zinvol levenfilosoof en sporter Marc Van den Bossche

‘Luister naar het fluisteren van je lichaam’

Marc Van den Bossche Beeld Jitske Schols
Marc Van den BosscheBeeld Jitske Schols

De mens is meer dan zijn brein, wat anderen ook mogen beweren, stelt filosoof Marc Van den Bossche. Bepalender is je lichaam. Zelfzorg is daarom cruciaal bij de zoektocht naar het goede leven, zegt hij.

In de loop van zijn leven is de Vlaamse filosoof Marc Van den Bossche herhaaldelijk geconfronteerd met wat hij ‘het primaat van het lichamelijke’ noemt. Als 10-jarig jongetje blijkt hij een trage hartslag en een linkerhartkamer van dubbele omvang te hebben. Gevolg: een jarenlang sportverbod. Wanneer dat op zijn 16de wordt opgeheven, gaat hij ‘maniakaal’ trainen – een passie voor duursporten, wielrennen en hardlopen, zal zijn verdere leven kleuren. Zijn andere grote liefde: boeken lezen en schrijven. Als hoogleraar cultuurfilosofie aan de universiteit van Brussel heeft de 60-jarige Van den Bossche inmiddels dertien titels op zijn naam – toegankelijke boeken met aansprekende titels als De zinnen van het leven, Religie na de dood van God en recent Sport en het goede leven.

Met zijn lichaam gaat het mis in 1989, wanneer hij als 29-jarige sportjournalist van de krant De Morgen op een vrijdagavond een bocht mist, met zijn auto over de kop slaat en tegen een boom eindigt: ‘Wonderbaarlijk genoeg heb ik het overleefd. Ik heb een tijd in coma gelegen, met een bloeding net buiten de hersenen. Uiteindelijk heb ik er alleen een misvormde linkervoet aan overgehouden.’ De levensles is dat hij meer aan ‘zelfzorg’ moet doen, na jarenlange roofbouw: ‘Ik was een workaholic die te veel rookte en dronk, het was een uitputtingsslag.’

In de maanden na het ongeluk is hij depressief. In eerste instantie helpen pillen hem, daarna de racefiets. ‘Door Prozac durfde ik weer in een auto te zitten en voelde ik me zelfverzekerd. Ik was verbijsterd over het effect dat een pilletje op je gemoed kon hebben. Later lukte dat ook zonder, dankzij de racefiets. Dus je doet iets met je lichaam en je leven verandert compleet. Dat vond ik fascinerend. Ik begon uit te zoeken wat filosofen over het lichaam hebben gezegd.’

Vanaf 1991 is hij aan de universiteit verbonden, naar eigen zeggen als een ‘old school’-filosoof: niet een specialist met publicaties in kleine tijdschriften, maar schrijvend voor een breed publiek over de grote levensvragen. In 2002 ontmoet hij zijn tweede vrouw, Hilde, na de scheiding van zijn eerste vrouw met wie hij twee kinderen heeft gekregen. Acht jaar later blijkt Hilde ongeneeslijk ziek, nog geen 50 jaar oud – ze overlijdt een jaar later. In Leven na de dood vertelt Van den Bossche openhartig over hun laatste jaar samen en zijn rouwproces. Wie het lichamelijke als primair ziet, moet zich ook verhouden tot de eindigheid van het lichaam, zo realiseert hij zich: ‘De vrouw die ik kort daarvoor nog zo had liefgehad, werd plots herleid tot een laagje as in het gras. Wat doe je dan met de lichamelijkheid? Ik heb dat in mijn boek een plaats proberen te geven met als leidende idee: we zijn meer dan ons ­eigen ik, meer dan die machinekamer van gedachten die Descartes van ons heeft gemaakt. Zijn ‘ik denk, dus ik ben’ deed het lichamelijke af als minderwaardig. Maar we zijn in de eerste plaats ons lichaam.’

Wat is voor u een zinvol leven?

‘Een zinvol leven speelt zich voor mij op drie terreinen af: liefde, werk en spel. Op alledrie speelt de lichamelijkheid een grote rol. Bij de liefde ligt dat voor de hand, daar wordt duidelijk wat betekenis geeft aan je leven. De liefde beleef je altijd via de ander, je gaat jezelf anders bezien door zijn of haar blik. Toen Hilde was overleden, dacht ik dat het van mij niet meer hoefde. Maar na een interview op de radio over ­Leven na de dood reageerde een vrouw met wie ik direct een enorme verbondenheid voelde, Saskia. Ik was onmiddellijk verkocht, hoe schroomvallig ik ook dacht te zijn. Plots ging ik het leven weer bezien vanuit de liefde voor de ander. Daarin speelde het lichamelijke een belangrijke rol, maar ook emoties – je wordt door ze gepakt via de ander’.

Maar speelt lichamelijkheid ook zo’n rol in uw werk – die dertien boeken schreef u met uw geest als instrument.

‘Niets van wat je schrijft, kun je los zien van dat lichamelijke – je denken wordt erdoor gestemd. De Amerikaanse filosoof Mark Johnson toont aan in zijn boek The Meaning of the Body dat onze westerse benadering altijd top-down is geweest, sinds Descartes en Kant zijn we het denken als hoogste goed gaan zien. Maar inzichten uit de neuropsychologie leren ons: het is bottom-up, het begint bij het lichamelijke en de emotie. We zijn niet ons brein, zoals de hersenwetenschapper Dick Swaab zegt, maar we zijn een brein in een lichaam dat zich bevindt in een bepaalde cultuur. Mijn schrijven begint bij het geworpen zijn in mijn omgeving, bij de emoties die daarmee gepaard gaan en die belanden uiteindelijk in het topje van de ijsberg, de rede. Mijn lichaam is ­bovenal verbonden aan een plek en daarmee aan een cultuur. Daardoor worden we gestemd, zei Heidegger al. Voor mijzelf, als kritisch denkend individu, zie ik het als opdracht erachter te komen: hoe ben ik precies gestemd?’

Waardoor bent u zo gestemd dat sport en filosofie uw passies zijn?

‘Daar kan ik moeilijk de vinger op leggen. Een mooi beeld van William James (grondlegger van de Amerikaanse psychologie, 1842-1910, red.) is het leven te zien als een stroom van gebeurtenissen. Als je daarover iets wilt zeggen, is het alsof je een emmer water uit die stroom schept, terwijl ondertussen het water verder stroomt. Omdat je je erin beweegt, kun je er niets statisch over zeggen. Heb je het over de zin van je leven dan gaat het over de richting van die stroom – de vraag naar de zin en naar vrijheid bevindt zich altijd in een bepaalde context.’

Wat betekent dat concreet?

‘Dat je je altijd moet afvragen: wie geeft een antwoord op die zinvraag, vanuit welke positie? De Franse antropoloog Michel Agier beschrijft in zijn boek Borderlands een treffende scène, die zich afspeelt in de Griekse havenstad Patras. Op een groot terrein proberen vluchtelingen in vrachtwagens te klimmen die hen aan boord van een schip kunnen brengen. Aan de rand van dat terrein staat een sportschool, waar mensen op loopbanden naar de vluchtelingen kijken. Het is een wrang beeld dat veel zegt over onze tijd. Zou je die twee groepen mensen naar de zin van het leven vragen, dan zou je beseffen hoezeer de plek van het uitspreken bepalend is voor het antwoord. Heb dus oog voor de stroom waarin je je bevindt en waarvoor je niet altijd hebt gekozen.’

Niet altijd of nooit?

‘Nooit, inderdaad, het is waarin je wordt geworpen. Ik heb me inmiddels na de nodige innerlijke conflicten los kunnen maken van de katholieke opvoeding die ik in mijn jeugd heb gehad. Toch zal die opvoeding mij blijven bepalen – christelijke ­noties als naastenliefde en mede­dogen zijn belangrijk voor me gebleven, ook al zie ik mezelf nu als seculier humanist. Ik gebruik vaak het beeld van een rugzak waarin gedurende je leven allerlei betekenissen worden gestopt. Die draag je met je mee, vaak zonder dat je je er bewust van bent, maar ze bepalen hoe je verder loopt. Toen ik in 2013 gastprofessor in Indonesië werd, werd ik daarmee geconfronteerd, toen ik in mijn hotel op een formulier moest antwoorden: tot welke religie behoort u? Niet gelovig was geen optie. Aanvankelijk was ik daarover verontwaardigd, maar later drong het tot me door dat ik de vraag verkeerd begreep. Voor hen ben ik iemand uit een christelijke cultuur, of ik nu belijdend was of niet. Ik ben daarin geworteld – je kunt niet loskomen van de traditie waarin je bent geworpen.’

Leestip: Wij zijn ons lichaam, Aldo Houterman

‘Op een heldere en intelligente manier legt deze Nederlandse filosoof uit ‘wat sport en beweging ons vertellen over menselijk gedrag’, zoals de ondertitel van zijn boek luidt. Houterman toont overtuigend aan hoe reductionistische visies op lichamelijkheid, zoals die van hersenonderzoeker Dick Swaab, het verhaal van de complexiteit van ons mens-zijn onrecht aandoen. Hij illustreert dat mooi en overtuigend met voorbeelden uit de sportpraktijk.’

U ziet sporten als levenskunst. Waarom?

‘Bij sporten gaat het me niet om het verslaan van de ander of het streven naar een doel. Voor mij is het een zoeken naar je eigen maat – een voortdurend aanpassen aan veranderende omstandigheden. Zo bezien is het ­levenskunst: je leert te luisteren naar wat je lichaam je toefluistert. De kunst is dat te doen op een wijze die bij je past. Het idee van je eindigheid en kwetsbaarheid komt daarbij vanzelf in beeld. In de sportschool zie ik tachtigers, blinden ook. Voor hen gaat het om te ontdekken: wat kan ik nu nog?’

Hoe kijkt u aan tegen uw eigen sterfelijkheid?

‘Het stervensproces van mijn tweede vrouw heeft erin gehakt. Ik zie me nog op mijn knieën voor haar bed, hand in hand en dan die laatste ademtocht – dat vergeet ik nooit. Ik besef sindsdien nog scherper hoezeer dat idee van het primaat van lichamelijkheid klopt en hoezeer dat onlosmakelijk aan sterfelijkheid is gekoppeld. Dat heeft me wel verzoend met mijn eigen eindigheid, wat niet wegneemt dat je het leven betekenis blijft toekennen. Een mens kiest als vanzelf voor hoop en groei. William James schreef: ‘Handel of het leven zin heeft en het zal zin krijgen. Handel alsof het zinloos is en het zal zinloos blijven.’

Maakt u nog groei door?

‘Ik leer nog altijd. Groei kan ook kwalitatief zijn. Je kunt een grens zien als iets waar je stopt, maar ook als iets waar je begint. Je kunt die grens ook als een horizon zien, iets dat niet gefixeerd is en voortdurend verandert. Dat merk je bij een wandeling, wat het leven ook is. Vanuit de horizon die je ziet, geef je jezelf betekenis. Ik zit nu op zes jaar voor mijn emeritaat. Mijn missie is dat ik wil bijdragen aan een wereldcanon – niet aan een Vlaamse, Nederlandse of Europese. Ik wil Zuid-Amerikaanse en Afrikaanse auteurs in mijn lessen binnenbrengen om aan ons eigen eurocentrisme te ontsnappen. Dan stop ik bij de docenten van morgen hopelijk iets anders in hun rugzak, andere vormen van verbeelding. Dat is hard nodig. Neem het denken over de natuur. Vanuit ons westerse efficiëntie­denken zijn we daarmee omgegaan als een voorraadkast die we voor onszelf kunnen gebruiken en uitputten. Maar je kunt de natuur ook zien, zoals bijvoorbeeld de Azteken: als iets waar we deel van uitmaken, als iets dat ook altijd in ons zit. Die benadering sluit aan bij mijn idee over lichamelijkheid. Het lichaam is de spil van onze wereld, zei de Franse filosoof Merleau-Ponty al. Het is vanuit je lichamelijkheid dat je tot zingeving komt in je leven.’

Na zijn serie over de zin van het leven gaat Fokke Obbema dit jaar in een nieuwe reeks op zoek naar het antwoord op de vraag: wat is voor u een zinvol leven? Op deze overzichtspagina leest u alle voorgaande gesprekken in deze serie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden