Leven met partjes veiligheid

Wat haar zoon van negentien met de joodse cultuur doet, weet ze niet. Daar hebben ze het niet over. Voor Judith Belinfante, al meer dan een kwart eeuw directeur van het Joods Historisch Museum, is het hebben van een joodse identiteit niet vanzelfsprekend....

GEKE VAN DER WAL

In grote zwarte letters schreeuwde het je vanaf de billboards tegemoet. 'Waarom heten joden wel vaak hamburger maar nooit frikandel?' Fietsers trapten verschrikt op de rem. Stond daar iets over joden? Jawel. Het volgende billboard. 'Is een bar mitswa een café voor joden?' De fietsers reden terug om nog eens goed te lezen. Ach, het is van het Joods Historisch Museum. Dan zal het wel niet kwaad bedoeld zijn?

Jan Mulder schreef een meesmuilend stukje, over hoe ver een museum kan gaan, over moderne tekstschrijvers bij reclamebureau Saatchi en Saatchi. Op het prikbord in de personeelskantine hangt een kopie van de column. 'We sparen onszelf niet', zegt museumdirecteur Judith Belinfante droog.

De campagne moest prikkelen, nieuwsgierig maken, het was niet de bedoeling te shockeren of taboes te doorbreken, het ging om bezoekersaantallen, om concurrentie, marktgericht denken, nieuw publiek aantrekken. 'Veel mensen denken dat dit een museum over de oorlog is of dat het alleen voor joden is en dat ze niet welkom zijn.'

Nee, niet iedereen waardeerde de campagne. 'Oudere joden', zegt Judith Belinfante, 'of joden die er moeite mee hebben dat ze joden zijn, vonden het akelig. In joodse kring was het lang ongebruikelijk om het woord jood uit te spreken, ook onder elkaar. Je was geen jood, je was joods. Het scheelt maar één letter, maar die letter heeft een grote emotionele lading. Degenen die de oorlog hebben meegemaakt vinden het woord jood buitengewoon bedreigend. 'Voor joden verboden.' Dat was de enige manier waarop het in de openbaarheid kwam. De angst die erbij hoorde is blijven voortbestaan. Dat het nu 52 jaar later nog zo sterk zou zijn, wisten we niet, daar hebben we ons op verkeken. Wij, in het museum, hebben dat zelf niet, de jongere generatie heeft er evenmin problemen mee.'

Twee slogans zijn uit de campagne gehaald: 'Zegt Sam tegen Moos' en 'Leren joden op school aap-noot-Moos of aap-noot-Mies'. Waarom juist deze, op het oog zo onschuldige twee? Judith Belinfante kan het niet goed uitleggen. 'Ik weet het niet precies. Het is ingewikkeld wat er in mensen omgaat. Degenen die moeite hadden met de campagne zeiden specifiek dat ze deze leuzen heel naar vonden. Het verbaasde ons ook. Kennelijk zit er een extra lading in. Je mag er geen grappen over maken omdat ze ook zijn vermoord, Sam en Moos, dat kan niet. Denk ik.'

Het joodse geweten, noemt (half)broer Marc haar wel eens plagend. Ze glimlacht. 'Typisch iets voor Marc. Is natuurlijk niet zo. Absoluut niet.' Koningin van joods Nederlands dan? 'Nee, zeg, lijkt me ook onzin. Als je zegt: ze heeft haar best gedaan om iets te maken waar we plezier van hebben, oké, dat vind ik leuk.' Maar dit museum is toch een levenswerk? 'Dit gebouw, de inrichting, dat doe je niet tien keer, in die zin is het een soort levenswerk.'

Al meer dan een kwart eeuw is ze het gezicht van het Joods Historisch Museum. Ze begon er eind jaren zestig, na haar studie geschiedenis, als assistent. Het museum hield zich toen nog schuil op de zolder van het Amsterdamse Waaggebouw. Ze hield er de boel een beetje bij, poetste het zilver. Nu is ze directeur van een mooie collectie, van een prachtig gebouw, ooit een synagogecomplex, midden in de voormalige jodenbuurt.

'In die zin heeft het museum wel sterk met de oorlog te maken. Deze plek, deze gebouwen, en de leeftijd van de mensen die het hebben opgebouwd. Ik ben uit 1943, je kent weinig joodse leeftijdgenoten, je hebt nauwelijks grootouders, weinig familie. We wilden dat gemis op de een of andere manier vullen. We wilden iets doen tegen het gevoel dat er niets meer was, dat alles was verdwenen, dat tradities niet meer worden doorgegeven, we wilden het verleden en heden naar elkaar toebuigen. Maar het moest niet alleen over de oorlog gaan, want dat is maar een beperkt deel van een heel lange geschiedenis.

'De oorlog is aanwezig in de vorm van kleine documenten. Als je het naar vindt, kan je eraan voorbijlopen. Vroeger was alles afgedekt. Je moest een mapje opendoen, en daar zaten dan documenten in. Geen foto's, nee, want stel je voor dat een bezoeker iemand op een foto zou herkennen. De vreselijke schrik die dat zou geven. Maar langzaam kwam de vraag op of je niet iets moest doen voor de jongere generaties die het niet zelf hebben meegemaakt, die de beelden niet op het netvlies hebben. Een museum kan bovendien niet zonder beeld.

'We proberen het zo over te dragen dat men er iets in herkent, geen afschrikwekkend materiaal, dan slaat men dicht. Daarom laten we kleine dingen zien, briefjes die uit de trein zijn gegooid, van gemeentewege verstrekte adviezen aan de vertrekkers, de hoofdkraan goed dichtdraaien enzo, kleine verbijsterende dingen. Daar kan je wat mee, omdat het lijkt op wat je van de bank krijgt als je op reis gaat. Ze maken de omvang van wat zich heeft voorgedaan gek genoeg begrijpelijker.'

Ze heeft in dat opzicht veel van Presser geleerd. Ze is bij hem afgestudeerd. 'Hij heeft me door die studie geschopt. Alleen al daarom ben ik hem bijzonder dankbaar. Ik heb van hem geleerd dat geschiedenis niet alleen politieke geschiedenis is, dat iedere maatschappij een conglomeraat is van heel verschillende lagen, van allerlei stromingen en manieren van denken en dat als je over geschiedenis praat, je heel zorgvuldig moet zijn in het uit elkaar rafelen van die verschillende elementen. Hij gaf ook een college ego-documenten, wat ik interessant vond omdat je daarin juist die gelaagdheid aantrof. Presser was iemand die aandacht had voor de hele kleine dingen die in de grote geschiedenis werden overgeslagen maar een een heel eigen betekenis hadden.

'Zijn colleges zaten propvol, ook mensen van andere faculteiten kwamen naar hem luisteren. Het was een interessante man, uiterst gecultiveerd. Hij was niet erg toegankelijk, alhoewel hij op een bepaalde manier wel emotioneel en persoonlijk was. Hij was bezig, altijd maar bezig, bezig met zijn grote werk, De Ondergang. De oorlog was zijn referentiekader, daar zat hij dag en nacht in.'

Ze studeerde in de jaren zestig aan de Universiteit van Amsterdam. Haar vader was er rector magnificus, en mikpunt van kritiek, spot en haat, de vijand, de vertegenwoordiger van het regentendom. 'Ik hield me er zorgvuldig buiten, buiten iedere vorm van discussie of wat dan ook. Ik vond het vervelend voor hem en voor mezelf. Ik wilde niet dat hij geconfronteerd zou worden met iets wat ik zou zeggen of vinden. Ik wilde me daar niet in mengen. Ik vond het ten opzichte van hem niet loyaal en ik wou bij de anderen absoluut niet als een middel dienen om wat dan ook over te dragen.

'Het waren harde tijden, voor hem was het een hele nare periode. Mensen lieten zich zacht gezegd niet van hun beste kant zien. Ik straalde kennelijk ook iets uit van zoek het maar uit, want ik werd nooit lastig gevallen.'

- Hou je je zo ook staande in de joodse gemeenschap, in al dat onderlinge gekrakeel?

'Ik zit in de joodse gemeenschap in zekere zin in de marge. Ik ben niet religieus, niet zionistisch. Ik vind dat je op een plek als deze, juist omdat er zoveel onderlinge verschillen zijn, moet proberen om het geheel van die gemeenschap te laten zien. Je moet er niet middenin gaan zitten en mee gaan doen, dan verlies je een bepaalde mate van afstand.

'Toen dit gebouw officieel werd geopend en bleek dat wij ook op zaterdag open zouden zijn, waren de religieuzen heel boos. Ik vond dat we goede redenen hadden om op zaterdag open te zijn. Dan komen sommigen maar niet, dat staat ze vrij. De tentoonstelling die we nu hebben is voor religieuze joden heel interessant omdat er veel synagogaal materiaal bij zit. Maar of ze willen komen of niet, moeten ze zelf weten. Het is net als met de tv, je hoeft niet.'

De eerste vraag die in het museum wordt gesteld is: wat is een jood? Ze legt uit waarom. 'Het is ook voor joden een interessante vraag, waar veel over wordt gediscussieerd. Waaruit bestaat de joodse identiteit? Geloof en traditie, cultuur, vervolging en overleving, zionisme, Israël. Je hebt de religieuze verbondenheid. Voor mensen die niet religieus zijn, is er de lotsverbondenheid, de verbondenheid vanuit het lot dat je met z'n allen deelt. Nu komt er langzaam een moment dat je je kan afvragen of wilsverbondenheid niet iets is om over na te denken. Vroeger werd de verbondenheid door regels of maatregelen van buitenaf bepaald, nu is die identiteit niet meer vanzelfsprekend. Je moet er dus wat voor doen. Je moet het willen.

'Mensen die religieus zijn denken dat het niet kan. De zionisten, die denken dat de zionistische ideologie de oplossing is, menen ook dat het niet kan. De tijd zal uitwijzen of een seculiere vorm van joodse cultuur blijvend kan zijn of dat het iets van een museum wordt.'

- En als je nou helemaal geen joodse identiteit wil hebben? 'Als je het zelf niet wil, er niks bij voelt, er geen band mee hebt, dan hoeft het niet, dat is de essentie van de wilsverbondenheid. Dan kan het hoogstens nog van buitenaf worden aangedragen. Neem iemand als Presser, die had er tot 1940 nooit bij stilgestaan dat hij joods was. Hij schrok daar verschrikkelijk van, hij was een socialist, iedereen was gelijk. Hij gaf daar ook colleges over, over hoe hij geconfronteerd werd met een deel van zichzelf waar hij niets van wist, en waar hij zich totaal niet mee verbonden voelde. Dat is na de oorlog anders geworden. Als je toch vermoord moet worden, is het wel zo handig om te weten waarom.'

- Heb je wel eens niet joods willen zijn?

Ze lacht. 'Ik had niets te kiezen. Ik zag er altijd verschrikkelijk joods uit, al vanaf dat ik twee turven hoog was. Dus die optie heeft zich nooit voorgedaan. Ik heb het vroeger wel eng gevonden om bij een groep te horen die vermoord kon worden. Dat je vermoord kon worden was zo volstrekt ongrijpbaar, irrationeel. Het is ook een buitengewoon machteloos gevoel om voor je overleving afhankelijk te zijn van derden. Met die angst kun je geen kant uit, je kunt er niks mee beginnen, juist omdat hij zo irrationeel is, er is geen argument tegenin te brengen. Het gaat om enorme haat, dan is het einde oefening, afgelopen. 'Het werken hier helpt je over die angst heen. Je kunt positieve dingen doen, contact met Duitsland maken, je kunt erover praten, je moet wel, je kan onmogelijk doen alsof het niet bestaat. Als je geen plek hebt waarin je die confrontaties niet hoeft aan te gaan, als je via Frankrijk naar Zwitserland reist, dan heb je niet de noodzaak er mee bezig te zijn.'

Ze heeft een zoon van negentien. Wat doet hij met de joodse cultuur? Ze heeft geen idee. Daar hebben ze het niet over. 'Hij heeft een joodse moeder, dat is duidelijk. Geen joodse vader. Ik kan met die joodse formulieren, de gebeden en spreuken, niet uit de voeten, dat kan ik niet uitleggen en kan dat dus ook niet op hem overdragen. Maar een manier van denken, een beweeglijkheid, die krijgt ie wel mee. Wat hij ermee wil doen moet hij zelf weten. Wat wel belangrijk is, is dat het joods zijn voor hem niet bedreigend is. Dat heeft zijn generatie heel sterk en dat is buitengewoon prettig.'

Ook zij is niet met de joodse cultuur grootgebracht. 'Mijn vader heeft zelf een heel gedegen joodse opvoeding gehad, maar daarvan maar een deel overgedragen. Hij was er nooit negatief over, dat niet, hij wist alleen veel meer dan hij ons ooit heeft verteld.'

Ze heeft zichzelf wel eens de anderhalfste generatie genoemd. 'Dat was een grapje. Daar moeten we niet te serieus over doen. Ik was twee in 1945, dan ben je geen eerste generatie, dat is onzin, ik heb niks meegemaakt, alhoewel ik ook niet niks heb meegemaakt. Ik heb enorm de pest aan de term tweede generatie omdat het de suggestie geeft dat de problemen doorwerken tot in het zevende geslacht. Je moet niet over jezelf denken in die termen, dat vind ik aan alle kanten verkeerd, je bent je eigen generatie met eigen behoeften en wensen. Ik weet best dat een vervolgingstrauma kan worden overgedragen, natuurlijk, maar het is wat anders dan zeggen dat je als tweede generatie getraumatiseerd bent, alsof dat niet te stoppen zou zijn, alsof dat altijd zo zou moeten blijven, alsof je zelfdefinitie bepaald wordt door die andere generatie en haar ervaring.'

Lien, het dienstmeisje van haar ouders, ontfermde zich over de baby. De eerste twee jaar van haar leven woonde ze, onder een andere naam, in de Haagse Schilderswijk. Heeft ze ooit aan haar vader durven vragen waarom hij en haar moeder midden in de oorlog en onderduik een kind op de wereld hebben gezet?

'Ze hadden al twee kinderen gehad, maar beiden zijn vlak na de geboorte overleden. Misschien dachten ze wel: we willen een kind en we worden al een dagje ouder. Ik weet het niet, ik heb het nooit gevraagd. Is geen kwestie van niet durven, hoor. We spraken niet veel over de oorlog. Het gekke is, het klinkt misschien raar, maar het heeft me ook nooit zo geïnteresseerd. Het heeft me wel verbaasd: zou ik het zelf gedaan hebben? Maar ik dacht: ik ben er nu eenmaal, je kan maar beter maken wat ervan te maken valt.

'Ik heb een eigen herinnering uit die tijd. Ik was net terug bij mijn ouders, ik zat bij mijn vader achterop de fiets, ik had een geruit jurkje aan met zo'n smokrandje, hij reed me rond, liet me zien aan mensen, en zei, dit is 'r nou. Dat weet ik nog. Mischien dat daarom die vraag of ik wel of niet geboren had moeten worden, afdoende beantwoord was. Het zit wel goed.'

Op een ander moment in het gesprek zegt ze: 'Hij vindt het mooi wat ik doe. Mijn vader houdt van al zijn kinderen een mapje bij, van mijn broer Joost, van Marc en van mijn zus, een stiefzusje, die schildert. Een tijdje geleden gaf hij een lezing ergens in het land en toen had iemand hem gevraagd of hij de vader was van mij. Dat vond hij heel leuk. Ik ook. Ik was altijd de dochter van. . .'

Ze heeft niks meegemaakt, zei ze eerder, maar ook niet niks. Haar ouders scheidden, haar vader vertrok voor zijn werk naar het buitenland, haar moeder pleegde zelfmoord toen ze veertien was. 'Ik weet niet of ik hen dat kwalijk nam. Ik was boos en verdrietig, dat ligt er dichtbij. Je voelt je verlaten, natuurlijk, dat is logisch, dat hebben alle kinderen als een van de ouders weggaat. Zo'n zelfmoord is heel moeilijk om mee te leren omgaan. Dat kost veel tijd, ook al omdat er een bepaalde mate van agressie in zit tegen degenen die achterblijven. Of dat nu zo bedoeld is of niet, dat doet er niet toe, het geeft toch het gevoel je hebt me in de steek gelaten en als ik aardiger was geweest was het niet gebeurd. Alsof het jouw verantwoordelijkheid is, wat natuurlijk niet het geval is, maar zo voel je het wel.'

- Alsof er niet van je gehouden wordt.

'Niet voldoende om voor te blijven.'

- Je schreef een verhaal 'Strandwandeling' dat eindigt met een liefdesverklaring van de moeder.

'Ja, is ook zo. Maar daar zit veel verdriet en kwaadaardigheid tussen. Verlatenheid, eenzaamheid, vul maar in. Dat duurt lang, hoor, dat duurt lang. Maar ook dat is op zichzelf niet gek toch?'

Het verhaal kwam voor in een bundel waarmee ze vorig jaar debuteerde, Een glimp van eeuwigheid. Korte, ondramatische verhalen over de eenzaamheid van de afstand, over voorzorgsmaatregelen tegen kwetsuren. Eng? Nee, waarom? Ze vond het énig om te doen. 'Het werken in dit museum houdt in dat je met grote regelmaat de confrontatie met je eigen angst - nou, dit klinkt wel erg zwaar op de hand - moet aangaan. Dus veel angst heb ik niet meer, ook niet bij de verhalen die ik schreef. Bovendien ben ik het niet zelf. Het is een vorm van abstractie. Natuurlijk put je uit een bepaalde bron. Maar door de vorm creëer je een afstand.

'In het werk van de in de oorlog vermoorde schilderes Charlotte Salomons zit ook die afstand, ik ben dol op haar werk, zo ontzettend mooi, het gaat helemaal over haar, maar ik geloof dat ze er zelf maar twee keer in voorkomt met het woord ik. In de vorm heeft ze allerlei technieken toegepast om te zorgen dat er voldoende afstand blijft tussen haar verhaal en degenen die ernaar kijken. Dat maakt het zo goed. Iedereen kruipt in de ruimte die ze openlaat en daar kan je dan ontzettend veel mee.'

Wat betekent het museum nu nog voor Judith Belinfante? Het was geen roeping, geen carrièreplanning, glimlacht ze, ze is er per ongeluk ingerold en gebleven. Ze heeft ooit eens weggewild, directeur worden van een ander, groter historisch museum, het Amsterdams Historisch Museum. De zaak liep mis toen de namen van de kandidaten op straat kwamen te liggen. Daarom zit ze nog hier. Met alle plezier, benadrukt ze, eventueel tot haar pensioen, tenzij er natuurlijk iets leukers voorbijkomt.

'Ik denk dat ik in dit werk wel heel lang veiligheid heb gezocht, en ook heb gevonden. De sfeer is goed, we zijn niet met zoveel dat het onpersoonlijk wordt, het is een hechte club. In die zin heb ik er veiligheid aan ontleend. Maar daarvoor zit ik er nu niet meer, hoor.'

- Die veiligheid was belangrijk.

'Voor iedereen is een bepaalde mate van veiligheid prettig. Maar misschien heb je er meer behoefte aan als je de ervaring van onveiligheid kent. Dat kan je achilleshiel worden, daar zit het kwetsbare deel. Wat er bij mij misliep was een hele primaire kinderveiligheid. Daar kan je wel heel lang naar blijven zoeken, maar die is er dus niet, en kan je helemaal wel vergeten als je over de vijftig bent zoals ik. De vraag is ook of je het op de goede manier hebt gedaan. Dat zie je vaker, met die enigszins traumatische ervaringen, je hebt de neiging het op de verkeerde manier te zoeken.'

- Hoe bedoel je? Verkeerde mannen?

'Nou nee, ik vind het vervelend om het zo te zeggen. Dat is niet eerlijk. Misschien was die man wel prima, maar was jij niet goed, stelde jij de verkeerde vragen. Misschien ben je zo bang voor wat je aan onveiligheid hebt opgeslagen, dat je teveel vraagt, dat je een mate van veiligheidheid wil die onhaalbaar is, die niet te krijgen of te vinden is. De grote behoefte daaraan maakt dat ie er niet meer is, wat je wil is niet menselijk, niet in de maat leverbaar. Dat zit ook heel erg in het eerste boek van Arnon Grunberg, Blauwe Maandagen. Dat gaat maar door, dat boek wordt almaar holler en leger, en wat die jongen dan wil, is helemaal niet meer formuleerbaar en niet meer geefbaar. Dat is jammer. Ik ervaar het niet zo precies, maar ik herken de ervaring, daarom haal ik dat ook uit dat boek.

'Uiteindelijk leer je met partjes veiligheid te leven, daar is het museum een deel van. Overal partjes.'

Afstandelijke blik vanachter de brillenglazen, vervolgens spottend: 'En dan kom je nog heel aardig uit, hoor.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden