Kijken in de gaten van het christendom Gent herdenkt de geschiedenis van twee abdijen

Het duizendjarig bidden laat geen sporen na in de geschiedenis van de twee abdijen van Gent. De tentoonstelling, van hun oorsprong in de verre schemertijd van de zevende eeuw tot hun verval, laat zich beleven als een documentaire en als een zoektocht door zolders vol vruchten van eeuwen volkse vroomheid....

DE KERK EN het kloostergebouw zijn het belangrijkste dat over is van de Sint Pietersabdij te Gent, een barokkerk waaraan een eeuw werd gebouwd, kloostergebouwen die elementen van het romaans tot de barok laten zien en waarvan de refter het gaafst is bewaard. In 1796 kwam er een einde aan het kloosterleven, de laatste abt vluchtte naar Amsterdam, ontstaafd en ontmijterd, zijn zeer mooi bewerkte mijter is, haast symbolisch, in Gent bewaard gebleven.

De kloostergebouwen werden kazerne en bleven dat tot 1950. Toen begon de grote restauratie, een 'kloostermuseum' ontstond, door de gangen zweeft gregoriaanse muziek (een deel van de dodenmis hoorde ik bij binnenkomen, heel toepasselijk) en in de refter klinkt het monotone Latijn van de tafellezer, die de geest bezig hield terwijl de maag werd gevuld. Het kloostergebouw is een centrum voor kunst en cultuur geworden.

Van de kerk en het kloostergebouw van de andere Gentse abdij, die van Sint Bavo, is alleen nog een ruïne over. Het klooster hield al in de zestiende eeuw op te bestaan, de kanunnik geworden monniken kregen een kerk in de stad toegewezen, de tegenwoordige Sint-Baafskathedraal. Maar de praal Gods vierden zij tot het laatst. Van de voorlaatste abt is een majestueuze, zeer verfijnd bewerkte koormantel bewaard gebleven en de werkelijk zeer fraaie gesp ervan (altijd het pronkstuk bij uitstek).

De gesp is nu het embleem van de grote tentoonsteling Ganda & Balandinium, de twee zeer oude namen van de Sint-Baafs en de Sint-Pietersabdij. Ze wordt gehouden in de Pietersabdij en brengt de geschiedenis van beide abdijen in beeld. De eerste tekst op de eerste kaart luidt: '33, dood van Jezus Christus'. Daarmee is het allemaal begonnen.

De tentoonstelling is in de eerste plaats een documentaire. De geschiedenis van de twee abdijen wordt nauwkeurig gevolgd, van de verre schemertijd van de zevende eeuw, toen de twee kloosters werden gesticht door Amandus, de grote missionaris van de zuidelijke Nederlanden, over steeds terugkerend bloeien en vervallen heen tot 1796, toen het klooster werd opgeheven, of tot 1841, toen de laatste monnik van de Pietersabdij overleed.

Hij heette Benoit Gheersen en die voornaam (niet zijn kloosternaam) is bijna te mooi om waar te zijn. De laatste benedictijn van Gent. Een grote geest was hij niet, als bijna al zijn medebroeders.

De geschiedenis is ook een kerkelijke en politieke en vooral Vlaamse, want een nationaal-religieus besef is aan de expositie niet vreemd. Pas in de tiende eeuw gingen beide kloosters officieel de regel van Benedictus volgen. Dat voorkwam niet dat ze een eeuw lang heftig met elkaar in strijd zijn geweest, over de oudste rechten. En de monniken van Sint-Baafs schroomden niet hun geschiedenis te vervalsen, wat het onderzoek naar de werkelijke geschiedenis lange tijd heeft bemoeilijkt. De oudste rechten, de oudste relieken,- en die betekende pelgrims en dus geld.

Geschiedenissen van kloosters zijn zelden vroomheidsgeschiedenissen. Het duizendjarig bidden laat geen sporen na, een enkel schitterend graduale voor gebruik in het koor, dat is het, en de abten die de geschiedenis hebben gehaald, waren bijna altijd grote bestuurders en financiers, wereldse heren, zeker in de achttiende eeuw,- met hun pruiken en pruimenmonden kijken ze ons aan vanaf de muren van hun vroegere klooster. In virtines hangen hun kappen en kazuifels van zeer grote kostbaarheid, staat hun kerkelijk vaatwerk, maar ook het prachtige Chinese porcelein waaruit zij in hun abattiale paleis hun zeer overvloedige maaltijden gebruikten, want de door de regel opgelegde voedselschaarse was hun volkomen vreemd geworden. Hun monniken niet minder. De geest dooft in de kloosters altijd snel.

In de vroegste geschiedenis van beide kloosters speelt een belangrijke rol Einhard, die het meest bekend is als de biograaf van Karel de Grote: hij was leke-abt van de twee abdijen. Het werelds en het kerkelijk bestuur zijn altijd sterk vermengd geweest; niet het minst om hun rijkdom waren de abdijen ook politiek van groot belang, graven en vorsten hadden heel veel invloed in het bestuur.

