Interview Schrijfster Lilian Blom

Lilian Blom verloor haar man Louis Ferron en haar hartsvriendin Renate Dorrestein: ‘Rouw gaat nooit weg’

‘Hoe zieker, hoe katholieker’, ondervond schrijver Lilian Blom na het verlies van haar man Louis Ferron en, vorig jaar, haar vriendin Renate Dorrestein. ‘Ik ben ongewild rouwprofessional geworden. En wat ik over rouw heb geleerd, is heel banaal: het gaat nooit weg.’

Lilian Blom: ‘Als Renate Dorrestein een man was geweest, zou ik voor haar zijn gevallen. Onmogelijk, want zo empatisch is geen enkele vent.’ Beeld Anouk van Kalmthout

De laatste gesprekken waren vrijwel woordloos. Het sterfbed van de schrijfster stond in de erker van haar huis in de Aerdenhoutse Merellaan, waar ze zoveel jeneverkelkjes had geleegd, zware shag had gerookt en met vrienden van gedachten had gewisseld over leven en werk. ‘Moedig voorwaarts’, was haar devies. Maar nu was er geen toekomst meer.

‘Ze lag alleen nog een beetje naar de vogeltjes te kijken’, zegt Lilian Blom. ‘De drie, vier weken voor haar overlijden waren volkomen verstild, en bloedheet. Als ze wat adem had, ging het vaak over de hemel, waar zij hartstochtelijk in geloofde. Ik niet. Ik ben agnostisch. Op een gegeven ogenblik pakte ik een globe. ‘Nou Renate, wijs ’s aan, hoe vinden we die hemel van jou?’

‘Je begrijpt er niks van’, zei ze. ‘Daar gaat een mens niet met zijn kleren aan naartoe. We worden zieltjes, Lillebil. Zo komen we elkaar straks tegen.’

‘Maar waar zíjn we dan? En hoe herken je elkaar wanneer je kleine lichtgevende vlekjes bent geworden? Ruik je wie je tegenover je hebt?’

‘Een overtuigend antwoord kreeg ik nooit. En hoe zieker, hoe katholieker, hè. Ze werd steeds closer met god. Louis, mijn man, had jaren daarvoor precies hetzelfde: óók op de valreep die hang naar dat wonderlijke geloof . Bizar dat ik zo close ben geweest met twee papen.

Als ik wegfietste over het grindpad, wuifde Renate me na. Hoe scharminkelig ze er de allerlaatste keer ook bij lag, ze leek de koningin wel. Wie was zij nou precies? Wat hadden we met elkaar? En hoe kan ik verder zonder haar? Vragen waarmee ik al op dat moment – terwijl ze nog boven de aarde zweefde – in de weer was.’

-

‘Een fan die ter ore was gekomen dat Renate dood zou gaan, had haar een grote sleutel gegeven – voor de hemelpoort. Volgens mij kon ze zonder. Petrus moet haar met open armen hebben verwelkomd: jij mag erin. Als Renate een man was geweest, zou ik voor haar zijn gevallen. Onmogelijk, want zo empathisch is geen enkele vent. Hoeveel een man ook van je houdt, uiteindelijk wil hij zijn gelijk halen. Renate had dat niet.’ Ze schatert: ‘Nou ja, niet bij mij.’

‘De vriendschap begon doordat we bij elkaar om de hoek woonden en weleens samen opliepen. Eind jaren negentig hoorde zij via via dat Louis de AKO Literatuurprijs zou winnen, met Karelische nachten, maar ze hield haar kop. Vanaf dat moment werd het steeds leuker.

Na het overlijden van Louis in 2005 wás ze er. Volledig. Ze belde, ze kwam, ze ging met me mee naar zijn graf. Met Renate deelde ik alles, tot en met de gekste gektes, en wat wij elkaar vertelden, zat veilig in een gesloten trommel. Niemand anders kon bij die gevoeligheden. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit nog zo’n hartsvriendin krijg.

‘Een paar jaar voor haar dood belde ze regelmatig met de mededeling: ‘Ik word gek.’ Ze worstelde met een writer’s block. Renate wilde de Definitieve Grote Roman schrijven over de suïcide van haar zusje Annemarie, maar wat ze niet besefte was dat ze het onderwerp al had uitgekauwd. Dát was de blokkade. Er viel feitelijk niks meer aan toe te voegen. Haar hoop dat ze het toch nog verder kon uitdiepen, tekent wel het belang van die gebeurtenis in haar leven. Ik denk dat ze zich schuldig voelde: zij had haar zus moeten redden.

‘Niet voor niets wemelt het in Renate’s romans - meestal klassiek opgebouwde well told stories - van de gruwelijke dingen. Pure gothic. Dood en duisternis. Mensen doen elkaar van alles aan, zelfs hun kinderen blijven niet gespaard. Die gaan ze desnoods te lijf met een appelboor in de edele delen, zoals ze heeft geschreven.

‘Een vrolijk wereldbeeld had zij niet. Maar er was altijd dat ene ventiel waarmee we in zware gesprekken de overdruk konden laten wegsissen: lekker eng doen. Als Renate weer eens in een lang betoog zat, kon ik plotseling heksig fluisteren: ‘Achter je… Achter je… Kijk uit, je vader!’

‘Het gezin is het kleinste concentratiekamp denkbaar’, luidt één van Dorresteins klassieke uitspraken.

Blom knikt. ‘Ik weet zeker dat de kilte en de spruitjesluchtsfeer in haar jeugdjaren bepalend voor haar zijn geweest. Haar vader was een afstandelijke advocaat, en een man die nou niet bepaald in het glas spuugde. Ze hadden in de verste verten niet het contact dat je tegenwoordig tussen vaders en dochters ziet. Renate is zichzelf tot op het laatst blijven kwellen: waarom heb ik nooit met hem kunnen praten? Ik durfde haar niet te vragen of ze het fijn zou vinden om in die hemel van haar op een dag haar vader tegen te komen. Ik dacht: dan maak ik d’r met de dood voor ogen nog overstuur.

‘De zelfmoord van Annemarie kun je ook niet los zien van het slechte huwelijk dat haar onvermogende moeder en die naar binnen gekeerde vader hadden. Dat het niet zomaar een béétje vervelend is geweest, blijkt uit het feit dat ook Renate als jonge vrouw iets rigoureus heeft gedaan: zij liet zich steriliseren. ‘Het geslacht Dorrestein moest worden uitgeroeid’, vond ze. Zelf een gezin vormen wilde ze onder geen voorwaarde. Ze was dol op de twee dochters die achterbleven na de vroege dood van haar beste vriendin Liesbeth, én op de dochter van Maarten, haar geliefde, maar godzijdank was dat trio niet haar verantwoordelijkheid . ‘De rol van tante wordt schromelijk onderschat’, riep ze voortdurend. Maar wat haar nog veel nadrukkelijker beviel, was van negen tot vier in haar werkkamer ongestoord schrijven. Virginia Woolf spelen. Ik ben zelf een gelukkige moeder, maar ik snapte het.’

-

Godverdomme. Meer dan dat ene woord mailde Blom niet terug nadat Dorrestein een bericht met de kop ‘Foute boel’ had gestuurd over haar slokdarmonderzoek.

‘Vlak daarna belde Renate om te zeggen dat ze het ook had gedeeld met ‘de anderen’. ‘De anderen’, dat waren een stuk of zes vriendinnen die zij allemaal zorgvuldig voor elkaar verborgen hield, haha. Ook ik had met niemand in dat clubje contact. Indirect leerden we elkaar kennen via de romans: flarden van ons verwerkte ze in personages.

‘Afgelopen januari zijn we op Renates verjaardag voor het eerst met z’n allen bijeengekomen. Krankzinnig, dacht ik. Als Renate dit had kunnen zien, zou ze een fantastisch boek schrijven over dames die elkaar aan tafel de loef af zitten te steken, want iedereen had vanzelfsprekend een absoluut unieke relatie met mevrouw – die vanwege haar ontijdige dood niemand van repliek kon dienen. Intussen heb ik besloten die maffe avond als uitgangspunt te nemen voor mijn nieuwe boek. Werktitel: De zeven discipelen en de verdwenen schrijfster.

‘Renate koos de chicste weg. Geen operatie of zoiets, gewoon met een zekere kwaliteit van leven richting de uitgang. ‘Die loodgieters in het ziekenhuis weten ongetwijfeld welke pijpen ze in mij moet verleggen, maar dat maakt me niet beter.’ Wat ze wél deed, was stoppen met roken. Terwijl ze haar hele leven had geroepen: dat nooit. Ze had best door kunnen paffen, zo van: ik heb kanker, ik ga sowieso dood. Maar haar grote angst was dat ze zou stikken.

‘We gingen naar Ik stop ermee, een cursus van een soort volksmenner. Maakte niet uit, vond Renate. Dit móést, want ze was zo verslaafd dat ze tussen de medische behandelingen door sigaretten opstak. Ze was de zuurstoftent nog niet uit of hop, een peuk.

‘Het lukte haar. Ze wist er vanaf te blijven. Maar wekenlang kreeg ik om het uur een appje: ‘Lil, ik zit te tandhakken, ik heb er zo’n on-ge-lo-fe-lij-ke behoefte aan. Het eerste wat ik in de hemel ga doen, is een sjekkie rollen.’

-

Dorrestein wist de dood al snel na haar diagnose ten diepste te aanvaarden. Dat was althans de indruk die de buitenwereld kreeg. Bijna monter nam de schrijfster in interviews afscheid van het leven. ‘60 is zo jong nog niet.’

‘Dat was make believe’, zegt Blom. ‘Ze wilde gewoon niet laten zien dat ze strontverdrietig en boos was. Ze vloekte en tierde, hoor. Ze wilde nog zo graag dit, en ze wilde nog zo graag dat. Als we een wandeling maakten, stopte ze bij elk sneeuwklokje. ‘Kijk nou ’s hoe mooi. Ik hou zo van de seizoenen – hoe kan ik dit ooit missen?’

‘Op een dag belde ze snikkend vanuit het ziekenhuis. ‘Lil, het is nu echt afgelopen. Ze hebben me verteld dat het definitief voorbij is. Ik mag naar huis. Nog een paar dagen, misschien weken. Meer niet.’

‘Wil je dat ik nu kom?’, vroeg ik.

‘Ja, alsjeblieft. Doe rustig aan, en kijk je wel uit?’Ik herinner me hoe ontroerend het was uit de mond van iemand die wist dat ze zou gaan sterven: dat je niet hoteldebotel van huis moet gaan, dat je jezelf heel moet houden. Jankend zat ik op de fiets. En Renate maar denken dat ze niet geschikt was voor het moederschap.

‘Bij binnenkomst zag ik haar wit in een wit bedje liggen. De stoere laag was weg. Een musje. ‘Piafje’, noemde ik haar. Ik pakte een boek van haar nachtkastje en begon voor te lezen. Zadie Smith, geloof ik. Renate hield mijn hand vast. Na een tijdje viel ze half en half in slaap.

‘Laatste woord?’, vroeg ik.

Incredibility.’ Ze zei het als in een droom. Ik ben dat woord nooit meer kwijtgeraakt.’

-

Een geharnast feministe die haar zegen gaf aan de masculiene wereld van het katholicisme met z’n paters, priesters en prelaten. Kon Blom die tegenstrijdigheid in het denken van Dorrestein rijmen?

‘Nee. Renate had op een katholieke nonnenschool gezeten, maar ‘daar liepen niet van die gemene nonnen rond’. De rottige kanten van het roomse leven – mannelijke overheersing, de hel, misbruik, weet ik veel – duwde ze weg. Het was allemaal even mooi en lieflijk. Ik vond dat eerder goedgelovig dan gelovig, en dat peperde ik haar ook in. Dan zei ze laconiek: ‘Ach joh, het is gewoon een steuntje, voor mij heeft het iets geruststellends.’

‘Renate ging nooit naar de kerk, maar tegen het einde van het einde liet ze toch een geestelijke langskomen van wie ze het laatste oliestel wilde hebben, zoals ik het noemde. Van die zalving sloot ze mij uit. Ik mocht er niet bij zijn. ‘Jij gaat flauw doen, Lil. Jij kunt je niet inhouden.’

‘Zo zou het inderdaad zijn gegaan. Alhoewel, ik zag haar verdriet, haar overgave. Weten jullie dat Louis dezelfde keuze maakte? Alleen viel in de weken van zijn ziekteproces – bij hem ging het razendsnel - geen priester te vinden die hem wilde komen zegenen. Niemand. De kerk accepteerde niet dat hij euthanasie verkoos.’

Waar Dorrestein tijdens haar ziekte vooral innerlijke rust aan ontleende, was haar lastminutehuwelijk.

‘Maarten wilde met haar trouwen. Ze waren al een jaar of twintig een stel, al woonden ze niet samen. Ik zie haar nog in tranen voor me staan.

‘Hij heeft me een aanzoek gedaan’, zei ze. ‘Volgens mij heb ik ja gezegd voordat hij was uitgesproken.’

‘Dat wordt geen bruiloft maar een huiloft’, zei ik.

Maarten wilde haar laten zien dat hij tot het laatste moment voor haar zou zorgen. Hoe kon dat beter dan met een jawoord en zijn handtekening?’

Saillant was het wel: de vrouw die in het verleden als geen ander had geageerd tegen het huwelijk (‘Getrouwde vrouwen zijn moffenhoeren, ze collaboreren met de vijand’), wilde niets liever dan zich in de echt verbinden.

Blom lacht. ‘Het was net als met haar publieke uitlatingen over doodgaan: voor de buitenwereld trok ze een beeld van krachtdadigheid op, maar net als bij de meeste andere mensen zat haar inner world anders in elkaar. Daar schuilt altijd een kind, de behoefte aan toewijding. Het Piafje.’

-

Renate Dorrestein overleed op 4 mei 2018. Een dag daarvoor zag Blom haar voor het laatst.

‘Ze zat onder de middelen en keek wat verwilderd. ‘De pijn is verdwenen’, zei ze. ‘Ik heb alleen maar slaap. Ik zit niemand meer in de weg.’ Ze was al aan het vertrekken.

‘Wat me enorm trof, en waar ik me alles bij kon voorstellen, was hoe moeilijk ze het verlies van haar vrouwelijkheid tegenover Maarten vond. ‘Het is niet erg sexy om je door je man naar de wc te moeten laten begeleiden’, zei ze. Ik gaf haar een dikke zoen op haar voorhoofd. Veel andere mogelijkheden waren er niet: ze had dingen in haar neus en ik weet niet wat. In zekere zin was het heel makkelijk om laatste woorden te kiezen: ‘Ik hou van je.’

Ze had het al eens eerder in eenzelfde situatie gezegd.

‘Met Louis wist ik: zo gauw wij dat nog één keer tegenover elkaar uitspreken, wordt psssjt de doktersspuit gezet – en is hij weg. Ik zag zijn ziel wegvliegen. Door de dood transformeert dat dierbare lichaam plotsklaps in iets leegs, iets dat puur stoffelijk is. Niet te bevatten.

‘Bij Renate had ik anderhalf jaar om eraan te wennen, bij Louis een maandje. Alvleesklierkanker, klaar, uit. ‘We kunnen hem hier euthanaseren’, zeiden ze in het ziekenhuis. ‘Komt niks van in’, antwoordden wij, ‘dat doen we thuis.’ Werd eerst nog heel gezellig, met vrienden en familieleden die in de tuin kwamen drinken, huilen en lachen. Maar toen Louis wegviel, doemde het zwarte gat op, het grote zwarte gat. En daar sprong Renate in. ‘Wandelingetje?’ The rest is history.’

-

‘Door het dubbele verlies ben ik ongewild rouwprofessional geworden. En wat ik over rouw heb geleerd, is heel banaal: het gaat nooit weg, het slijt hoogstens. Hoe hopeloos dat proces is, merkte ik al na het wegvallen van mijn vader – apotheker. Hij overleed in 1965, ik was 17. Geweldige band had ik met hem. Rare, grappige man. Er hing wel iets geheimzinnigs om hem heen, daar kreeg ik als jong meisje nooit een vinger achter.

‘Mijn vader was joods. Nagenoeg zijn hele familie was tussen 1941 en 1944 vermoord. Na de oorlog wijzigde hij zijn naam, Sal Blom, in Frits Blom. Zo had hij zichzelf – en eigenlijk ook zijn kinderen – in wezen van het jodendom ontdaan. Mijn broer en ik vroegen vaak waarom we geen opa en oma hadden, waarom we met Pasen matzes aten, enzovoorts. ‘Dat vertel ik later nog wel eens’, zei hij dan. Later kwam nooit. Zelfs niet in de fase dat hij wist dat hij zou gaan sterven, bleef hij alles verzwijgen. Mijn vader had een lijdensweg achter de rug, maar hij speelde poppenkast: de olijke, gekkige Jan Klaassen.

‘Ik kende hem niet – zoals Renate op een andere manier háár vader niet kende. Het waren gemaskerde mannen. Wat ik eraan over heb gehouden, is dat ik bij ogenschijnlijk normale zaken altijd denk: daar zit iets achter. Ik vertrouw nooit wat ik zie. Dat hadden Renate en ik gemeen. Ook zij voelde achter de goed geverfde voordeur altijd het drama liggen. Ons gezamenlijke thema was het verborgene, het geheim.

‘Louis voelde wat dat betreft als onze Dritte im Bunde. Met zijn boze pen probeerde hij altijd de driften bloot te leggen die mensen verstoppen achter hun keurige buitenkant. Hem hoefde je niks te vertellen over schijn en wezen. Hij was het buitenechtelijke kind van een Duitse soldaat, die het hier in Haarlem tijdens de Tweede Wereldoorlog had aangelegd met een serveerster. Wat Renate, Louis en ik deelden, was het verlangen om je al schrijvend een weg te banen naar de waarheid.’

-

Blom betitelt Ferron als ‘mijn hoofdgerecht’. Haar eerste echtgenoot, vader van haar twee kinderen, noemt ze ‘mijn entrée ’. En Hans, haar huidige man, is ‘mijn zoete toetje, mijn grand dessert’.

‘Met hem ga ik op een dag het restaurant uit. Toen ik Hans ontmoette, zei Renate tegen me: ‘Dit is hem voor jou, dit is de liefste die ik me voor je kan indenken.’ Vroeger zou ik een harmonieuze relatie saai gevonden. Nu maakt het me alleen maar gelukkig.

‘Hans of geen Hans: als ik in Bloemendaal naar dat schitterend groene kerkhof ga, voel ik me altijd een beetje afgunstig. Renate en Louis zijn vlak bij elkaar begraven. Jezus, denk ik dan, jullie liggen fijn te smoezen met z’n tweeën, en spreken er vast en zeker schande van als ik weer ’s iets zondigs doe, terwijl ik met twee bosjes bloemen in m’n hand sta te lullen tegen twee mensen die niks terug zeggen. Ik val er helemaal buiten.’

Wil ze mettertijd tussen hen in komen te liggen?

‘Nee’, zegt ze zacht. ‘Ruimte genoeg in het graf van Louis, maar ik zal niet bij hem worden gelegd. Mag niet, hè. Dan moet ik eerst officieel toetreden tot de katholieke kerk, en dat gaat beslist niet gebeuren. Strooi wat van mijn as over zijn rustplaats, zou ik zeggen, en stap met het restje op een boot. Ik ga de zee in — maar niet met god. Vergeef me, Louis. Vergeef me, Renate.’

ONVERWOESTBAAR

Samen met Renate Dorrestein bracht Lilian Blom in 2010 de theatervoorstelling De Pagina Dialogen op de planken, waarin zij voorlazen uit hun romans en het literaire landschap verkenden. Blom (Santpoort, 1947) studeerde Engelse Taal en Letterkunde. Ze werkte als vertaler, en als docent op de Hogeschool Inholland. In 2007 publiceerde zij haar debuut De Tuinkamer, gewijd aan haar overleden echtgenoot Louis Ferron. ‘Een roerend requiem,’ schreef de Volkskrant. De jury van de Selexyz Debuutprijs vond het ‘een ode aan de onverwoestbaarheid van de liefde’. In 2010 volgde Strijkend licht, in 2012 Slagschaduw.

HOE BESTA JE NA?

Een dierbare sterft. En dan? In de onregelmatig verschijnende serie Hoe besta je na? spreken Frénk van der Linden en Pieter Webeling met mensen die een geliefde, kind, ouder of goede vriend(in) hebben verloren, of op het punt staan te verliezen. Met welke herinneringen blijven we achter? Hoe rouwen we? Staat God ons bij? Is het mogelijk om een groot persoonlijk verlies betekenis te geven?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden