Ketel, je bent er niet meer!

Daar staan we dan, Betsie en ik, bij dat monumentje in het Achterhoekse dorp Steenderen. Betsie is een van de dochters van B.H....

GEDENK die vielen voor uw vrijheid

B.H. Besselink

J.W. Agterkamp

gefusilleerd 17-11-'41.

Mijn echte vader, een strenge, sombere en onaantrekkelijke man, die ik alleen ken van foto's, was al even dood toen oom Jan stierf. Oom Jan, een broer van mijn moeder, had mij, enig kind in een vaderloos huis, nog eventjes bevaderd en de vage herinnering daaraan is alles wat mij bekend is over hoe het is om een vrolijke vader te hebben gehad. Daarna brak voorgoed de ijstijd aan: geslagen moeder, kwade stiefvader en ik zo gauw als maar kon het huis uit, einde jeugd. Betsie herinnert zich haar vader ook niet - zij is van '39 en ik van '38 - maar ze heeft haar oudere zusje wel eens horen vertellen hoe leuk het was om bij hem op de knie te zitten en een hap te krijgen van zijn boterham, nou, dat smaakte! Het zusje, dat toen zes was, ging mee naar de Scheveningse gevangenis, waar haar vader en oom Jan zaten: 'Dat mocht niet, maar dat heeft mijn moeder wel gedaan, ze heeft die oudste meegenomen en er zat een tafel tussen hun in, tussen mijn ouders, en er zaten aan weerskanten twee Duitse officieren en mijn moeder zat daar met mijn zusje en mijn moeder heeft toen tegen Annie gezegd: ''Ga maar onder de tafel door naar pappa'' - en dat heeft ze ook gedaan en dat weet ze ook nog.' Zo'n zusje, daar kun je nooit meer tegenop, begrijp je dat, ja, dat begrijp je, en later, toen haar moeder hetrouwd was en ze de mulo had gedaan, ging ze in de verpleging, had ze meteen onderdak.

We waren vanmiddag - ik voor het eerst en zij voor de tweede keer - op het Ereveld Loenen van de Oorlogsgravenstichting, waar de as van haar vader na de oorlog is begraven. De zon scheen, de vogels deden hun best en steen 544 hadden we ook zo gevonden: B.H. Besselink 10-05-1908/17-11-1941. Er stond een bankje, waar we op gingen zitten, en Betsie zei: 'Ik ben niet zo naïef dat ik geloof dat daar de as van mijn vader ligt, nee, laten we toch eerlijk zijn, ben je gek, daar zit gewoon zand in en ik denk dat ze die as bij elkaar gekukeld hebben, zomaar wat as en zand zit daarin.' Ze had daar vast groot gelijk in, maar de emotie die we zochten, was er niet minder om: 'Nee, de illusie dat hij nog terug zou komen heb ik nooit gehad. Wel eens zo in een dagdroom, hoe dat zou zijn, maar dat was heel onpraktisch geweest, want mijn moeder was hertrouwd. Nee, hij was dood en dat was een gegeven, maar wel later, vooral nadat mijn moeder hertrouwd was, heb ik er toch heel veel last van gehad dat ik hem nooit gekend had, toen heb ik dat wel gehad, maar dat was meer bewust een beetje in het dagdromen opgaan en daarmee spelen. Ik heb vaak een behoefte om mijn levensloop de revue te laten passeren, dikwijls hardop, en dan denk ik: hoe zouden oom Jan en mijn vader dat gedaan hebben?'

Ik schreef, toen ik een jaar of achttien was, gedichten voor oom Jan, met zijn foto voor me op tafel. Hij was de enige bij wie ik mijn hart uit kon storten. Zouden Betsie's vader en hij dat ook bij elkaar gedaan hebben? Ze zaten samen in een cel, toch?

Betsie: 'Ja, oom Jan heeft die cel nog getekend.'

Ik: 'Dat tekeningetje heb ik gezien.'

Betsie: 'Ze hebben ook samen gebeden.'

Ik: 'Maar er zaten nog meer mensen in die cel waarschijnlijk dan zij tweeën.'

Betsie: 'Ja, nog iemand, dacht ik. Want later is er ook nog iemand bij mijn moeder geweest, die bij hem in de cel gezeten heeft en die haar geld heeft getroggeld, want mijn vader zou nog leven en toen heeft ze al het geld wat ze bij elkaar kon schrapen aan hem gegeven, nou ja, nooit meer wat van gehoord natuurlijk.'

Ik: 'Dat wist ik niet. Ze is echt opgelicht?'

Betsie: 'Ja, ja, ze is echt opgelicht.'

Mijn moeder vertelde me ooit van een predikant die bij ze was geweest op de dag van de executie en volgens die dominee was oom Jan toen opgewekt geweest, echt bereid om te sterven, maar toen kwam er bericht dat de executie werd uitgesteld en toen was hij helemaal teleurgesteld. Een week later was het weer zover en toen ging de executie wel door, maar toen was hij niet meer zo opgewekt. Betsie had dat nooit gehoord, maar waar ze wel van wist, dat was het gebedenboek van haar vader, waarin oom Jan schreef ('Heilige vreugde twee minuten voor ik de wijde poorten van de hemel binnenga') en daarna Betsie's vader ('Blij en kalm, twee minuten voor ik de hemel binnenga. Laten mijn geliefde vrouw en mijn dochtertjes niet bedroefd zijn') en daarna de laatste woorden van oom Jan ('Schicken Sie dieses Buch an die Familien Agterkamp und Besselink'). De intimiteit van dat moment, waarop die laatste woorden werden geschreven, vervult ons met zo'n grote schroom, dat we er bijna niet over kunnen praten, Betsie en ik, dichter bij de dood van onze vaders kunnen we niet komen. Willen we er wel zo dicht bij komen? O nee, doorgaans niet, maar nu even wel, alleen nu even, samen.

En toen waren ze dood, ja, en wat toen, hoe moest het toen verder met ons? Wat voor last heb je er - laten we nu maar even heel eerlijk zijn - eigenlijk nog van dat je je vader niet hebt gekend? Betsie: 'Karakter niet, stem niet, gezicht niet, ja, ik denk de warmte die je gemist hebt. Ik heb altijd een heel grote behoefte gehad aan affectie, wat niet verzadigd kan worden. Er zit gewoon een gat in mijn ziel. En ik weet dat ik, als ik vriendjes kreeg, ik ook een ontzettende behoefte had om van hem te horen: wat vind je daarvan, van dat vriendje? Maar ja, dat kon hij niet zeggen, en nog erger, en dat kan ik ook haast niet zeggen, dat is dat ik hem nooit mijn kinderen heb kunnen laten zien. Er zit iets heel egoïstisch in, dat hoor ik me zeggen, daar zit ook wel iets bij van: zij hebben hem nooit gekend, maar dat is toch wat verder weg. Maar ik heb ze hem niet kunnen laten zien: dat is ook een stuk van jou, kijk, zo gaat het leven verder.'

Ik: 'En dan moest hij natuurlijk zeggen dat het mooi is.' Betsie: 'Maar ook een stuk van jou, kijk eens: zo gaat het leven verder, dat is toch ook een stuk van hem dan, daar zitten zijn genen ook in en ik denk, als ik naar Gerben kijk, dat is een Besselink, zijn uiterlijk al, en het karakter dat weet je dus niet goed hè, omdat ik het karakter van mijn vader natuurlijk ook niet zo ken en dat wat je daar dan van hoort, dat zijn dan ook ideale verhalen van mijn moeder, ik heb het aan een tante gevraagd, de jongste zus van mijn moeder, die heeft veel reëler gesproken over dat hele Besselinks gezin en die zei dus: het waren hele goedige, warme, gezellige mensen en jouw vader was een stuk vlotter dan zijn andere broers, maar daar heb je dan verder niet zoveel aan. Waarom lach je?

Ik: 'Het was dus toch een beetje een bijzondere man, hij was vlotter dan de andere broers.'

Betsie: 'Ja, het was maar een klein boerderijtje, maar hij had een raspaardje, hij was ook niet bereid een boerenknol te nemen. Dat zegt wel iets over mensen, vind ik, nou ja, ik had mijn best gedaan om mooie ogen te maken, had ik ook wel kunnen laten zitten.'

Ze veegt haar tranen weg.

'Hij had een paard en dat was niet zo'n rossige knol als je bij andere boeren zag. Het was een raspaard, zo'n man was het, want dat zegt toch iets, dat hij zo'n paard had. Maar ik was er altijd een beetje bang voor. Op een nacht -ik zal een jaar of vijf zijn geweest - moest ik mijn bed uit om te plassen. Ik ging naar de deel en dat paard was me losgebroken, dat liep daar rond. Maar ik moest zo nodig, en ik ben toch maar naar de wc gelopen, en opeens zag ik hoe mooi dat paard was.'

Dat was Betsie's vader die nog even terugkwam om haar te troosten, ja, zo'n man was dat. En mijn oom Jan, wat was dat voor een man? 'Ik weet nog', zeg ik, 'dat ik op zolder oude ingebonden jaargangen vond van het christelijk weekblad De Spiegel, waar stukken van oom Jan in stonden, dus ik maakte eigenlijk kennis met hem op zolder, in stukken over de oorlog op de Balkan, ging hij naar Montenegro en zo, nou, dat vond ik wat, dat had hij allemaal gedaan, ik was zo trots op hem.'

Op de begraafplaats in Steenderen bezoeken we zijn graf en ik noteer: 'Gevallen voor het vaderland J.W.Agterkamp 24-12-1907/17-11-1941 en hierboven zien wij nu een luchtballon van de firma Boomsma die reclame maakt voor Beerenburg, ze laten niks na om het ons echt naar de zin te maken.' Betsie en ik nemen wraak op de Duitsers door eens goed te gaan eten en als ik een dag of wat later terugrij naar Amsterdam, bezoek ik, voor het eerst van mijn leven, ook maar eens het graf van mijn echte vader. Verwaarloosd is het, de steen schuin weggezakt in de grond, ik maak er een polaroid van en laat de camera in het gras liggen. De volgende dag bel ik de begraafplaats en een zekere mevrouw Ketel heeft de camera gevonden, ze heeft haar telefoonnummer achtergelaten. Ik bel haar en zit een week later bij mevrouw Ketel, die vorige week net haar man heeft begraven, daarom was ze op de begraafplaats, hij kwam niet meer van de wc, meneer Ketel, ja, hartstilstand: 'Ik heb staan stampvoeten, ik zei: Ketel, je bent er niet meer'

Zo mag ik het horen! Ja, zo ga je dus om met de dood van een geliefde, zo heeft Betsie het ook gedaan en zo heb ik het soms ook wel eventjes gedaan, maar veel te weinig, o, veel en veel te weinig, maar mevrouw Ketel is er, godlof, ook nog niet zo zeker van of ze haar emoties wel goed berijdt: 'Ik ben er nog zo nuchter onder.'

Meer over

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.