Lofzang op de luiheid

De wereld gaat aan vlijt ten onder, luidt de zegswijze. Werken we te hard? Er is niets tegen de ijver, zei Jankarel Gevers, bestuursvoorzitter van de Universiteit van Amsterdam, in een redevoering over de deugd der luiheid....

'Gedagdroomd' zegt de dichter over een vers, een kramp van zijn ziel. Het leven danst nu eenmaal naar het gefiedel van het lot - en dat lot is voor dichters geluier en verveling, eigenschappen die kennelijk mooie en welluidende verzen opleveren. Pas na grondig staren en lummelen, zegt schrijver Willem Brakman, 'zo mogelijk bij regenachtig weer en onder het genot van een Haagse sigaar', kan de inspiratie doorbreken.

In het literair tijdschrift Optima heeft een aantal schrijvers het over de zegeningen van de verveling. De verveling is hun muze. Het dagdromen inspireert.

'Ik zit mij voor het vensterglas onnoemlijk te vervelen', dichtte Godfried Bomans. 'Ik wou dat ik twee hondjes was. Dan kon ik samen spelen.'

De verveling, de ontreddering, ennui, apathie, lamlendigheid, hangerigheid, lusteloosheid, sloomheid, lethargie, ongeïnteresseerdheid, landerigheid, lediggang, enzovoort, aldus Joseph Brodsky in De lof der verveling - het openingsverhaal van Optima, het 'is een complex verschijnsel en al bij al een product van de herhaling'. Je zou denken, zegt hij, dat je je er best tegen kunt weren met aanhoudende inventiviteit. 'Maar die keuzemogelijkheid biedt het leven helaas niet, want het voornaamste medium waarvan het leven zich bedient, is nu juist de herhaling.'

In juli 1989 hield Brodsky op Dartmouth College in de Verenigde Staten een rede voor de afgestudeerden. Geen enkel instituut voor hoger onderwijs bereidt mensen voor op de verveling. 'Alfa- noch bètavakken bieden een werkgroep verveling.' Ook het eentonigste geneuzel dat voortzeurt vanachter een lessenaar of het oogverdoffendste handboek in zwaar geleerdenproza, oreerde hij, valt in het niet bij de geestelijke Sahara die in je eigen slaapkamer begint en van geen horizon weten wil: de verveling. 'Jong en nieuwerwets als je bent', aan de verveling ontkom je niet.

Op een dag herken je het: je werk gaat je vervelen, je vrienden, je man of vrouw, je minnaar of minnares, je uitzicht, je meubilair of behang in je kamer, je gedachten, jezelf. 'Naast je bed staan sloffen, geen zevenmijlslaarzen om in weg te benen uit wat je herkent.'

De beste uitweg is - naar een regel van Robert Frost - 'de doortocht'. The best way out is always through. Als de verveling toeslaat, suggereerde Brodsky, loop er dan niet voor weg. 'Laat je erdoor neerdrukken, ga tot op de bodem van het dal.' Dwing je tot klaar zicht op het ergste.

Mag je je tijd wel verlummelen? Ach, je bent in goeden doen, de zelfvertroeteling ligt binnen bereik, dan is luiheid toch een deugd? Ten prooi vallen aan verveling is niet erg. Of is het - naar Dirk van Weeldens opinie in Optima - onaangenaam, 'een verkramping die droevig maakt'?

Luiheid is een deugd. Werken is voor de dommen. In de aula van de Universiteit van Amsterdam sprak Jankarel Gevers, bestuursvoorzitter van de universiteit, onlangs een rede uit over de deugd der luiheid. Met zijn toespraak start een serie 'tijdredes' over deugden, een initiatief van de Universiteit van Amsterdam en het dagblad Trouw. 'Er is niets tegen de ijver, maar het is de uitwas van die ijver waar luiheid zo'n buitengewoon goed tegengif voor is.'

Gevers: 'Als we nu over luiheid praten dan moet je die luiheid-als-deugd absoluut situeren in de buurt van de uitwassen van wat aan het begin van de eeuw als zo vreugdevol voor de mensheid verwelkomd werd. Wat mij als socioloog zo boeit, is dat de ontwikkelingen veelal zo'n onlogische route nemen, 'dialectiek' genoemd. Het is niet het mislukken van de bureaucratie waardoor blijkt dat er ook negatieve kanten aan zitten, maar juist het succes ervan. Niet het mislukken van de markt leidt tot marktzotheid, maar het succes.'

De laat-twintigste-eeuwer wil aan het mechaniek van de haast ontsnappen. Slampamper, leegloper of lanterfanter zijn geen scheldwoorden meer. Het mag allemaal.

'Tegenwoordig is het nieuwswaardig', zei Gevers, 'als een minister om zes uur naar huis gaat en thuis de maaltijd gebruikt. Dat is immers helemaal niet de bedoeling van ministers. Zij worden gekozen op het alsmaar en, als het kan, flink voorbij de normale werktijd interveniëren.'

We rennen ons rot. 'Opzij, opzij, opzij, maak plaats, maak plaats, maak plaats ', dreunt Herman van Veen, 'we hebben ongelooflijke haast.' Het is een kietelend woord, haast. Tijd is schaars en 'tijdsbesteding' is een economisch probleem. Luiheid, vindt Gevers, 'hebben we als deugd bijna uit ons gedragspatroon weggeduwd'. Waarom toch?

Geen tijd hebben voor tijd is hét probleem van de laat-twintigste-eeuwer. Niemand heeft tegenwoordig meer tijd. Het horloge dicteert. 'De hele dag hoor je om je heen: geen tijd, geen tijd, geen tijd', zegt de Canadese schrijver Douglas Coupland - de goeroe van 'de verloren generatie', de futloze Generatie X (of ten onzent Generatie Nix) die wordt gekenmerkt door inertie, luiheid, solipsisme en een volkomen gebrek aan betrokkenheid bij wat dan ook in de wereld. 'Op zich ben ik helemaal niet tegen een leven van opschieten, opschieten, opschieten, doen, doen, doen. Zo ben ik ook. Maar ik heb de moed pauzes in te lassen. Dan trek ik de stekker uit de telefoon, zet de tv uit, de fax-machine op non-actief en ga lezen en denken.'

In The idler's companion, 'an anthology of lazy literature', gaan Tom Hodgkinson en Matthew De Abaitua op zoek naar 'de verborgen geschiedenis van het lanterfanten'. Zij geloven, schrijven ze in hun bloemlezing, in 'the end of the cult of work'. Veel schrijvers hebben aan de verveling of de lediggang grote waarde toegekend. Onthaasting, vinden ze, leidt tot denken.

Hodgkinson - geboren in 1968 - geeft sinds 1993 het tijdschrift The Idler uit, genoemd naar een essay-reeks van Samuel Johnson in het achttiende-eeuwse magazine Universal Chronicle. Het blad bestrijdt de uitwassen van de Thatcherite culture of success. Hodgkinson vond in Will Self, het enfant terrible van de Britse journalistiek, een medestander. The Idler, 'de lanterfanter', verkiest onthaasting, lummelen en vooral intellectueel plezier.

Het rijtje auteurs dat 'lazy literature' beoefenden, is indrukwekkend: naast Johnson en Self, ook Cyril Connolly, Oscar Wilde, Robert Louis Stevenson (met zijn An Apology for Idlers), Lord Byron, Blaise Pascal, Michel de Montaigne, Marcel Proust én Ivan Gontsjarow.

0 IETS VERHINDERDE Oblomow, de held van Gontsjarows roman over 'de onbeweeglijke Russische maatschappij', liggend te denken. Hij bleef in bed. Hij voelde zich innig tevreden dat hij van negen tot drie en van acht tot negen op zijn eigen divan kon liggen. Hij liet zich 'ongehinderd op de stroom van zijn gevoelens en zijn fantasie drijven'.

Het boek Oblomow is de lofrede op de afzijdigheid. In welke luie, lome houding Oblomow ook op zijn bed lag uitgestrekt, 'in doffe doezeligheid of bevend van vervoering', hij keerde zich vooral af van de dagelijkse beslommeringen. 'Het is . . . een soort', laat Gontsjarow een personage zeggen, stomverbaasd over dit vreemde woord en elke lettergreep rekkend, 'O-blo-mo-wisme'. Luiheid.

Maar Oblomow, het type van de vadsige Rus, is eigenlijk niet lui. 'Hij heeft zelfs een vrij druk leven', zegt Oblomow-kenner Karel van het Reve. Zijn luie karakter valt nogal mee; in het eerste deel van het boek ontvangt hij op één ochtend zes verschillende bezoekers. Zijn luiheid is geen vadsigheid maar afzijdigheid, een soort indolentie. 'Hij voelt alleen een grote weerzin als men van hem verwacht dat hij zich druk maakt over de dingen waar iedereen zich druk over maakt.'

0 N DE ZOMER van 1992 ontvouwde de toenmalige fractievoorzitter van de PvdA Thijs Wöltgens een visioen. Hij proclameerde 'het recht op luiheid'. Het was hem bittere ernst. Een lagere arbeidsproductiviteit, zo zei Wöltgens, 'waarin iederéén participeert, valt verre te verkiezen boven een hogere productiviteit die slechts een beperkte deelname aan de arbeid mogelijk maakt'.

Luiheid - of beter: minder haast en vlijt - krijgt van Wöltgens een erezetel. In Trouw reageerden lezers op het begrip 'onthaasting' en op Gevers' toespraak over 'het recht op luiheid'.

Dat recht, zo stond het in de krant, is 'de kunst om een spontane gaap, een wat lodderig staren, en het ongegeneerd rekken van rug en ledematen de vrijplaats te gunnen die ze verdienen, en plein public of in de privé-sfeer'.

Het is, schreef iemand, 'nastrevenswaardig dat behalve de minister van buitenlandse zaken, ook eenvoudiger zielen als wijzelf om zes uur thuis de maaltijd kunnen gebruiken. Misschien kunnen we om te beginnen een nieuw werkwoord introduceren: neervlijten. . .' Als Oblomow.

De wereld gaat aan vlijt ten onder, luidt de bekende zegswijze. Dat laatste, zei Gevers aan het eind van zijn rede, 'is een pessimistische noot waar ik mee afsluit. Ik vrees dat als we luiheid niet meer als een deugd gaan ontdekken, dat deze luchtige zegswijze een verschrikkelijke waarheid wordt.'

Optima, Lof der verveling, nummer 53, f 12,50.

Tom Hodgkinson en Matthew De Abaitua: The idler's companion, 'an anthology of lazy literature', Fourth Estate, £ 10,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden