ruim vijftig jaar geleden mee begon in de hoop 100 jaar te worden, en dat is dus gelukt.

Wat is het beste besluit dat u ooit heeft genomen?

‘Mijn geboorteland Hongarije ontvluchten. Ik leef al 65 jaar in Nederland en voel mij hier thuis. Ik hoef niet meer weg. Sowieso hoef ik niet meer op reis. Als iemand tegen mij zegt: ‘Ik weet een heel mooi kasteel, ga je mee?’ dan zeg ik ‘nee’. Ik heb genoeg gezien en blijf graag thuis.’

Wat was de directe aanleiding voor u om Hongarije te ontvluchten?

‘Ik was directiesecretaresse op een staalfabriek in mijn geboortestad Györ, in het noordwesten van Hongarije. Het was eind oktober 1956, de maand dat de bevolking in opstand kwam tegen het stalinistische bewind, toen de directeur van de fabriek mij de opdracht gaf mijn collega’s te bespioneren. Ik moest doorgeven wat zij zeiden over de regering. Dat weigerde ik. Daarop werd ik ontslagen. Tegen mijn man zei ik: ‘Het is afgelopen, we vertrekken.’ Half Hongarije vluchtte in die tijd het land uit. We zijn halsoverkop vertrokken. Ik nam niet veel mee, een paar jurken.

‘Mijn dochter Ildi van 10 jaar moest hard huilen, ze wilde niet mee, maar bij haar grootouders blijven, die voor haar zorgden als we aan het werk waren. Ik zei dat ze bij oma kon blijven totdat wij een veilige plek hadden gevonden, dan zou ze ons later kunnen volgen. Maar mijn moeder zei streng: ‘Jullie zijn met zijn drieën, dan moet je met zijn drieën vluchten.’’

Hoe verliep de vlucht uit Hongarije?

‘We zijn in de avond vertrokken, toen het donker was, zodat we niet opvielen. Mijn zus en haar man en een schoonzus met twee kinderen gingen ook mee. We liepen naar het station en namen de trein richting Oostenrijk. Op tien kilometer van de grens stond een gids die we hadden kunnen regelen, ons op te wachten. Tegen betaling wees hij de weg de grens over. Al lopend vroegen we ons af: zijn we al in Oostenrijk of niet? Waar zie je dat aan? Toen we felle koplampen op ons zagen afkomen, schrokken we en verstopten ons onder hooibalen op het land. Zodra het licht was en er vrachtwagens van hulporganisaties aankwamen om vluchtelingen te zoeken en mee te nemen, kwamen allemaal hooibalen in beweging, en zo kwamen nog meer gevluchte Hongaren tevoorschijn.’

Hoe was de vluchtelingenopvang in die tijd?

‘Goed. De vrachtwagens brachten ons naar Wenen, waar we werden ondergebracht in een kazerne. We sliepen op veldbedjes. Er kwam personeel langs van ambassades van landen die Hongaarse vluchtelingen wilden opnemen. De Nederlandse ambassade wilde ons wel hebben en zo zijn we een week later met de trein naar Utrecht gereisd. Daar sliepen we weer op veldbedjes, in de Jaarbeurs. Daarna werden we ondergebracht in huisjes op een vakantiepark in Ommen. Op het park werd voor alle vluchtelingen gekookt, maar na een week namen de Hongaarse vrouwen het over.’

Hoe bouwde u een nieuw leven op in Nederland?

‘Hulpverleners vroegen mijn man wat voor werk hij in Hongarije deed. ‘Piloot’, antwoordde hij, waarop ze zeiden: dan kunnen jullie naar Dordrecht, daar is een vliegtuigfabriek van Fokker, maar daar bleek later niets van terecht te komen. In januari, drie maanden na onze vlucht uit Hongarije, kwamen we aan in Dordrecht. De eerste paar weken konden we terecht bij een gastgezin met een groot huis, de familie Wijers, van de likeurstokerij. Mijn zus en haar man kregen onderdak bij de burgemeester en mijn schoonzus bij de eigenaar van de herenconfectiezaak Crone.

‘Na een paar weken in het gastgezin kregen we een appartement toegewezen en geld om de eerste week boodschappen van te doen. Na die zeven dagen moesten we op eigen benen staan. Het lukte gelukkig meteen aan het werk te gaan. Ik kon aan de slag bij Crone, herenkleding maken, mijn man bij een garagebedrijf, als automonteur. Twee keer per week hadden we Nederlandse les. Mijn dochter kreeg het zo snel onder de knie, dat ze al na drie maanden onze tolk werd.’

Waar moest u in het begin aan wennen in Nederland?

‘Dat groentewinkels geen paprika’s en knoflook verkochten. Goulash zonder paprika en knoflook is niet lekker. Ik ging alle winkels in Dordrecht af, uiteindelijk vond ik een groentezaak die ze wel verkocht. Ik vertelde Hongaarse vrienden over mijn vondst, en dezelfde dag waren al zijn paprika’s en knoflookstrengen uitverkocht. Maanzaad om maanzaadkoekjes mee te bakken, vond ik in de dierenwinkel. In het begin sprak ik geen woord Nederlands, als ik bij de slager ham wilde kopen sloeg ik op mijn dijen. Dat begreep hij gelukkig, haha.’

Hoe kijkt u terug op uw jeugd?

‘Het was een gelukkige tijd. Ik ben nog steeds gelukkig. Als kind was je vrij, je kon overal spelen. Er was geen gevaar op de weg zoals nu, met al het verkeer. We waren met zijn zessen, drie meisjes en een jongen. Mijn moeder werkte fulltime in een stomerij. Mijn vader was gewond geraakt in de Eerste Wereldoorlog en kon niet zoveel meer. Hij was huisman en kookte altijd. Achter ons huis hadden we een grote moestuin, die hield hij bij. Hij verbouwde paprika’s, tomaten, wortels, sla, uien, fruit en in de winter aardappelen en allerlei soorten kool. Wat over was verkocht hij in een tent voor ons huis. Mijn ouders waren niet streng, wel lief.’

Heeft u weleens heimwee naar Hongarije?

‘Nee. Nooit. Ik heb het naar mijn zin in Nederland.’

Trouwfoto van Manci Csontos-Halasz met haar tweede man Géza, gemaakt in Györ, Hongarije, in 1956. Beeld Aurélie Geurts
Trouwfoto van Manci Csontos-Halasz met haar tweede man Géza, gemaakt in Györ, Hongarije, in 1956.Beeld Aurélie Geurts

Wie was uw grote liefde?

‘Géza. Hij was piloot. In de zomer gaf hij les in zweefvliegen en parachutespringen. Hij kwam weleens per ongeluk met zijn zweefvliegtuig in Oostenrijk terecht, dan kocht hij sigaretten en lekkers en keerde snel weer terug. In de winter was hij vrachtvervoerder met een transportvliegtuig.

‘Ik was erg jong toen ik trouwde, 17 jaar. Dat was niet met Géza, er was eerst een andere man, hij was 15 jaar ouder dan ik. Hij had zijn pak laten stomen in de stomerij waar mijn moeder werkte. Hij vond dat zijn pak was verpest en kwam verhaal halen en zei tegen mijn moeder: ‘Als ik je dochter mag trouwen, praten we er niet meer over.’ Mijn moeder stemde daarmee in.’

Was u niet woest op uw moeder?

‘Haha, nee hoor, helemaal niet. Hij bouwde een houten huisje en daar gingen we wonen. Die man bleek een scharrelaar, werk dat hij hier en daar kon krijgen, pakte hij aan. Ik was 22 jaar toen mijn dochter Ildi werd geboren. Toen ze 4 jaar was, is hij plotseling overleden. Ik ben een tijdje in het chalet blijven wonen, mijn dochter was vaak bij mijn ouders als ik moest werken. Na vijf jaar ontmoette ik Géza en ben ik hertrouwd.’

Wat vindt u van het huidige Hongarije onder premier Viktor Orbán?

(Haar gezicht betrekt). ‘De een zegt: hij is goed, de ander zegt: hij is niet goed. Ik praat nooit over politiek en ook niet over Orbán.’

Hoe ziet uw gemiddelde dag eruit?

‘Ik eet en ik drink. Ik heb in mijn leven nog nooit zoveel gegeten als hier in dit zorgcentrum. Alle maaltijden zijn lekker. Ik kan niet goed meer zien, 70 procent van mijn gezichtsvermogen ben ik kwijt. Lezen en kruiswoordpuzzels maken gaan niet meer. Ik heb de hele dag de televisie aan. Ook luister ik graag naar muziek, Nederlandstalige liedjes, van André Hazes bijvoorbeeld. André Rieu vind ik ook goed. En mijn dochter komt bijna elke dag langs.’

Zou u in deze tijd jong willen zijn?

‘Eigenlijk wel ja. Ik zou wel weer 20, 22 jaar willen zijn, dat is de mooiste tijd van je leven. Dan zou ik weer een leuke jongeman ontmoeten, en als het goed zit met hem trouwen. Daar heb ik wel zin in.’

Manci Csontos praat in haar moedertaal verder, een teken dat de vermoeidheid begint toe te slaan, weet haar dochter, die meeluistert. Nog één laatste vraag dan.

Wat is uw geheim, dat u zo oud heeft kunnen worden?

‘Ik voel mij helemaal niet oud. Ik heb nergens pijn. Dat ik niet zo jong meer ben, zie je alleen aan mijn rollator. Lange tijd geleden, ik woonde een paar jaar in Nederland, zag ik op de televisie een Russische man van 110 jaar. Hij vertelde dat hij zo oud was geworden doordat hij elke dag wodka dronk. Sinds die dag drink ik twee glaasjes wodka per dag, Smirnoff. Eén in de middag, bij de thee, en eentje ’s avonds voor het slapen gaan. Het heeft gewerkt, en ik slaap er heerlijk op.’

Manci Csontos-Halasz

geboren: 21 december 1921 in Györ, Hongarije

woont: in een zorgcentrum in Dordrecht

beroep: coupeuse

familie: twee zussen (89 en 98 jaar), een dochter, twee kleinkinderen, één achterkleinkind

weduwe: in 1948 en in 1999

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden