Kind is belangrijker dan geld

Nederlandse moeders gaan pas voluit aan het werk als de kinderopvang uitstekend is, stelt Monique Kremer vast; financiële prikkels doen er weinig toe..

Meer kinderopvang en meer financiële prikkels: dan gaan Nederlandse moeders vanzelf meer werken. Dat denkt iedereen. Maar diepgaand onderzoek naar de beweegredenen van vrouwen laat zien dat ze geen economische kosten-batenanalyse maken of ze gaan werken of niet. Soms kiezen ze zelfs tegen hun economische belangen in. Ze zijn geen homo economicus maar een homo moralis. Het belangrijkst voor een moeder is dat er uitstekend voor de kinderen wordt gezorgd als ze werkt. Moeders worden gedreven door een zorgideaal: een heel feitelijk idee over wat goede zorg is, wie het geeft en waar.

Wat houdt uitstekende zorg in? Daar wordt in de Europese verzorgingsstaten verschillend over gedacht en dat ideaal bepaalt hoeveel moeders werken. In Nederland is het ideaal dat vader en moeder samen zorgen en werken. Dat betekent in de praktijk dat moeders een kleine deeltijdbaan hebben. In werkende-moeder-land Denemarken heerst het ideaal dat pedagogisch goed geschoolde beroepskrachten voor de kinderen zorgen. Het veronderstelt dat kinderen beter af zijn bij hoog gekwalificeerde beroepskrachten - samen met andere kinderen - dan thuis met hun moeder. Dat is een effectieve strategie om schuldgevoelens bij werkende ouders weg te nemen. En dan gaan moeders pas meer werken. Voor Nederland zou daarom een combinatie van 'eerlijk delen' en 'professionele zorg' beter uitpakken om moeders aan het werk te krijgen.

In de meeste Nederlandse gezinnen is het kostwinnersmodel de wacht aangezegd. Was in de jaren tachtig Nederland nog het achterblijvertje van Europa, inmiddels werkt in Nederland 70 procent van de moeders met jonge kinderen. Toch maakt de Nederlandse overheid, en ook 'Brussel', zich grote zorgen: moeders werken allemaal maar een klein aantal uren. In 2000 besteedden moeders met jonge kinderen 12 uur per week aan betaalde arbeid, mannen 42 uur. Een voltijd-werkende moeder is een zeldzaamheid en veroorzaakt nog steeds een morele schok.

In Scandinavië en met name in Denemarken werken nóg iets meer moeders, en die werken allemaal voltijd. Slechts 6 procent werkt in deeltijd (vergeleken met 69 procent in Nederland). Dat is gezonder voor de economie en de toekomst van onze verzorgingsstaat. Want hoe gaan we anders de vergrijzing en de naderende arbeidstekorten te lijf?

Er moet meer kinderopvang komen, wordt dus gezegd. En die moet goedkoper. En langere openingstijden, zegt Van Aartsen - graag van zeven uur 's ochtends tot zeven uur 's avonds. Alle financiële barrières moeten uit het belastingstelsel en de sociale zekerheid. Bijstandsmoeders moeten aan het werk (desnoods in de kinderopvang zelf). Dat lijken allemaal logische beleidsveranderingen, maar toch zullen ze niet veel uithalen.

In Engeland bijvoorbeeld, werken sinds jaar en dag weinig moeders met jonge kinderen (nu 52 procent). Toch hebben moeders genoeg financiële redenen om te werken. Het Engelse belastingstelsel heeft getrouwde vrouwen daartoe altijd aangemoedigd, zeker in vergelijking met België en Nederland. Ook de sociale zekerheid biedt weinig motivatie om thuis te blijven: de uitkeringen zijn extreem laag. Toch kent Engeland nog steeds het hoogste percentage bijstandsmoeders. Moeders kiezen ervoor thuis voor hun kinderen te zorgen, tegen hun economische belangen in.

Ander voorbeeld: Denemarken. Dat heeft al sinds de jaren zeventig het hoogste percentage werkende moeders. Maar gek genoeg, en dat is nauwelijks bekend, bestaan er aanzienlijke kostwinnersvoordelen in het belastingstelsel. Als je thuis wil blijven, kan dat, maar niemand doet het. Niet meer dan 5 procent van de Deense vrouwen is husmør - huisvrouw. De Deense verzorgingsstaat lijkt veel op de Belgische, maar in België blijven jonge moeders vaker thuis (nu is de arbeidsdeelname zo'n 63 procent). Twee gelijksoortige stelsels, maar heel ander gedrag.

Ook in Nederland kun je vraagtekens plaatsen bij het effect van financiële prikkels. In de jaren zeventig was het belastingstelsel voordeliger voor tweeverdieners dan in de periode vanaf 1984 tot aan 2001, toen de tweeverdienerswet van kracht was. In die periode was tweeverdiener een echt scheldwoord. Toch is juist in die tijd de arbeidsdeelname van moeders toegenomen.

Klopt het dan wél dat moeders vanzelf gaan werken als er maar meer kinderopvang is? Ook niet helemaal. Neem Vlaanderen. Daar is al veel langer en meer dan in Nederland door de overheid geïnvesteerd in kinderopvang. De Vlaamse kinderopvang is ruimschoots aanwezig en niet duur. Tegelijkertijd is de arbeidsdeelname van moeders in België nauwelijks toegenomen. Sterker nog: veel van hen werken nu deeltijd, dat was meestal voltijd. Waarom werken Belgische moeders niet meer? Dat komt door het in België gepromote zorgideaal.

Dat vraagt om enige uitleg: Europese verzorgingsstaten promoten verschillende idealen van zorg. Zorgidealen klinken door in regels en wetten maar ook in de uitvoering van beleid.

De overheid is niet alleen een marktkoopman die vraag en aanbod samenbrengt, of een notaris die wetten en wensen bekrachtigt; de overheid is ook een priester die predikt wat de beste manier is om te zorgen voor kinderen. Natuurlijk luistert niet iedereen naar de overheid - evenmin als naar de pastoor. Maar de overheid heeft een boodschap die verankerd is in concreet beleid, waarop je in een democratie natuurlijk invloed kunt uitoefenen.

Toen Europese vrouwen de arbeidsmarkt op gingen, verdween het ideaal van voltijds-moederschap, de huisvrouw. Nu promoten overheden andere idealen. In Vlaanderen is het ideaal van de surrogaatmoeder lange tijd dominant geweest. Vanaf het einde van de jaren zeventig hebben de katholieke plattelands-vrouwen dit ideaal nagestreefd. De veelal christen-democratische overheid heeft oppasmoeders die aan huis zorgen voor andermans kinderen ondersteund: het merendeel van de overheidssubsidie gaat naar dit type kinderopvang.

Van surrogaatmoeders wordt verwacht dat ze hetzelfde bieden als echte moeders: warmte, aandacht en geduld. Maar ze blijven surrogaat. Deze vorm van kinderopvang schaadt niet maar baat ook niet. Het blijft altijd beter als de echte moeder zorgt. Daarom werken Vlaamse moeders minder dan de Deense (en Zweedse) en neemt het aantal uren dat moeders werken eerder af dan toe.

In Nederland hebben we het ideaal van het delen van de zorg door beide ouders. Toen eind jaren tachtig duidelijk werd dat vrouwen stonden te trappelen om te werken en de verzorgingsstaat (ook toen) gered moest worden is een alternatief voor het kostwinnersmodel bedacht: het 'combinatiescenario'. Nederland is daarin uniek in Europa. Als mannen minder zouden werken en meer gingen zorgen, konden vrouwen meer werken. De arbeidsdeelname van moeders is dus afhankelijk gemaakt van het zorgen van vaders. Het credo van eerlijk delen is ook te vinden op de door onder andere het ministerie van Sociale Zaken gefinancierde website www.wiedoetwat.nl. 'Mannen in de hoofdrol' heet het project.

Deeltijdarbeid voor beiden is de spil van het model. Zowel de vrouwenbeweging als de vakbond was warm voorstander. Er kwamen wettelijke mogelijkheden tot deeltijdarbeid en er kwam ouderschapsverlof. Maar het ideaal heeft ook de ontwikkeling van betaalbare kinderopvang geremd: zorg doe je samen, thuis.

Het zorgideaal van eerlijk delen heeft moeders aan het werk geholpen, zij het in kleine baantjes. Want het beste is toch als je zelf zorgt, met je man.

De ironie is echter dat vaders veel minder gevoelig zijn voor dit beleidsideaal dan moeders. Hoewel Nederlandse mannen wel vaker verlof opnemen dan elders, werken ze bijna allemaal voltijd. Afhankelijk van de berekeningen beoefent slechts 2, 6, of 9 procent van de gezinnen met jonge kinderen het combinatiemodel. Dat houdt in dat ze beiden ongeveer 32 uur werken.

Het probleem is dus dat het beleid is gebaseerd op de (ijdele) hoop dat mannen meedoen. Dit is een nobel streven. Maar moeten moeders wachten tot mannen, zoals de Amerikaanse sociologe Arlie Hochschild het noemt, ook meedoen met de sociale en culturele revolutie? Dat kan nog wel even duren; mannen hebben immers niet zélf gestreden voor het combinatiescenario.

De arbeidsdeelname van Nederlandse vrouwen is te veel afhankelijk gemaakt van het gedrag van mannen. It takes two to tango: er zijn twee mensen nodig om te delen. Bovendien hebben alleenstaande moeders helemaal niets aan dit beleidsideaal: zij hebben niemand om hun zorg mee te delen.

In Denemarken denkt men er anders over. Kinderen, zo luidt het Deense ideaal, kunnen het best verzorgd worden door hoogopgeleide professionals. Onder hun hoede kunnen kinderen samenspelen met anderen en bovendien zichzelf ontplooien als individu en sociaal burger. In Denemarken is deze vorm van kinderopvang sinds de jaren zestig nagestreefd door de vrouwenbeweging samen met de organisatie van sociaal pedagogen, de werkers in de kinderopvang.

De laatste decennia strijden ook ouders mee voor kwalitatief goede kinderopvang voor iedereen. Denemarken heeft nu de best getrainde kinderleidsters in Europa.

Kinderopvang dient een pedagogisch doel, niet alleen een arbeidsmarktdoel. Het heeft in Denemarken nooit onder het ministerie van Werkgelegenheid gevallen. Kinderopvang wordt daar ook geen 'opvang' genoemd, en zeker geen plek waar je je kinderen 'dumpt'.

In Denemarken is kinderopvang goed, en daarom hebben alle kinderen (ouder dan een jaar) er zelfs recht op.

Deense ouders denken dat hun kinderen wat missen als ze niet naar de kinderopvang gaan: het is zelfs zielig als kinderen in hun eentje bij moeder thuisblijven. Deense kinderen gaan daarom vijf dagen per week naar de kinderopvang (overigens nooit meer dan zeven uur per dag, want dat is slecht). Deense ouders werken vijf dagen per week. Ze hebben het idee dat er uitstekend voor hun kinderen wordt gezorgd, beter dan thuis: schuldgevoel hebben ze dus niet.

In Nederland is dit ideaal van professionele zorg nauwelijks van de grond gekomen. Sterker nog: het ideaal van eerlijk delen is deels ontstaan uit angst voor het 'Scandinavisch model'. Er is nauwelijks een praktijk van hoogwaardige professionele zorg. Onderzoek van het SCP uit 2002 toont aan dat ouders die hun kind naar een kinderdagverblijf brengen minder tevreden zijn dan ouders die hun kind naar de oppas brengen of oppas aan huis hebben.

Het Nederlands Consortium Kinderopvang concludeert na gedegen onderzoek dat de kwaliteit van de kinderopvang naar internationale maatstaven niet goed is en de afgelopen tien jaar is afgenomen. Ze wijzen onder andere op te hoge werkdruk en onvoldoende gekwalificeerde krachten. Met name de individuele zorg en het ontwikkelen van activiteiten die bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen schieten er bij in. Geen enkele van de onderzochte groepen kreeg het predikaat 'goed'. In Scandinavië zou zo'n onderzoek voorpaginanieuws zijn en de minister-president zou erop worden aangesproken. In Nederland maakte het onderzoek nauwelijks iets los.

Langere openingstijden, weinig kwaliteitsnormen, bijstandsmoeders afsturen op de kinderopvang, daarover praten we in Nederland. Daarmee trek je moeders echt niet over de streep om meer te gaan werken. Moeders zullen pas meer uren gaan werken als de overheid het ideaal van professionele zorg handen en voeten geeft. Dat betekent niet dat het ideaal van eerlijk delen bij het grofvuil kan. Mannen moeten nog steeds verleid worden meer te zorgen. Alleen mogen moeders niet afhankelijk worden van dit trage proces.

Deeltijdwerken is een groot goed, daar zijn de Denen ook jaloers op. Maar als we willen dat moeders iets meer werken dan 12 uur gemiddeld, is het tijd om de crèches uit te rusten met uitstekend geschoolde leidsters en in te zetten op de pedagogische en sociale ontwikkeling van onze jonge kinderen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.