De voor mij boeiendste abt bestuurde in de late middeleeuwen de Sint-Baafs. Hij heette Mercatel en hij stond aan het hoofd van de abdij van 1478 tot 1507. Als onwettige zoon van Filips de Goede was hij tot hoge kerkelijke functies opgeklommen. Volgens de geschiedschrijver gebruikte en misbruikte hij zijn ruime financiële middelen voor zijn grote passie: het verwerven van een grote collectie luxueuze handschriften (Gelukkig misbruik natuurlijk, achteraf; 'gelukkig misbruik', een mooie titel voor de cultuurgeschiedenis van het christendom). De passie had hij van zijn vader. Bij zijn dood liet hij tachtig zeer kostbare handschriften na (zestig zijn er bewaard). Ze werden alle op bestelling van de abt geschreven, gekopieerd vaak van gedrukte boeken! Hij is met de bouwabten van de barokkerk de grootste erflater.

Hoog in het klooster, waar eens de slaapzalen waren, later de kloosterbibliotheek, is een groot aantal van de handschriften, met soms paginagrote miniaturen, geëxposeerd. Ze vormen het hoogtepunt van de tentoonstelling. Er liggen ook handschriften uit andere tijden, waaronder een missaal uit de Pietersabdij; het werd geschreven en getekend tegen het eind van de dertiende eeuw. Misschien nog mooier is een missaal uit de twaalfde eeuw; het komt uit de Sint-Baafs; het ligt open bij het begin van de canon van de mis, 'Te igitur clementissime pater', woorden die tot ver in deze eeuw onsterfelijk zijn gebleven. Elders op de tentoonstelling ligt het uit de tiende eeuw daterende 'Evangeliarium van Egmond'; het hoort hier, niet alleen omdat het waarschijnlijk in Gent werd gemaakt, maar ook omdat Egmond vanuit Gent met monniken werd bevolkt.

De tentoonstelling is geordend naar de belangrijkste tijdperken van de geschiedenis van beide abdijen. Er is ontzagwekkend veel verloren gegaan, aan gebouwen, kunst en voorwerpen. De Vikingen hebben de vroege kloosters grondig vernield; de beeldenstorm, die ook in Vlaanderen in 1566 heftig woedde, was een gesel van verwoesting; Karel V liet de Sint-Baafs afbreken voor de bouw van vestingwerken. Langzaam komt de Sint-Pietersabdij bij van de zestiende eeuw. De achttiende wordt haar in elk geval materiële bloeitijd. De tentoonstelling prent een vertrouwd gegeven opnieuw in: de vitaliteit van die eeuwenoude kloosters; er werd steeds opnieuw begonnen.

Er rest, behalve dan de boeken, eigenlijk niet zo veel. De ondertitel van de expositie 'Kunst en andere schatten uit twee Vlaamse abdijen' is wat bedriegelijk; wat er aan schilderkunst is te zien, is erg doorsnee, de boeken zijn schatten, de paramenten natuurlijk evenzeer, de andere schatten zijn die van de geschiedenis. Het gaat meer om een historische- dan een kunsttentoonstelling. En als een historische documentatie is de expostie werkelijk uitstekend opgezet, heel didactisch ook, bijna, zou ik willen zeggen, als het ideale historische jongensboek.

De abdijkerk, die natuurlijk het belangrijkse 'onderdeel' van de tentoonstelling is, kan de stelling bewijzen dat de grote Europse kerken ook de zolders zijn van eeuwen volkse vroomheid. Ze documenteren die altijd voortreffelijk. Ook de Gentse abdijkerk is propvol, zo overladen met ook veel lelijks, dat de verkeerde gedachte aan de zegen van een kleine beeldenstorm opkomt. De architectuur van de kerk zou dan pas goed zichtbaar worden.

Hoe vol kerken en kloosters waren met schilderingen, schilderijen, reliekenkisten, vaatwerk, altaren, beelden - blijkt uit de soms bewaard gebleven inventarislijsten. Een zo'n lijst, uit 1482, vermeldt voor de Sint-Baafsabdij 165 cultusobjecten. Of daar iets van is overgebleven, is onbekend, lees ik. Misschien is dit het meest instructief aan de expositie: men kijkt bijna voortdurend in de gaten van de tijd. Duizend jaar kloosterleven,- het kan in een klein aantal zalen van een middelgrote abdij. Het eindigt bijna met even weinig als waarmee Amandus begon. Misschien is de gaten van het christendom beter.

Als ik de abdij verlaat, is het bandje met gregoriaans aangekomen bij de introitus van de dagmis van Kerstmis. 'Er is ons een kind geboren.' Ik begon met de dood en het einde is het nieuwe leven en dat is een mooi beeld van de golfbeweging die de geschiedenis van beide abdijen is.

Bij de tentoonstelling is een werkelijk voortreffelijk boek verschenen, met een zeer uitvoerige geschiedenis van de twee abdijen - voor alle perioden bewonderenswaardig gedaan - studies over de schilderkunst, het edelsmeedwerk, de handschriften, en - in verhouding tot het belang ervan een klein hoofdstuk - het grote materiële bezit van beide abdijen.

Ganda & Blandinium, de Gentste abdijen van Sint-Pieter en Sint-Baafs. Tentoonstelling in de Sint-Pietersabdij te Gent, tot en met 4 januari. Het begeleidend boek heeft de titel van de expostie. De prijs ervan is B. fr. 830.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden