Zinvol levenAlexander Rinnooy Kan

‘Kiezen voor nieuwsgierigheid is meer dan bevredigend’

Alexander Rinnooy Kan, voormalig ‘invloedrijkste man van Nederland’Beeld Jitske Schols

‘Ieder antwoord roept nieuwe vragen op, elk inzicht nieuwe onduidelijkheden.’ Toch laat de mens zich niet uit het veld slaan door die almaar durende onwetendheid, zegt Alexander Rinnooy Kan. Dat zegt alles over de betekenis die mensen aan het leven willen geven.

In zijn boek Bordjes Duiken uit 2018, waarin hij verantwoording aflegt over zijn publieke functioneren, noemt hij zichzelf een zondagskind. Hij verhaalt over zijn ‘zeer geprivilegieerde jeugd’ in Den Haag, als zoon van een remonstrantse topambtenaar van Financiën en een ‘onweerstaanbaar innemende, gracieuze’ ­Engelse moeder. In de jaren zestig studeert hij wiskunde in Leiden en is hij lid van het studentencorps. Daarop volgt een uitzonderlijke carrière: jeugdig rector-magnificus van de Rotterdamse universiteit, jeugdig voorzitter van werkgeversclub VNO-NCW, tien jaar raad van bestuur van bank-verzekeraar ING en ten slotte het voorzitterschap van de SER (Sociaal-Economische Raad). Die laatste functie, die hij van 2006 tot 2012 vervult, maakt hem samen met tal van nevenfuncties tot ‘invloedrijkste man van Nederland’ – de Volkskrant voorziet hem van dat predicaat in de jaren 2007, 2008 en 2009. Ook is hij vader van drie gezonde kinderen en nu, op zijn 70ste, opa van drie kleinkinderen – kortom, geen wonder dat het beeld van een zondagskind hem achtervolgt.

Maar zijn boek vertelt ook een ander verhaal over Alexander Rinnooy Kan. Op school is hij uiterst introvert en wordt hij gepest. ‘Een verwoestende realiteit’ noemt hij pesten, de eerste drie jaren van zijn middelbare school omschrijft hij als ‘een boze droom’. Zijn vader is een man van ‘voorwaardelijke vaderliefde’: zodra zijn zoon iets heeft bereikt, ‘wil hij ­weten wat de volgende stap wordt’. Tegen vaders wil stapt Alexander, midden twintig, met zijn eerste liefde in een wankel Amsterdams huwelijksbootje dat al snel dreigt te kapseizen. In diezelfde tijd sterft ‘veel te vroeg’ zijn moeder, ‘een bron van harmonie die in onze familie slecht gemist kon worden’.

Tot overmaat van ramp krijgt hij in datzelfde jaar, hij is dan 27, een tumor in zijn ruggemerg, die kwaadaardig lijkt. Een week lang denkt hij dat zijn einde nabij is, waar hij met een ‘vreemde berusting’ op reageert. Wanneer de tumor toch goedaardig blijkt, leidt dat tot een ‘lichte teleurstelling’, want ‘alle problemen die ik toen had, werden door mijn aanstaande vertrek opgelost’.

Sindsdien staat hij relativerender in het leven. Dat neemt een ‘wonderlijke wending’ rond die tijd – zijn huwelijk strandt, maar in de plaats komt al snel een nieuwe liefde, Eva, met wie hij de rest van zijn leven door zal brengen. In de daaropvolgende decennia krijgt het zondagskind Rinnooy Kan tweemaal kanker, blijkt hij een zeldzame vorm van diabetes te hebben en overkomt hem een ernstig ongeluk in India. In zijn boek, met als ondertitel ‘ervaringen van een optimist’, schrijft hij openhartig over ‘vlagen van plotselinge paniek en verlammende angst’ die hem sinds zijn rampjaar 1976 ‘nog lang hinderlijk achtervolgen’. Ook nu nog kunnen die zich op onvoorspelbare momenten ‘even’ aandienen.

Wat is voor u een zinvol leven?

‘Wat het leven zin geeft, is het besef onderdeel te zijn van een onbegrijpelijk wonder. Als er ergens een rode draad door dit gesprek gaat lopen, is het wel het idee van aanhoudende onwetendheid. Maar we staan daar niet kansloos tegenover. Het wonder van het bestaan leidt tot de menselijke aandrang te knagen aan de randen van het raadsel, tot het blijven stellen van vragen. Dat we de vraag naar de zin van het leven als betekenisvol ervaren zie ik als een van de meest zinvolle ingrediënten van het leven zelf. Vragen stellen en kiezen voor nieuwsgierigheid vind ik meer dan bevredigend – het is een prachtige menselijke eigenschap, een bron van energie en inspiratie, het maakt mensen tot bijzondere schepsels.’

Gaat het niet meer om de antwoorden dan om de vragen?

‘Nee, het leven draait om ons vermogen iets te kunnen met vragen. Misschien kunnen die tot hele of halve antwoorden leiden, maar dat is niet waar het om gaat. Een mooie illustratie van die menselijke kwaliteit is dat we in een paar honderd jaar, op de eeuwigheid afgemeten niet meer dan een fractie van een seconde, als mensheid in staat zijn gebleken een aantal inzichten te verwerven in de manier waarop niet alleen onze wereld, maar zelfs het complete universum werkt – we hebben natuurwetenschappelijke wetmatigheden ontdekt die tijdloze gelding lijken te hebben. Dat illustreert het best hoeveel kracht er te mobiliseren valt, wanneer we ernaar streven vraagtekens in uitroeptekens om te zetten.

‘Maar met alle inspanningen die wij op dat vlak doen, met alle gegevens die we nu al met elkaar verzamelen en dan moet de quantumcomputer nog komen, toch is het niet-weten allerminst op zijn retour. Zeker niet. Als iets in de afgelopen tweeduizend jaar duidelijk is geworden, die seconde op de eeuwigheid, is het dat ­ieder antwoord weer nieuwe vragen oproept, dat elk inzicht nieuwe onduidelijkheden genereert. Dat maakt deel uit van het wonder. Naarmate het besef dat je daarvan deel uitmaakt zich hechter en dieper nestelt, neemt de zin van je leven toe.’

Wanneer heeft u dat wonder ervaren?

‘In ieder geval tijdens mijn studie wiskunde. Het universum valt in wiskundige termen te beschrijven, maar we begrijpen ten enenmale niet wat die taal daar zo geschikt voor maakt. De Nobelprijswinnaar Eugene Wigner zei: het is een wonder en het enige wat we kunnen doen, is met die taal aan de slag gaan. Dat vind ik een mooi voorbeeld van het onbegrijpelijke waar we deel van uitmaken.

‘Zo is het ook met het bestaan zelf, met al zijn mogelijkheden en onmogelijkheden. Het einddoel van de reis is aan het begin gegeven, we gaan tenslotte allemaal dood en het gaat dus om de reis zelf, die moet het verschil maken. Het bijzondere ervan vind ik vooral de mogelijkheid om die in gezelschap te maken, waardoor we iets van onze reisgenoten kunnen leren en ook iets aan hen mee kunnen geven. Ik heb niet veel op met het concept van existentiële eenzaamheid. Natuurlijk ligt aan de basis van je reis door het leven wat je zelf aan conclusies en waarnemingen genereert. Maar die worden pas betekenisvol door hun waarde voor anderen en omgekeerd ontleen je zelf weer betekenis aan de daden en gedachten van anderen. Ook in die interactie met het reisgezelschap schuilt het wonder van het bestaan.’

Leestip: Job, Joseph Roth

‘Een tijdloos boek, juist ook geschikt voor deze tijd: over de omgang met een ongrijpbaar noodlot, over de beloning voor hoop en vertrouwen en over de wereldse ontknoping van een Oud-Testamentisch verhaal; een schitterende Joodse vertelling. De eenvoudige onderwijzer Mendel ontsnapt aan de onderdrukking van het tsaristische Rusland en wordt in Amerika beloond voor zijn sombere, maar standvastige geloof en voor zijn hartverscheurende nederigheid.’

Brengt uw nadruk op het wonder mee dat u ook denkt dat er ‘meer tussen hemel en aarde is’?

‘Je zou willen dat het zo was, maar het bewijsmateriaal is natuurlijk flinterdun. Als dat zo zou zijn, zou je er toch iets meer van moeten merken dan het geval is? Ik kan me vinden in het adagium: het is vervelend te moeten leven met het idee dat het niet zo is, maar onmogelijk te leven met het idee dat het wel zo is. Op spiritueel vlak voel ik me wel betrokken bij de Ekklesia van Huub Oosterhuis. Hij maakt door zijn teksten en muziek een ontroering los die mij compleet kan overrompelen. Hij beschreef in het boekje Zien soms even geloven als een doorkijkje naar iets dat niet gemakkelijk hanteerbaar is, maar toch zicht geeft op iets groters. Dat klinkt vaag, ik weet het, maar verder ben ik niet gekomen. Op dit vlak koester ik een verlangen naar iets waarvan ik weet dat het onbereikbaar is.’

Dat onbereikbare zit ook in de titel van uw boek – de bordjes die u niet kon opduiken om uw C-diploma te halen.

‘Als we al een noodlot hebben, is dat de zekerheid van het onbereikbare. Je ziet mensen op mijn leeftijd soms met verdriet terugkijken op zaken die ze wel wezenlijk vonden, maar die niet binnen hun bereik zijn gekomen. Op enig moment zijn dat gegeven­heden, zoals kinderen die je niet hebt gekregen, een partner die is uitgebleven, het wetenschappelijk onderzoek waarin je niet hebt gevonden waarnaar je lang zocht. Maar als je naar het leven als geheel kijkt, geven andere onderdelen ervan toch een rijke inhoud aan. Het accepteren van het onbereikbare, onderkennen dat dat wezenlijk voor ons bestaan is, stelt je in staat je met teleurstellingen te verzoenen en de balans in je leven te zien. Dus waar je je ook op richt, en wat ook je hoop is wanneer je begint aan de inspanning die het leven toch is, mijn benadering zou altijd zijn: ­accepteer dat het onbereikbare er deel van zal uitmaken en geef het een plek. Het verlangen ernaar geeft energie en geeft richting aan. Het onvervulde is van waarde, het stemt tot bescheidenheid en tot dankbaarheid voor wat je wel hebt kunnen bereiken.’

Wat is voor uzelf onbereikbaar gebleken?

‘Veel van het werk dat ik heb gedaan, is gericht geweest op het tot stand brengen van verbindingen – het hele poldermodel, het woord moest een keer vallen, is niets anders dan georganiseerde verbindingen. Iedereen weet dat die constellatie nimmer tot perfectie zal leiden – in ieder compromis schuilen per definitie onvolkomenheden die zich op enig moment gaan manifesteren. In dat licht is de onbereikbaarheid van een einddoel van meet af aan gegeven.’

En op het persoonlijke vlak?

‘Toen mijn vader overleed, realiseerde ik me dat veel van wat we rouw noemen eigenlijk het constateren van gemiste kansen is. Dat gevoel heb ik met hem. Het was een relatie die een opgave voor me was en misschien ook wel voor hem. Nooit heb ik getwijfeld aan zijn onderliggende ouderliefde, maar mijn vader zette wel altijd druk – ik was de oudste zoon in een naoorlogs gezin, zowel mijn ouders als mijn grootouders keken vol verwachting naar de volgende generatie. Na hun traumatische oorlogservaringen moest die de wereld tot een succes maken of in ieder geval voorkomen dat dezelfde ellende zich zou voordoen, waardoor hun generatie zo veel schade had opgelopen. Bij elke gelegenheid herhaalde mijn vader zijn hoge verwachtingen. Dat heeft onze relatie niet zo harmonieus gemaakt als zij had kunnen zijn. Hij behoort tot het soort vaders dat je je hele leven achtervolgt; die je ook niet met rust laten, wanneer ze er niet meer zijn. Maar aan het einde van zijn leven is het toch goed gekomen tussen ons. Hij had verzorging nodig en daar hebben we, drie broers, concreet aan bijgedragen. Dat heeft iets heel moois: de verzorging van je ouders op het ­niveau van hun basale behoeften, zoals zij dat ooit voor jou hebben gedaan. Hij registreerde het en waardeerde het zichtbaar. Dat heeft onze cirkel gesloten en heeft veel voor mij betekend.’

Na zijn serie over de zin van het leven gaat Fokke Obbema dit jaar in een nieuwe reeks op zoek naar het antwoord op de vraag: wat is voor u een zinvol leven? Op deze overzichtspagina leest u alle voorgaande gesprekken in deze serie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden