Leve de vele zangvogels

Dit is filosofie: 'Alles Volkommene in seiner Art muss über seine Art hinausgehen, es muss etwas anderes, Unvergleichliches werden.'..

KEES FENS

Dit is literatuur: 'In manchen Tönen ist die Nachtigall noch Vogel; dann steigt sie über ihre Klasse hinüber und scheint jenem Gefiederten andeuten zu wollen, was eigentlich singen heisse.'

De eerste zin is abstract en heeft het karakter van een wetmatigheid; de gedachte is voor discussie vatbaar. De tweede is concreet en verbijzonderd - maar laat zich meteen veralgemenen, waarbij zich vele mogelijkheden voordoen. Het is een schitterende zin. Er valt niet over te discussiëren. Het waarheidsgehalte ervan is van een andere orde dan dat van de eerste. Het is onder meer waar door de rijkdom aan gelijk die zich uit verschillende hoeken aandient. Men kan er bijvoorbeeld een werkelijk prachtige omschrijving van literatuur in zien, van de heel grote dan. De meeste dichters klinken als vele andere dichters. Maar dan is er ineens een die alle dichters lijkt te willen leren wat dichten is. En alle lezers ook. Dit is poëzie. Het andere lijkt erop.

Iedereen kent uit zijn lectuur die ervaring. Misschien zelfs - en daarmee komen we dichter bij de betekenis van de zin - uit het lezen van een enkel gedicht, want er zijn verzen die ineens poëzie worden. Misschien kan men in de geest van de tweede zin zeggen dat een groot dichter geen dichter meer is. (Dat je de gedachte aan de tweede zin meteen op dichters en poëzie betrekt, is natuurlijk een gevolg van de traditionele metafoor van nachtegaal voor de dichter. Keats' 'Ode to a Nightingale', die een ode aan de poëzie is. 'In de koude voorjaarsnacht/ Zingen de onsterfelijke nachtegalen': Bloem, die zo vaak de poëzie pas in de laatste regels bereikt, hier bijna volmaakt).

De twee zinnen horen bij elkaar. Het geciteerde is een kleine passage uit het tweede deel van Die Wahlverwandtschaften van Goethe, die zich hier als wijsgeer en dichter manifesteert. De passage kan veel zeggen, over zijn wijze van denken, die de abstractie verlaat voor het beeld. Maar daarmee ook, op literaire wijze, de geldigheid van de gedachte laat zien. De tweede zin is het literaire bewijs van de eerste.

Juist de combinatie van de twee laat de grote (andere) mogelijkheden van de literatuur zien. Het eigene van iets wordt pas goed zichtbaar in de confrontatie met iets dat erop lijkt te lijken. En wie wil, kan de de passage zelf als een bewijs zien van de inhoud ervan. Zo moet je denken, zal niemand bij de eerste zin denken; zo moet je dichten weet ieder na de tweede zin. In een formulering van uniekheid demonstreert Goethe zijn uniekheid. De denker ben ik nu al vergeten; de nachtegaal onthoud ik.

Goethe heeft zich, lijkt het, naar de tweede zin toegeschreven: de denker riep de dichter op. Hetzelfde gebeurt in het kwatrijn 'De nachtegalen' van Bloem, waarvan ik de laatste anderhalve regel citeerde. Lees wat eraan voorafgaat: 'Ik heb van 't leven vrijwel niets verwacht,/ 't Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen. Wat geeft het?' Het wat trage lichaam laat ineens een ziel los, en die vliegt de hoogte in.

Men kan zich de tweede zin uit de passage als 'vrijstaand' denken, als een soort aforisme dus. De voortbrenger van de zin, de eerste zin, verdwijnt; het ontstaansproces van de tweede wordt onzichtbaar gemaakt. Binnen een gedicht zou die tweede zin zelfstandig en superieur kunnen functioneren. En veel woorden uit andere regels tot metaforen vormen: een grote metafoor heeft een geweldige uitwerking.

Maar de passage komt uit een prozawerk. En dan werkt de tweezijdigheid ervan superieur. In de tweede zin concentreert het proza zich ineens tot poëzie. Onverwacht. En door die onverwachtheid werkt de zin maximaal. Het proza geeft plotseling vele uitzichten tegelijk. Ik houd van die plotselinge verdichtingen in proza.

Ik kreeg de regels van Goethe geciteerd in een brief. Al in isolatie dus, wat het dichterlijke al meer kansen geeft. De briefschrijver is in staat geweest tijdens het lezen of herlezen van Goethe's roman die dubbele zin op te merken en de grote mogelijkheden ervan te zien. Ik vind dat indrukwekkend. Hoe aandachtig moet je niet lezen om deze passage te ontdekken, juist in die volheid van Goethe's werk?

Ik neem mij voor Die Wahlverwandtschaften te gaan lezen. En ik hoop dat het niet tegenvalt. Ik moet denken aan Vestdijk. Hij bladerde eens in het dichtwerk van John Donne, las daar een schitterende verbeelding van de relatie wolken-bergen, en besloot tot het zeer grote dichterschap van Donne. Hij ging alles lezen. Maar de bij bladeren gevonden regels werden niet meer overtroffen.

In de isolatie en onverwachtheid toont de kunst haar grootheid, overstijgt zij zichzelf tot Kunst. En daar kan alle kunst van leren. Maar dat kan ze natuurlijk niet. Ze blijft kunst. Gewoon. Het gemiddelde is het ons vertrouwde landschap. We hebben het nodig, want we zouden de hoogtepunten niet meer herkennen. Gelukkig dat er zoveel zangvogels zijn. Nog gelukkiger dat de nachtegaal ook maar gewoon begint. Het grootste heeft de inleiding van het minder grote nodig.

Kees Fens

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden