Leraar voor tovenaarsleerlingen

Zijn mederedacteuren van Propria Cures verwachtten destijds dat hij een tweede Menno ter Braak zou worden. Joop Goudsblom koos echter de wetenschap....

door Geke van der Wal

DE HOOGLERAAR is vriendelijk en tegemoetkomend, maar ook gereserveerd, misschien wel verlegen. Niet iemand die de moeite neemt de stilte te doorbreken of de kennismaking met een luchtig praatje vergemakkelijkt. Hij is iemand bij wie je je afvraagt als hij koffie gaat zetten (z'n vrouw is even de deur uit): zou hij weten waar de koffiepot staat? Ten onrechte, want, reageert hij verbaasd: 'Ja, natuurlijk weet ik dat.' Hij lijkt verstrooid als hij gedachteloos almaar schepjes poedermelk in mijn koffie blijft gooien, maar zegt ironisch: 'Ik lijk Danny Kaye wel.'

Hij is een wetenschapper die z'n academische net bij voorkeur over de gehele mensheid werpt, maar ook een stille liefde koestert voor het beknopte aforisme. 'Ik vind het enig om ze te verzinnen, als het komt, komt het vanzelf, ik weet niet hoe, dan zit ik op de fiets, heb ik er weer een. De kunst is ze te onthouden tot ik thuis ben. Toen ik mijn afscheidscollege voorbereidde, kwamen er ook weer aforisme-achtige zinnen bovendrijven. Eigenlijk ben ik een aforist op zoek naar systematiek.'

Dat is ook een hele mooie. Hij lacht: 'Ik moet weerstand bieden aan die verleiding, want van aforisme naar bon mot is het maar een kleine stap en voor je het weet, word je een grossier in bon mots.'

Joop Goudsblom, hoogleraar sociologie, is vorige week met emeritaat gegaan. Bijna een leven lang was hij verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, generaties studenten lazen zijn boeken en volgden zijn colleges, hij ontrukte Norbert Elias aan de vergetelheid, hij vormde een sociologische school met internationale uitstraling. Hij verwierf respect en bewondering. Een intellectueel leidsman, geen profeet of hogepriester (want zonder charisma), wel een leermeester, voor tovenaarsleerlingen als Bram de Swaan, voor studenten die nu zelf hoogleraar zijn.

Eigenlijk een raar vak, sociologie. Zelf poneerde hij de stelling (om deze vervolgens te ontkrachten natuurlijk) dat sociologie een vorm van betweterij was. Jan Blokker zei eens: 'Sociologen beweren dingen die iedereen allang weet', en Karel van het Reve vroeg zich ooit af: 'Als sociologen ontdekkingen hebben gedaan, hoe kan het dan dat ik daar nooit iets van gemerkt heb?' Merkwaardig dat je over een wetenschappelijke discipline zulke uitspraken kunt doen; alsof het bestaansrecht niet vanzelfsprekend is en elke keer verdedigd moet worden. Volgens Goudsblom geldt dat een beetje voor alle sociale wetenschappen. 'Ook psychologen worstelen met de vraag: wat weten wij nou meer over de menselijke psyche dan u en ik? Bij psychologen zie je soms een vlucht in ingewikkelde technieken, dan bedenken ze mathematische modellen die niemand kan volgen, behalve een paar ingewijden.

'Of er zijn emotionele weerstanden. Bij de sociologie ontstaan de weerstanden wanneer er op grond van onderzoek conclusies worden getrokken die een nogal individualistisch mensbeeld ondermijnen. De sociologie beziet mensen als door en door sociaal en probeert hun gedrag consequent te begrijpen vanuit de sociale figuraties die ze met elkaar vormen. Maar het is veel prettiger te kunnen zeggen dat je de dingen die je doet of denkt zelf hebt bedacht, los van wie dan ook. De mensen koesteren zich liever in de illusie van volstrekte autonomie dan herinnerd te worden aan al het sociale in henzelf, en dat is wat de sociologie doet.'

En wat beide vakgebieden volgens Goudsblom eveneens gemeen hebben, is dat áls er ontdekkingen worden gedaan, ze heel subtiel en ingewikkeld zijn, of zo eenvoudig en aansprekend dat iedereen het onmiddellijk overneemt.

Een van zijn favoriete ontdekkingen betreft een studie die in de jaren dertig is gedaan naar de gevolgen van de werkloosheid in het Oostenrijkse stadje Marienthal. 'Voor het eerst is toen vastgesteld dat gedwongen nietsdoen apathie tot gevolg had, mensen liepen zelfs langzamer. De vermoeide gemeenschap, noemden de onderzoekers hun rapport. Daar kijkt nu niemand meer van op. Wij zijn zo vertrouwd geraakt met die dagelijkse stroom van sociaal-wetenschappelijk of sociologisch onderzoek. Maar toen was dat echt een ontdekking.'

- Worden die ontdekkingen dan per definitie steeds kleiner?

'Dat hoeft niet. De werkelijk belangrijke ontdekkingen zijn de ontdekkingen die het maatschappelijk zelfbeeld veranderen of er iets aan toevoegen. En dat gebeurt onder meer door allerlei begrippen die gaandeweg doordringen in het algemeen spraakgebruik, in de krant, en zeker in de Volkskrant. Ik geloof dat er geen krant in Nederland is die zo gesociologiseerd is als de Volkskrant, zowel in zijn berichtgeving als in zijn commentaren. Begrippen als sociale controle, rolconflict, subcultuur, etniciteit, een hele reeks van dat soort termen, ze komen allemaal uit de sociologie. Minderheden in de huidige betekenis komt uit de sociologie; allochtonen en autochtonen zijn woorden die zonder de sociologie nooit bedacht zouden zijn.'

Als gymnasiast was Joop Goudsblom al een onderzoekertje. Gegrepen door de geschiedenis van zijn woonplaats Krommenie trapte hij regelmatig richting Haarlem, naar het Rijksarchief, dat toen nog een stoffige instelling was waar zelden iemand kwam. De eerste keer dat hij er aanbelde, zag de al even stoffige portier in hem een vlegel in korte broek en werd hem de deur gewezen. Goudsblom weet het nog goed.

'Ik stond daar in die steeg, helemaal beteuterd, de tranen sprongen me in de ogen. Maar toen ging er een schuifraam open, een man stak zijn hoofd naar buiten en zei: ''Wat is er, Jan?'' Van hem mocht ik naar binnen. Ik liet meteen zien dat ik bonafide was, ik wist precies wat ik hebben wilde en waar ik het zoeken moest.' En zo verschenen in de plaatselijke krant artikelen van de jonge Goudsblom over de Zaanse molens en de hennepkloppers, de geschiedenis van de zeildoekindustrie.

Hij ging studeren in Amsterdam en trad in zijn vierde studiejaar toe tot wat achteraf een legendarische Propria Cures-redactie zou zijn, met mensen als Renate Rubinstein, Piet Borst, Aad Nuis en Jan Eijkelboom. Twee jaar lang feest, twee jaar lang 'on top of the world'.

Een unieke periode, een uniek gezelschap. 'Ja, omdat we anders waren, heterogeen, we studeerden allemaal verschillende dingen. We wisten dat we later uit elkaar zouden gaan. We hadden geen Titaantjes-gevoel, dat we vrienden voor het leven zouden zijn, nee, we deden iedere week ons werk, en we voelden ons daar lekker bij.

'Het was niet alleen maar grappenmakerij. Wat Renate Rubinstein schreef over het zionisme was een standpunt dat nog nergens zo verkondigd was. Wij waren trots op haar, wij vonden het prachtig. Het was meer dan mooi en leuk schrijven. We stonden midden in de politieke brandingen, dat gaf ons een enorme kick, wij zeiden dingen die niemand anders zei, die het waard waren verdedigd te worden, we hadden iets te vertellen.'

- Was u ook, net als iedereen, verliefd op Renate Rubinstein?

Goeiig: 'Ach ja, dat mag u wel zeggen.'

- Het hoeft niet, hoor.

'Tja, wat heet verliefd? Ze was onweerstaanbaar. Ze was prachtig. Echt waar. Met veel esprit, dat maakte haar ook mooi, ze had zo'n beweeglijk gezicht. Ze was bijzonder levendig, en had heel directe reacties, maar ze was ook secundair. Ze kon enorme spijt hebben van wat ze gedaan had en was dan ontroostbaar. Ze had een onbedwingbare spontaniteit, dat was een van haar grootste charmes. Ze was buitengewoon hartelijk maar kon ook keihard zijn en mensen heel erg schofferen.'

In een recent artikel in HP/De Tijd wordt Goudsblom geprezen als de mooiste schrijver van de PC-groep. 'Ik deed mijn best', zegt hij terughoudend. 'Ik probeerde het zo mooi mogelijk te doen. Ik heb mezelf als het ware de vrijheid gegund alles uit te proberen, dankzij de pseudoniemen, dankzij de parodieën. Ik kon in allerlei stilistische huiden kruipen, romantisch, cynisch, beschouwelijk. Ik kon me onder een naam die niet de mijne was, van alles verbeelden. Daar heb ik mij in bekwaamd.'

Volgens Hugo Brandt Corstius is er door de sociologie een schrijver aan hem verloren gegaan, zo bleek uit datzelfde artikel. 'Ja, en ik zei dat ik krampachtiger ben gaan schrijven. Dat klopt niet. Achteraf bedacht ik wat ik had moeten zeggen, en dat is: ik heb mezelf de luxe van de parodie ontzegd.'

Begin jaren vijftig kreeg hij Über den Prozess der Zivilisation van Norbert Elias onder ogen. Hij las het ademloos uit. Net als andere redacteuren van Propria Cures. Elias werd in het PC-clubje een cult-auteur. 'Ik had me nooit afgevraagd of hij nog leefde, maar bij een sociologenconferentie in 1956 zag ik tot mijn verbazing ene N. Elias uit Leicester op de deelnemerslijst staan. Ik had 'm geassocieerd met de vooroorlogse wereld, met de wereld van Menno ter Braak als het ware. Ik heb toen kennis met hem gemaakt, we hebben samen gegeten. Hij heeft later nog eens tegen Renate Rubinstein gezegd dat het de allereerste keer in zijn leven was dat iemand aan hem voorgesteld wilde worden, iemand die zijn boek gelezen bleek te hebben. Dat was hem nog nooit overkomen. In Engeland kende men hem als docent, maar men wist niet wat hij geschreven had. Hij werd gerespecteerd, maar ook niet helemaal serieus genomen.'

Goudsblom werd de ontdekker van Elias en - toen hij hoogleraar werd, eind jaren zestig - de motor achter diens zegetocht. De schoolvorming ging niet zonder strijd, ze speelde zich af temidden van heftige conflicten tussen de traditionele sociologie en de marxisten. Die periode, jaren zeventig, met beschimpingen, ruzies, wederzijdse uitsluiting en verborgen agenda's bij benoemingen, heeft hij, 'om met de heer Bommel te spreken', af en toe als heel vreselijk ervaren.

'Maar een onverdeeld beroerde tijd was het ook weer niet. Er stond veel tegenover. Er was een hoop leven in de brouwerij, er gebeurde veel wat tot nadenken en discussiëren stemde. Het was ook de tijd waarin ik met Elias op zeer goede voet stond en veel van hem leerde. Ik stond ook nooit alleen, ik had medestanders, jongere stafleden en enkele studenten, dat maakte het makkelijker. Voor de buitenwereld leek het misschien alsof het sociologisch instituut een voorpost was van de CPN, een enclave van Moskou, maar zo erg was het niet.

'De vergaderingen waren inderdaad soms afschuwelijk. Ik had een raar soort individualistisch eergevoel, ik vond dat je een vergadering niet voorgekookt moest ingaan, je moest onbevangen met je argumenten komen. Dat was vreselijk naïef natuurlijk! Ik kreeg steeds meer te maken met tegenstanders die totaal anders waren, die geschoold waren als harde kaders, tegen hen heb ik het tijdens vergaderingen wel afgelegd. Maar ja, zij hadden geen greep op wat ik dacht of vond. En niemand heeft ooit van mij geëist waarover ik zou moeten doceren en nog minder wat ik zou moeten zeggen.'

Van verschillende kanten werd hem vaagheid verweten, hij zou een onheldere positie innemen, hij zou schipperen. Dat nu vindt Goudsblom geen verwijt. Integendeel. 'Schipperen', zegt hij, 'is een credo van Menno ter Braak. Het betekent dat je het schip ondanks alle tegenwind in de vaart houdt, met zijn lading en bemanning, zonder je te beroepen op, zoals Ter Braak zegt, ''oude leuzen of romantische dwaasheden''.'

De Elias-school werd volgens sommigen een coterie, je hoorde er wel of niet bij, er gingen uitsluitingsmechanismen werken. Ach nee, niet waar, zeg hij schouderophalend. 'Dat heb je toch in eigen hand? Als je onoverkomelijke bezwaren had tegen het werk van Elias, was je in de groep van de figuratiesociologen niet zo'n getapte figuur, daar moet je niet over klagen en mopperen. Natuurlijk werkt dan zo'n uitsluitingsmechanisme.'

Heeft de school nooit enige sektarische, rechtgelovige trekken gehad? Haast verontwaardigd zegt hij: 'Dat zeg je toch nooit van jezelf!?' Ook niet terugkijkend? Nee. 'Ten eerste werd er geen enkele geloofsbelijdenis van wie dan ook gevraagd. De club is altijd open geweest, iedereen was welkom. Ook het gedachtengoed is open, de sociologie van Elias is eigenlijk de sociologie met de grootste reikwijdte, ze laat zich rijmen met al die namen, met Weber, Durkheim, Marx, Freud, Nietzsche. Ja, de beschuldigingen zijn geuit, we zouden sektarisch, orthodox zijn, maar dat gebeurde met onzuivere motieven, dat waren verdachtmakingen, dat waren pogingen een groep mensen die met wetenschappelijk werk bezig was te bestempelen als religieuze fanatici. En juist dat kun je een uitsluitingsstrategie, een stigmatiseringstactiek noemen.'

- Wanneer besefte u dat u bezig was een school te vormen?

'Het was beslist geen plan, zo gaan die dingen niet, althans niet bij mij. Natuurlijk, er vormde zich een school, je moest wel stekeblind zijn om dat niet te zien. Maar ik herinner me bijvoorbeeld heel goed dat iemand bij me kwam, en zei: Joop, het wordt tijd dat we een werkgroep figuratiesociologie oprichten. Goed idee, vond ik, maar het was nooit bij mezelf opgekomen ons als een aparte club te gaan manifesteren. Er was geen plan de campagne. Ik had wel de overtuiging: dit is prachtig en de moeite waard om te propageren en te verdedigen. En verdedigd moest het hoor, want we werden weggehoond, uitgelachen, beschimpt.'

- U won uiteindelijk.

'Het heeft geholpen dat Elias ook buiten Amsterdam naam begon te krijgen. Zolang dat niet het geval was, kon het er op lijken dat we een zonderling in huis hadden gehaald. Dat verdween al een beetje toen hij in Duitsland, en later in Frankrijk en Italië succes begon te krijgen. Toen gerenommeerde Franse historici juichende recensies begonnen te schrijven, begreep men dat het meer was dan een bevlieging van een paar Amsterdammers. En toen overleed hij, en dat scheelde ook, echt waar, hij werd meteen een stuk minder omstreden. Na zijn dood steeg zijn ster.'

- Hoe was Elias als persoon?

'Hij toonde oprechte belangstelling voor je. Als je hem na maanden weer zag, had hij ook de kleine, persoonlijke dingen onthouden en daar vroeg hij dan naar. Hij had een groot vermogen zich te interesseren voor degene met wie hij in gesprek was. Tegelijkertijd verkondigde hij zijn eigen visie en denkbeelden en daarin gaf hij geen krimp. In zijn standpunten was hij onvermurwbaar. Je kon dus gezellig met hem praten, prettig en gemoedelijk, maar er waren ook punten die hij zo belangrijk vond, die moesten zo gezien worden en niet anders, en dan eindigde een gesprek in het beste geval met een we agree to disagree. Dat was zijn standaarduitdrukking om aan te geven dat verder praten heilloos was.'

- Vond u hem dan onvermurwbaar?

'Ja, op den duur wel. Wat dat betreft, is er een verwijdering ontstaan. Die ontstond geleidelijk en was wederzijds. Ik kan het moeilijk uitleggen, daarvoor is het te subtiel en herinner ik me het onvoldoende. Het komt wel vaker voor, je kent iemand met wie je heel lang en heel vertrouwd over van alles en nog wat praat en langzamerhand merk je dat je niet alleen bent uitgepraat, er staan je geen verrassingen meer te wachten, maar ook dat er steeds meer zere plekken zijn waarvan je weet dat je die moet vermijden. Dat is pijnlijk, langzamerhand gaat dat over, maar daarna wordt het nooit meer zoals het geweest is.'

De verwachting van zijn collega-PC-redacteuren destijds was dat hij een tweede Ter Braak zou worden. Gaat dat misschien alsnog gebeuren nu hij met emeritaat is? Goudsblom lacht en wijst naar een affiche van Ter Braak dat aan de muur boven zijn bureau hangt. 'Ik lees af en toe nog in Politicus zonder Partij. Het mooiste dat Ter Braak heeft geschreven, een toonbeeld van inspiratie, verbeelding en redeneerkracht. In het hoofdstuk Nietzsche contra Freud beschrijft hij het vrije intellectuele leven tegenover de wetenschap, met dat prachtige beeld van Freud als de feitenvanger van Hamelen die op z'n fluitje blaast waarna uit alle hoeken en gaten de feiten tevoorschijn komen en hem volgen.

'Dat is de wetenschap. Nietzsche staat erboven, die laat zich niet vangen. Ik was zeer van hem onder de bekoring geraakt, maar uiteindelijk heb ik de literatuur ingeraamd in de sociologie. En niet andersom, zoals Ter Braak deed. Zo werkt het bij mij en dat is ook niet zo'n wonder, want ik ben toch niet voor niets met die hennepkloppers van Krommenie begonnen. Ik wil dingen beschrijven zoals ze werkelijk zijn geweest en zijn geworden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden