InterviewRinke van den Brink

Journalist zorg kreeg psychose na een traumatische ziekenhuisopname: ‘Zonder mijn netwerk was ik er niet meer geweest’

Het duurde 403 dagen voordat Rinke van den Brink weer volledig aan het werk kon.Beeld Eva Faché

Als NOS-redacteur berichtte Rinke van den Brink vaak over medische fouten. Toen werd hij zelf het middelpunt van zo’n fout, waarna hij in een psychose belandde. Zijn kennis en zijn netwerk brachten hem redding, zegt Van den Brink.

Er zijn tientallen filmpjes waarin hij ’s nachts door het huis doolt en alles benoemt wat hij tegenkomt (‘dat is de wc-rol en dat is positief’), plus opnamen van de katten, de ondergaande zon, het ontbijt dat hij maakt en vooral van zichzelf, een mompelende, verwarde man die huilend aan tafel zit en voelt dat hij op afstand wordt bestuurd. Het is een genadeloze registratie van de gekte die hem drie jaar geleden opeens overkwam: Rinke van den Brink (65), al vijftien jaar redacteur gezondheidszorg bij de NOS, de ervaren journalist die geregeld in het radio- en tv-journaal verschijnt, was veranderd in een steeds dikker wordende man die zichzelf filmde terwijl hij ingesmeerd met aftersun in zijn onderbroek op bed zat of in een knaloranje T-shirt een gek stemmetje opzette. Hij zou er een documentaire van gaan maken, voor Nieuwsuur en voor het journaal en De Wereld Draait Door wilde er vast ook iets mee, net als alle radioprogramma’s, en het was ook zeker geschikt materiaal voor het filmfestival van Venetië en hij moest ook een Europalezing gaan houden over alle Europeanen die hij ooit had geïnterviewd.

Een manische psychose, luidde de diagnose bij de crisisdienst, met grootheidswaan, hallucinaties en dwanggedachten. Uitgelokt, vermoedelijk, door een traumatische ziekenhuisopname, waarbij een ernstige medische fout was gemaakt en hij ternauwernood zijn eigen leven had weten te redden.

Het duurde 403 dagen voordat hij weer volledig aan het werk kon en deze week, precies drieënhalf jaar nadat in een Amsterdams ziekenhuis de ellende was begonnen, verschijnt Ik ben er weer, het boek dat hij schreef over dat akelige jaar.

Het lijkt in niets op de zeven boeken die hij tot nu toe publiceerde, over extreem-rechts en over antibiotica: het is een hoogstpersoonlijk verslag geworden waarin hij zichzelf niet spaart en tot in detail vervelende, soms gênante gebeurtenissen citeert uit de vele filmpjes, zijn dagboek en het medisch dossier. ‘Ik heb alles teruggelezen en -gekeken en ik ben heel erg geschrokken van mezelf’, bekent hij.

Er bestaat een risico dat ze er op de sociale media mee aan de haal gaan (‘Die Van den Brink is gewoon gek’),  maar dat moet dan maar, zegt hij; alleen met complete openheid kan hij laten zien wat het betekent om een psychose te krijgen. En alleen op die manier kan hij eraan bijdragen om het taboe op psychiatrische ziekten te doorbreken. ‘Misschien heb ik onbewust altijd het vooroordeel gehad dat hoogopgeleide, stabiele mensen zoals ik dit niet overkomt. Maar ook ik kan gek worden, net als u lezer. Dat is mijn boodschap en die komt alleen over door te laten zien wat die gekte inhield.’

I De ziekenhuisopname

Jarenlang heeft hij voor de NOS bericht over medische fouten en in de avond van 5 februari 2017 krijgt hij daar opeens zelf mee te maken. Drie dagen eerder is hij geopereerd aan een doorgebroken blindedarm, en hoewel dat een risico oplevert voor een buikvliesontsteking, schrijft de chirurg hem, tegen de richtlijn in, geen antibiotica voor. Hij krijgt hoge koorts, vraagt keer op keer om een arts, maar op die zondagavond is er alleen een arts-assistent beschikbaar en die staat klem op de spoedeisende hulp. Van den Brink, die een paar jaar daarvoor een lijvig boek heeft geschreven over antibiotica, beseft wat hem boven het hoofd hangt: als niet wordt ingegrepen, dreigt bloedvergiftiging en een septische shock en ruim de helft van de patiënten overlijdt daaraan. Hij stuurt een app naar een bevriende hoogleraar die een microbioloog inschakelt, kort daarop verschijnt de arts-assistent alsnog aan zijn bed. Van den Brink krijgt een infuus met antibiotica dat meteen aanslaat. ‘Als ik dat boek niet had geschreven’, zegt hij, ‘weet ik niet of ik er nog was geweest.’

Rinke van den Brink: ‘Als ik dat boek over antibiotica niet had geschreven, weet ik niet of ik er nog was geweest.’Beeld Eva Faché

Dus u heeft erger voorkomen doordat u kon terugvallen op uw kennis, wat zegt dat?

‘De les is natuurlijk dat je moet luisteren naar patiënten. Ik weet verdomd goed wanneer het slechter met me gaat, ik ken mijn lichaam. Maar ik had geluk, wat zou er zijn gebeurd met de Marokkaanse vrouw bij mij op zaal, die slecht Nederlands sprak en niet mijn netwerk had?’

Nou, wat denkt u?

‘De vraag stellen is hem beantwoorden, vrees ik. En die ongelijkheid maakt me extra boos. Ik hoop dat ik daar met mijn boek iets aan kan veranderen, door de aandacht te vestigen op de gebrekkige veiligheid in ziekenhuizen na kantoortijden. Bij een op de tien opnamen gaat iets fout, van een aantekening die niet in het dossier wordt gezet tot een patiënt die uit bed valt en zijn nek breekt, en dat gebeurt vaker in de avond, nacht en weekeinden. Dan is de bezetting niet berekend op drukte. De arts in mijn ziekenhuis had de hele spoedeisende hulp onder zijn hoede én de reanimatiepieper op zak én de pieper van de verpleegafdeling.

‘Brits onderzoek laat zien dat je beter op maandag kunt worden geopereerd dan op vrijdag, want dan krijg je eventuele complicaties in het weekend en dan is er minder goede zorg. Ik kan geen reden bedenken waarom die resultaten niet voor Nederland zouden gelden.’

U noemt niet de naam van het ziekenhuis waar dit gebeurde, waarom niet?

‘Om te voorkomen dat het een afrekening zou worden. Het is ook niet van belang, ik hoorde al snel van artsen uit andere ziekenhuizen: dat had je bij ons ook kunnen overkomen. Naast het personeelsgebrek speelt overal hetzelfde cultuurprobleem: jonge artsen zijn bang om voor watje te worden aangezien of geen opleidingsplek te krijgen als ze te vaak hulp inroepen van hun meerderen.’

II De stoornis

Als hij eind maart terugkeert van vakantie, kan hij niet meer slapen. Het is het begin van een achtbaan die hem de diepte in sleurt: hij wordt angstig, heeft het gevoel dat hij zichzelf niet meer kan uitzetten, gaat constant dwangmatig naar de wc, begint alles om zich heen te filmen, kan amper nog licht en geluid verdragen.

Vijf maanden lang wordt hij behandeld bij de crisisdienst. Daar concluderen de artsen dat hij een bipolaire stoornis heeft, een aandoening die hij altijd moet hebben gehad, maar die mogelijk decennialang is onderdrukt door de medicijnen tegen epilepsie die hij al sinds zijn 16de slikt en die zijn stemming stabiliseren. Door zijn bijna-doodervaring in het ziekenhuis en het slaapgebrek dat daarna ontstond, is de stoornis tot uiting gekomen.

U noemt zichzelf kortweg gek.

‘Ja, ik was de weg helemaal kwijt. Het ergste was de periode waarin ik dacht dat mijn psychotherapeut me signalen stuurde. Die voelde ik ook werkelijk. Ik kan dat gevoel nog oproepen, heel beangstigend.’

U besefte in al die gekte af en toe dat u zich merkwaardig gedroeg. Maakte dat het nog enger?

‘In die heldere momenten was ik vooral bang dat het nooit meer goed zou komen. Dat mijn vrouw weg zou gaan, dat ik mijn baan kwijt zou raken. Ik stel me voor dat je zo’n fase ook hebt als je dement wordt, dat er momenten zijn waarop je denkt: shit, wat gebeurt er met me?’

U moest van uw behandelaars van sociale media af, om schade aan uw publieke persoon te voorkomen. Heeft u achteraf gênante situaties ontdekt?

‘Schandalen heb ik naar mijn weten niet veroorzaakt. Wel heb ik viroloog Marion Koopmans in die tijd een keer een foto van mezelf gestuurd waarop ik er heel slecht uitzag en met een snoeischaar in de tuin in de weer ben. Ze had toen voorzichtig geïnformeerd naar het waarom van die foto en ik had haar geantwoord dat het niet goed met me ging. Vorige week stuurde ik haar een berichtje dat mijn boek zou uitkomen. Weet je nog van die foto die ik je toen stuurde, vroeg ik haar. Waarop ze antwoordde: nou, wel meer foto’s.’

Rinke van den Brink: ‘In die heldere momenten was ik vooral bang dat het nooit meer goed zou komen. Dat mijn vrouw weg zou gaan, dat ik mijn baan kwijt zou raken.’Beeld Eva Faché

U weet nu dat u een chronische psychiatrische ziekte hebt, een volgende episode is niet uit te sluiten, aldus uw behandelaars. Hoe gaat u daarmee om?

‘We hebben samen een signaleringsplan opgesteld met vijf fasen, in oplopende ernst. Als mijn slaappatroon verandert bijvoorbeeld, is dat een eerste indicatie dat het minder goed met me gaat. Dan moet ik gaan opletten. En dat doe ik, want wat me toen overkwam, wil ik nooit meer meemaken. Ik ben ook minder hard gaan werken. Dat vond ik aanvankelijk lastig, maar mijn chef heeft me een soort dienstbevel gegeven.’

III De nasleep

Anderhalf jaar na die bijna fatale nacht dient Van den Brink een klacht in bij het ziekenhuis. De gebeurtenissen hebben hun sporen nagelaten, schrijft hij: hij heeft minder energie, zijn kortetermijngeheugen werkt minder goed, hij gebruikt nog altijd veel medicijnen. Zijn pijlen richten zich niet op de arts-assistent die veel te laat aan zijn bed verscheen: ‘Hij kan het niet helpen dat hij drie dingen tegelijk moet doen.’

De uitkomst is onthutsend: de chirurg, die hem na de operatie niet meer heeft gezien, bestrijdt dat hij een sepsis, een bloedvergiftiging, heeft gehad, en de klachtencommissie neemt dat oordeel over. Totdat Van den Brink ontdekt dat zijn dossier niet volledig is en hij de diagnose van de inderhaast opgeroepen microbioloog achterhaalt: ‘buiksepsis na verwijderen blindedarm’. Waarmee de hele klachtenprocedure in een klap ‘een aanfluiting’ is geworden. Hij laat het er niet bij zitten, zegt hij.

Rinke van den Brink: ‘Redding kwam ook van mijn psychiaters. Ik wil met mijn boek laten zien hoe succesvol een psychiatrische behandeling kan zijn.’Beeld Eva Faché

Waaraan valt te danken dat het goed is gekomen?

‘Ik had alles mee en dat voelt soms oneerlijk. In het ziekenhuis was het mijn netwerk dat redding bracht, daarna mijn gezin. Voor mijn vrouw is het heel zwaar geweest, zij zegt nu dat ze het gezin overeind moest houden, dat het eigenbelang was, maar ze relativeert haar rol te veel. Zij bracht al die maanden structuur in mijn dagen, zonder haar was ik nu misschien wel een van die verwarde personen geweest die af en toe in de media opduiken.

‘Redding kwam ook van mijn psychiaters. Ik wil met mijn boek laten zien hoe succesvol een psychiatrische behandeling kan zijn. De geestelijke gezondheidszorg komt vooral slecht in het nieuws, door tbs’ers die op verlof iemand vermoorden of door lange wachtlijsten. Maar er worden ook heel veel patiënten geholpen.’

Was dit boek ook interessant geweest als u niet Rinke van de NOS was geweest?

‘Dat is lastig te beoordelen. Door mijn werk kan ik mijn persoonlijke ervaringen mogelijk voor een groter publiek interessant maken, omdat ik gebeurtenissen kan duiden. Mijn ziekenhuisopname en mijn psychose hebben een bijzondere vorm van participerende journalistiek opgeleverd. Ik zag al snel hoe belangrijk het was om erover te schrijven, al had ik mezelf alle ellende graag bespaard.’

Rinke van den Brink: Ik ben er weer.

Rinke van den Brink: Ik ben er weer – Zwaar ziek door een medische fout. De Geus; € 21,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden