Dubbelinterview Mai Spijkers en Özcan Akyol

Mai Spijkers en Özcan Akyol over hun vriendschap: ‘Het valt me op dat het vaak de losers zijn die op Mai afgeven’

Özcan Akyol en Mai Spijkers in de tuin van uitgeverij Prometheus, Amsterdam. Beeld Ivo van der Bent

In dit verhitte tijdsgewricht is de verbinding soms ver te zoeken. De Volkskrant laat deze zomer vrienden en familieleden aan het woord die grote en kleine verschillen overbruggen. Deze week: de vriendschap tussen uitgever Mai Spijkers en auteur Özcan Akyol. 

Het cliché-idee over een vriendschap tussen twee mannen die dertig jaar in leeftijd verschillen: zeker een vader-zoonrelatie. Uitgever Mai Spijkers (64) en schrijver Özcan Akyol (35), beter bekend als Eus, horen dat nooit. Dat komt doordat er een ander, dwingender beeld is waarover ze opmerkingen krijgen: dat van Mai, de bullebak.

Bijna wekelijks zeggen mensen uit de literaire wereld tegen Akyol dat Spijkers een ‘verschrikkelijke ellendeling’ is en meer woorden van die strekking. Akyols reactie is dan: ‘Ho ho, weet je wel dat Mai mijn beste vriend is? Ik wil niet dat je zo over hem praat.’

Terwijl Akyol dit vertelt, begint de persoon in kwestie steeds harder te grinniken. ‘Ik wist niet dat dit in zijn gesprekken zo prominent naar voren komt’, zegt Spijkers. ‘Ik ervaar dit nauwelijks. Mensen denken bij mij ongetwijfeld: wat moet zo’n stuk chagrijn met die innemende Eus?’

Dertig jaar geleden deden in de uitgeefwereld al verhalen de ronde over jouw optreden. Word je niet milder?

Akyol neemt het op voor zijn vriend: ‘Het valt me op dat het vaak de losers zijn die op Mai afgeven. Mensen die succesvol zijn, hebben onmetelijk veel bewondering voor wat hij heeft gepresteerd.’

Vroeger moesten vrouwen na een vergadering met jou soms eerst naar het toilet om hun mascara bij te werken, Mai. Maak je je personeel nog steeds aan het huilen?

Spijkers begint opnieuw te lachen.

Pak je nog wel eens een telefoon af van een personeelslid dat volgens jou te lang belt?

Spijkers: ‘Ja, dat soort dingen gebeurt nog wel. Ik kan niet ontkennen dat ik met hetzelfde vuur als vroeger dingen kan bepleiten. Kijk, ik beschouw mezelf niet als een sadist, die denkt: ik ga iemand lekker pesten. Ik wil een goede uitgeverij hebben, de beste. En dan wil ik ook de beste mensen. Daar doe ik het voor.’

Kortom: hun vriendschap roept verbazing op. Ze kennen elkaar sinds 2012, het jaar waarin Akyols debuutroman Eus uitkwam bij Spijkers’ uitgeverij Prometheus. Zeven jaar later kunnen ze zoveel anekdotes vertellen over hun gezamenlijke avonturen dat die amper passen in de twee uur die ze hebben uitgetrokken voor dit interview.

In die jaren hebben ze uren en uren samen buiten de deur gegeten. Uren en uren geouwehoerd aan de telefoon. Uren en uren samen door natuurgebieden in Nederland gewandeld. Ze maakten tripjes naar Moskou, Wenen, Teheran, Parijs en Tel Aviv. Binnenkort gaan ze hiken in IJsland, tachtig kilometer door bergachtig gebied.

Spijkers is de peetvader van Akyols twee kinderen. De oudste heet Mia, een anagram van Mai. ‘Eigenlijk had ze Mai moeten heten, minpuntje’, bromt Spijkers. Het nieuwste plan is dat hij Akyol en zijn geliefde Anna trouwt, als buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand. ‘Maar ik moet haar nog vragen’, zegt Akyol.

In die zeven jaar was het zakelijke bestaan van Spijkers stabiel. Hij maakte in 2012 een grote klapper met de aankoop van sekstrilogie Vijftig tinten grijs, daarna kocht hij voor Prometheus een eigen pand aan de Amsterdamse Herengracht. Verder rolde het uitgeversleven zoals altijd, met hoogte- en dieptepunten rondom auteurs als Connie Palmen, Griet Op de Beeck, Esther Verhoef, Maxim Februari - en Özcan Akyol dus.

Akyol beleefde turbulentere jaren. Hij groeide uit van een onbekende debutant uit Deventer tot een bekende Nederlander. Eus werd een bestseller, net als zijn tweede roman, Turis. Hij heeft een column in het Algemeen Dagblad, zit geregeld aan tafel bij talkshows en maakte voor de televisie De neven van Eus en Eus in medialand. Begin dit jaar won hij de Nachtwacht Award voor zijn radioprogramma Onze Man in Deventer, vanaf september presenteert hij voor omroep Max Sterren op het doek en voor volgend jaar schrijft hij het Boekenweekessay.

Wat bindt hen? Daarover hebben we het in Spijkers’ kantoor aan de Herengracht, een grote, lichte ruimte met satijnachtig behang, glimmende gordijnen en foto’s van zijn drie kinderen aan de muur. Spijkers vindt het reuze komisch om over hun tweeën te praten, alsof ze in relatietherapie zijn. Alweer een beeld aan flarden: de ‘botte’ Spijkers ligt een groot deel van het gesprek in een deuk, de ‘aimabele’ Akyol blijft stoïcijns doorpraten.

Hun vriendschap begon vrij snel nadat Akyol in 2012 het manuscript van zijn debuut inleverde en Spijkers de eerste alinea las. Er zat power achter, vond hij. ‘Zoiets voel ik direct.’ Daarna zag hij Akyol in actie op Manuscripta, het festival waarop de Nederlandse boekenbranche de nieuwste aanwinsten presenteerde. Akyol werd geïnterviewd en Spijkers was onder de indruk van de soepelheid waarmee hij sprak: ‘Wat je nu ziet op televisie, dat talent, dat zag ik toen al.’

Niet lang daarna gingen ze uit eten in een Italiaans restaurant, waar al vrij snel het woord vriendschap viel. Akyol zei: ‘Maar stel dat mijn boek mislukt of ik ga naar een andere uitgever, wat is onze vriendschap dan nog waard?’ Spijkers was getroffen door de directheid van die vraag. Volgens hem gaf hij die avond zijn reactie: ‘Tussen ons is zoiets bijzonders, dat overleven we wel.’

Akyol, kalmpjes: ‘Je zei het niet meteen, dat bericht kwam pas de volgende dag.’

Spijkers: ‘O, ik moest er even over nadenken?’

Mai Spijkers en Özcan Akyol. Mai Spijkers: ‘Mensen denken bij mij ongetwijfeld: wat moet zo’n stuk chagrijn met die innemende Eus?’ Beeld Foto Ivo van der Bent

Waarom zou je het aan het begin van een vriendschap al over het eventuele einde hebben?

Akyol: ‘Ik wilde Mai testen en hem wijzen op het opportunisme van hem en zijn vakbroeders. Zo gaat het. Als je de gevierde man bent, wil elke uitgever copieus met je dineren. Maar als je een lowlife bent die nog geen driehonderd boekjes verkoopt, waarom zou iemand dan oesters met je gaan eten?’

Mai Spijkers

Geboren: 10 april 1955 in Goirle
Studie geschiedenis
1978 assistent-redacteur bij uitgeverij Bert Bakker
1983 hoofdredacteur bij Bert Bakker
1989 oprichting uitgeverij Prometheus
2001 binnen krantenconcern PCM verantwoordelijk voor onder andere Prometheus/Bert Bakker, J.M. Meulenhoff, Vassalucci en A.W. Bruna
2004 directeur/uitgever bij Prometheus
2007 eigenaar van Prometheus

Ook opvallend: jullie hadden het tijdens het eerste etentje al over vriendschap.

Akyol: ‘Dat komt doordat we allebei niet zo goed zijn in vriendschappen. Ik heb momenteel anderhalve vriend of zo.’

Wie is die andere halve vriend?

Akyol: ‘Een jeugdvriend, maar die zit in Turkije, dus die zie ik niet meer. Met andere mensen heb ik wel WhatsAppcontact, maar vriendschap, nee. Mai is wat socialer dan ik, maar we zijn allebei geen allemansvrienden.’

Spijkers: ‘Dat is wel een thema, inderdaad.’

Is dat geen eenzaam bestaan als je zo weinig vrienden hebt?

Akyol: ‘Nee, helemaal niet. Lekker rustig. Mensen denken dat ze veel vriendschappen nodig hebben, juist omdat ze bang zijn om eenzaam te zijn. Maar wat heb je aan zulke contacten.’

Spijkers: ‘Het is cult hè, om overal maar vriendschappen te sluiten. Op de studentenvereniging, de sportvereniging. In onze ogen gebeurt dat vaak uit leegheid.’

Akyol: ‘Het levert vaak ook een hoop gezeur op als een vriendschap niet goed gaat en daar hebben we allebei geen tijd voor. We moeten keihard werken om onze winkel draaiende te houden.’

Vriendschappen kunnen toch ook gewoon leuk zijn?

Spijkers: ‘Dat is waar, maar vrienden hebben is moeilijk. Dat heb ik echt moeten leren. Ik word vaak teleurgesteld in vriendschappen.’

Jullie hebben allebei een hoge standaard voor vriendschap.

Akyol: ‘We zijn allebei gevoelig. Dat zou je niet zeggen, maar ik denk dat Mais teleurstelling daarmee te maken heeft. Hij geeft alles, zijn aandacht, zijn geld, en dan verwacht hij dat het wederkerig is. Vaak is dat niet het geval. Daar lopen wij alle twee tegenaan en daarom ga ik überhaupt geen vriendschappen meer aan. Ik weet toch dat niemand kan voldoen aan mijn eisen. Als ik onvoorwaardelijk loyaal ben, verwacht ik dat terug.’

Later zouden ze zeggen dat ze die eerste maanden na het etentje in het Italiaanse restaurant net twee 16-jarige hartsvriendinnen waren die elkaar de hele dag belden. ‘We ontdekten elkaar’, zegt Spijkers nu. ‘We voerden veel urgente gesprekken, die soms bijna therapeutisch van karakter waren’, vult Akyol aan. ‘We hadden het over relaties die op de klippen waren gelopen of een kind dat niet functioneert.’

Ze voelden elkaar perfect aan, wat te maken had met een gedeelde achtergrond. ‘Eus had mijn buurjongen kunnen zijn’, zegt Spijkers. ‘Klopt’, zegt Akyol. ‘We komen allebei uit de sociale onderklasse en we zijn allebei jongens van de straat. Mai heeft met andere mensen intellectuele gesprekken, maar tegen mij kan hij alles zeggen. We hoeven ons nergens voor te schamen.’

Spijkers groeide op in een arbeidershuisje in het Brabantse Goirle, in een gezin met acht kinderen dat van weinig moest rondkomen. ‘We horen tot de armsten van de armen, maar we zijn er niet minder om’, hield zijn moeder hem voor – hij vergat het zijn hele leven niet. Ze overleed toen Spijkers 10 was, waarna het gezin uit elkaar viel en hij terechtkwam in een pleeggezin.

Akyol is een zoon van Turkse migranten die eind jaren zeventig neerstreken in een arbeiderswijk in Deventer. Zijn vader was onberekenbaar, hij kwelde zijn drie zoons geestelijk en fysiek, hij dronk en ging vreemd. Zijn moeder keek lijdzaam toe. Akyol dreef af van zijn familie en spreekt zijn vader al vijftien jaar niet meer.

Was dit ook onderdeel van de therapeutische gesprekken? Jullie achtergrond?

Akyol: ‘Nee. Als je zoveel in elkaar herkent, hoef je niet veel uit te leggen. Kijk, ik heb een hamerteen, omdat ik vroeger in te kleine schoenen liep. Als het echt niet meer ging, kreeg ik geen nieuwe schoenen, maar gingen de punten van de oude eraf. Vernederend, maar Mai heeft precies hetzelfde meegemaakt. Als ik dus zeg dat ik een hamerteen heb, weet hij genoeg. Dat is zó’n vorm van verbondenheid.’

Özcan Akyol

Geboren: 7 april 1984 in Deventer
Studies journalistiek en Nederlands
2012 Eus (debuutroman)
2016 Turis (roman)
2017 De neven van Eus (tv)
2017 tot nu: Onze man in Deventer (NPO Radio 1)
2018 Pessimisme kun je leren! (bundel met gedichten van Lévi Weemoedt, samengesteld door Akyol)
2019 Eus in medialand (tv)
Sept. 2019 Sterren op het doek (tv)
2020 Boekenweekessay
Columnist voor Algemeen Dagblad, Vara Gids en Helden Magazine

Eus schreef in zijn debuutroman over de bende overvallers waarbij hij zijdelings betrokken raakte. Minder bekend is dat jij als kind ook even van het rechte pad bent geraakt, Mai.

Spijkers: ‘Mijn eerste contact met justitie was een overtreding van artikel 1a van de Wapenwet. Ik had met een buks op vogels geschoten. Tja, hoe ging dat allemaal… Bij ons in Goirle om de hoek was een asociale buurt, daar hing ik veel rond. Met een soort gangs zwierf ik door het dorp. We vernielden dingen, namen spullen mee. Als we langs een sigarettenautomaat kwamen, moest die leeg. Op een dag werd ik met een groepje opgepakt. Ik moest voor de kinderrechter komen en werd onder curatele gesteld.’

Ook hierover hoeven jullie het niet te hebben?

Spijkers: ‘Hooguit terloops.’

Is er een verband tussen jullie opvoeding en criminaliteit?

Akyol: ‘Ik had het gevoel niet gezien te worden. De criminaliteit was mijn onhandige, lompe manier om aandacht te vragen.’

Spijkers: ‘Bij mij was er geen leiding. Mijn moeder was overleden, mijn vader was aan het werk en ik voedde mezelf op. Opvallend: ik was bevriend met een jongen uit de achterbuurt, hij had twee Duitse herders en kon op school niet meekomen. We hadden een enorme klik. Niemand begreep het, want ik zat op het gymnasium en hield van lezen. Maar hij beschermde mij in onveilige situaties. Ik ben fysiek niet sterk, hè? Eus doet mij aan die jongen denken. Eus heeft eens geschreven dat hij mijn bodyguard is. Dat was voor de grap, maar er zit wel iets in.’

Heeft jullie jeugd geleid tot een minderwaardigheidscomplex?

Spijkers: ‘Het was bij mij een rare mix. Ik voelde me minderwaardig, maar ook de meerdere van veel mensen. Dat was bijna narcistisch. Achteraf denk ik: dat ik een eigen uitgeverij ben begonnen, wat bezielde me eigenlijk? Destijds dacht ik: als ik het niet kan, kan niemand het.’

Akyol: ‘Natuurlijk voelde ik me minderwaardig, dat hebben heel veel mensen met zo’n jeugd. Dan wil je graag bij een beter milieu horen, wat Mai ook had en dat is gelukt, hij is nu deel van de elite. Ik ben me er na mijn dertiende, veertiende al bewust van geworden dat mijn directheid en mijn onaangepastheid mij een eigen stem geven. Ik probeer trouw te blijven aan mezelf.’

Zie hier de scheiding der geesten. Beiden voelden al jong een enorme drang om vooruit te komen in het leven, maar ze kozen daarvoor verschillende wegen. Spijkers richtte in 1989 Prometheus op, werd een illuster figuur in de Amsterdamse uitgeverswereld en overklast nu veel van zijn collega’s door in dure Italiaanse pakken te lopen, met een Borsalino-hoed op zijn hoofd. Akyol manifesteert zich als de gewone jongen die niets met de grachtengordel te maken wil hebben en vanuit Deventer de rest van Nederland beschouwt.

Vraag wat ze van dit verschil merken en er wordt weer een hoop gelachen - door Spijkers vooral. Akyol begint een droogkomische monoloog over hoe zijn vriend op een feestje zijn kleding becommentarieert: ‘Waarom heb je geen das om, waarom geen pak aan, kon je niets beters krijgen?’ Hoe Spijkers hem wijn in plaats van whisky heeft leren drinken. ‘Ik sla nu massaal Meursault in, maar eigenlijk vind ik het dikdoenerij. Zulke grote verschillen zijn er niet tussen al die wijnen.’

Akyol: ‘Als we uit eten gaan, wil hij per se naar een goed restaurant, liefst met een ster. Maar ik vind dat ze daar kleine porties hebben en in het begin nam ik van tevoren een kroket of patat, omdat ik niet ondankbaar wilde overkomen.’

Spijkers roept: ‘En dat hoor ik nu! Nam je ook een fles whisky van tevoren?’

Akyol, onverstoorbaar: ‘Het is een paar keer gebeurd dat ik een restaurant uitzocht, Marokkaans of Grieks, dan kwam hij al hoofdschuddend binnen. Hij vindt het niks, omdat ze geen goede wijn hebben. En als ze dan ook nog geen champagne schenken, wil hij weglopen.’

Spijkers stikt bijna in zijn directeursstoel.

Akyol: ‘In Wenen zaten we in een hotel, ik had de koningssuite, echt de allergrootste kamer die er was. Of nee, de een na grootste, want Mai had zelf de allergrootste. Ik denk dat de kamers meer dan duizend euro per nacht waren. Hij vroeg wat ik ervan vond. Ja, veel te groot natuurlijk, van mij hadden we gewoon naar een Ibis Hotel gekund.’

Spijkers brult: ‘Ja joh, of een Van der Valk.’

Mai Spijkers en Özcan Akyol. Özcan Akyol: Mai heeft hetzelfde meegemaakt. Als ik zeg dat ik een hamerteen heb, weet hij genoeg. Dat is zó’n vorm van verbondenheid. Beeld Foto Ivo van der Bent

Stemt Eus je niet tot nadenken, Mai? 

Spijkers: ‘Nee, want het is niet alleen een kwestie van dat ik bij een bepaald milieu wil horen. Laatst organiseerde ik een familiereünie, ik had een mooi pak aan en mijn oudste zus Diny zag er ook mooi uit. Ze zei: ‘Dat hebben wij tweeën van ons moeder.’ Toen dacht ik: aha, hoe ik leef, dat heeft ook iets katholieks, iets bourgondisch.’

Akyol: ‘Ik denk dat het met status te maken heeft.’

Spijkers: ‘Zeker, en ik vind het gaaf dat ik me dit kan permitteren. Maar ik houd ook gewoon van mooie spullen, mooie kleding, mooie wijnen, mooie serveersters in een mooie ambiance. Daar zit iets authentieks in.’

Akyol: ‘En ik voel me dan onwennig en bezwaard. Dan denk ik: dit hoeft allemaal niet.’

Is dat zo langzamerhand niet ook een beetje pose?

Akyol: ‘Ik hoef niet te acteren dat ik een provinciaal ben. Het liefst slaap ik iedere nacht in mijn eigen bed.’

Ben je voor je werk niet heel vaak in de Randstad?

Akyol: ‘Dat valt tegen. Ik kom ook veel in de provincie, ik kom overal.’

Spijkers: ‘Het is geen pose, dat merk ik als we samen op reis zijn. Hij is echt iemand uit Salland die denkt: de Veluwe lijkt op Afrika, dus waarom zou ik zo ver weggaan?’

Akyol: ‘Ik heb altijd heimwee, ik wil nooit langer dan vier, vijf dagen van huis zijn.’

Spijkers: ‘In het buitenland komen we vaak in een soort rollenspel terecht met een hoog Muppetgehalte. In Moskou waren we in het Peter de Grote Museum, het was een beetje een aftands ding en Eus zei: ‘Wat een oude meuk, wat doen we hier?’ Er zit ook wel waarheid in wat hij zegt.’

O, dus je denkt er wel over na?

Spijkers: ‘Hij scherpt me wel. Gingen we eten in een Georgisch restaurant, ja, dan houdt mijn wijnkennis op. Dus toen kon hij zijn punt maken, want we kregen voor vijf euro inderdaad heerlijke wijn.’

Jullie krijgen geen ruzie over dit soort dingen?

Akyol: ‘We hebben nooit enorme discussies.’

Spijkers: ‘Onze verschillen zijn juist grappig.’

Akyol: ‘En een mislukking is eigenlijk het hoogtepunt van ons samenzijn.’

Spijkers: ‘Dat maakten we mee in Teheran. We vertrokken ’s nachts om half vier naar Isfahan. Eindeloos reden we door een woestijn en om tien uur ’s ochtends stonden we eindelijk in Isfahan op een plein, maar dat hadden we snel bekeken. We hebben een ansichtkaart naar Tommy Wieringa gestuurd, want die heeft ooit een boek geschreven: Ik was nooit in Isfahan.’

Akyol: ‘Mai zette erop: ‘Nou, wij waren wel in Isfahan.’ Daarna zijn we weer teruggegaan. En toen dacht ik: zijn we nu helemaal voor dit kaartje naar Isfahan gereden?’

Spijkers: ‘Nee, natuurlijk niet. Het is een mythische plek.’

Akyol: ‘Ach, je ziet daar alleen Japanners, die kun je ook op De Dam zien.’

Spijkers: ‘Ja, ik voelde natuurlijk ook: dit slaat nergens op.’

Akyol voelt zich een buitenstaander in de literaire wereld en volgens hem geldt datzelfde min of meer voor Mai. ‘We zien allebei dat het wereldje waarin wij zitten één groot theater is, met veel ijdeltuiten en mensen die geen reëel zelfbeeld hebben. Hij kan dat alleen niet altijd hardop zeggen, omdat hij een stal met auteurs tevreden moet houden. Maar ik denk dat hij zich soms wel eenzaam voelt.’

‘Zeker’, zegt Spijkers. ‘Het is af en toe nog steeds onwerkelijk als ik om me heen kijk op een Boekenbal. Dan denk: wie zijn deze mensen, wat heb ik met ze van doen?’

Akyol: ‘Op hoeveel Boekenballen ben je geweest, Mai? Vijfendertig?’

Spijkers: ‘Veertig.’

Akyol: ‘Je kunt ze allemaal voorspellen. Eerst is er een programma, dan een feest, dan worden altijd dezelfde mensen dronken. Dan is er een mislukte afterparty en dan wordt na afloop alles geromantiseerd. En volgend jaar doet iedereen precies hetzelfde.’

Waarom ga je zelf naar het Boekenbal als je het zo vreselijk vindt?

Akyol: ‘Van de laatste vijf Boekenballen ben ik maar naar twee gegaan. Ik heb een tijdje aan literaire evenementen meegedaan, maar dat is afgelopen. Ik ga er alleen nog naartoe als ik zelf moet optreden.’

Spijkers: ‘Ik vind zo’n Boekenbal soms ook wel iets hopeloos hebben. Misschien zou ik weg kunnen blijven, maar dat kan ik niet opbrengen. Ik wil een levendige uitgeverij en daar hoort bij dat ik blijf jagen. Ik heb altijd het gevoel: misschien is er een verrassing.’

Is jullie jeugd achteraf ook een zegen?

Akyol: ‘Voor mij wel. Het is een unique sellingpoint gebleken. Ik heb twee romans over mijn jeugd geschreven, maar ik kan er natuurlijk niet eindeloos uit blijven putten. Schrijven draait uiteindelijk om verbeeldingskracht.’

Spijkers: ‘Je kunt van je handicap je kracht maken en dat hebben wij allebei gedaan. We hebben onze kansen gegrepen.’

Akyol: ‘En door mijn jeugd met al die ontberingen heb ik een enorme bullshitdetector ontwikkeld. Soms ben ik hier op de uitgeverij voor een afspraak met Mai en loop ik langs een zaaltje met allemaal witte jongens en meisjes van mijn leeftijd die bij een boekpresentatie zijn. Dan denk ik: wie zijn deze lamzakken? Waarom wordt er zo hoogdravend gedaan over een boek waarop niemand zit te wachten?’

Waarom denk je dat speciaal bij witte jongens en meisjes?

Akyol: ‘Omdat je altijd dezelfde types ziet rondlopen op die presentaties.’

Je hebt het over millennials?

Akyol: ‘Ik heb het over de dertien-in-een-dozijn grachtengordelschrijvertjes van mijn generatie die navelstaarderig over elkaar schrijven en een benepen wereldbeeld hebben.’

Spijkers: ‘Je bent wel heel beschuldigend. Ik denk soms ook bij literaire evenementen: ik ben hier op een schoolplein in Baarn, waar gaat dit over? Maar ja, wat hadden de millennials mee moeten maken dan? Het is de keerzijde van de welvaart, Nederland is een gelukkig land.’

Akyol: ‘De millennials kunnen wel wat doen aan hun pretenties. Ze hebben meer boekenkennis dan levenservaring, dat stoort me. Dan denk ik: ga eerst even wat meemaken en ga dan boeken schrijven.’

Özcan Akyol en Mai Spijkers Beeld Foto Ivo van der Bent

Gaan we de dood van de Nederlandse literatuur tegemoet?

Akyol: ‘De patiënt is in coma, het is kommer en kwel, doffe ellende.’

Spijkers: ‘Ach, het is goed dat de literatuur af en toe dood wordt verklaard, dan kan er ook weer een feniks uit de as herrijzen.’

Ze spreken elkaar tegenwoordig minder dan in de wittebroodsweken van hun vriendschap. Spijkers heeft wel tijd, maar Akyol krijgt het steeds drukker. Als ze elkaar zien, zegt Spijkers soms dat hij zich afvraagt of er volgend jaar een derde roman komt, wat de bedoeling is. ‘Als ik eerlijk ben, heb ik er een hard hoofd in.’ Akyol vindt het niet leuk om te horen, maar hij denkt: wacht maar, ik zal eens wat laten zien, ongeloof is altijd mijn drijfveer geweest.

Ook Akyol is eerlijk. Spijkers is alweer een tijd gelukkig met de Thaise Kae, maar daarvoor liep het een aantal keren mis met een vrouw. Van andere mensen kreeg hij het advies naar de Amsterdamse sociëteit De Kring te gaan, wie weet vond hij daar een geschikt iemand. Toen Akyol er lucht van kreeg, zei hij: ‘Waar slaat dit op? Je gaat de ware liefde toch niet vinden onder die mondige vrouwen met een drankprobleem?’

Binnenkort in IJsland kunnen ze bijpraten. ‘Het was Mais idee om te hiken’, zegt Akyol. ‘Van mij hoeft het niet per se. Ik heb hem aangeboden de hele vakantie terug te betalen en dan gaan we naar Barcelona. Van mij mogen we ook naar Ameland.’

Spijkers: ‘Gaan we niet doen.’

Akyol: ‘Ik ga naar IJsland voor hem. Hij doet dat soort dingen ook voor mij. Ik wilde een keer naar een Playboy-feest, met Bunnies met grote borsten. Ik had een strak overhemd aan, lekker ordinair. Hij ging mee in zijn dure Italiaanse pak, met zijn hoed op. Dat we dit voor elkaar doen, dat is de totale toewijding.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden