ReportageSchoonmaken

Journalist Ron van Gelderen werd noodgedwongen schoonmaker via het platform Helpling: ‘Pats! Daar gaat de designlamp’

Beeld Jaap Scheeren

Journalist Ron van Gelderen kon om mentale redenen even geen stukken meer schrijven, maar wilde niet zijn hand ophouden. Dus werd hij schoonmaker via internetplatform Helpling. Voor gemiddeld 12 euro bruto per uur doet hij het huishouden van klanten die doorgaans minstens het dubbele verdienen en die met één vinger in de app zijn lot bepalen.

Een verdieping hoger zingen de klanten mee met Pulp: ‘Never live like common people; never do what common people do; never fail like common people; never watch your life slide out of view.’ Pulp-zanger Jarvis Cocker bezingt in Common People de kloof tussen de verwende klasse en ‘de gewone man’. De ironie ontgaat de luid zingende klanten deze zaterdagochtend. Terwijl zij boven van een zorgeloze dag genieten, boen ik beneden hun luxe appartement.

Sinds bijna drie jaar ben ik een inwisselbare kracht aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Voor gemiddeld 12 euro bruto per uur doe ik via intermediair Helpling het huishouden van klanten die doorgaans minstens het dubbele verdienen. Ze besteden de klussen uit waar ze zelf liever geen tijd in steken en waarover sommige stellen voorheen hele weekenden ruzieden.

Mijn schoonmaakcarrière is uit nood geboren. Na een jaar mantelzorg voor mijn terminaal zieke vader lukt het me niet mijn hoofd bij mijn journalistieke werk te houden. Een regelmatig repeterende depressie dreigt wederom haar monsterlijke kop op te steken. Een lange vakantie in onder meer Antwerpen en Londen blijkt een vergeefse vlucht voorwaarts. In september 2017 arriveer ik met een overvol hoofd en akelig lege zakken in Amsterdam. Omdat ik me fysiek te goed voel voor een bijstandsuitkering, besluit ik tot handarbeid.

Ik, een alleenstaande man van middelbare leeftijd met enkel een havodiploma, wil graag per direct aan de slag. Voor thuiszorg heb ik niet de juiste papieren; voor nieuwe postbodes is even geen emplooi. De enige bij wie ik meteen kan beginnen, is Helpling, het Duitse internetplatform waarop ruim honderdduizend huishoudens maandelijks in tien landen zelfstandige schoonmakers boeken.

‘Je komt als geroepen’, verwelkomt de allereerste klant mij op een zonnige zaterdagochtend. ‘Geef die arme man eerst een kop koffie’, gidst haar echtgenoot me richting huiskamer. De twee voeren een gezellig huishouden. Overal staan, liggen en slingeren mooie, waardevolle spullen naast, op en onder allerlei prullaria. Wanneer ik aan het einde van de ochtend met het zweet op mijn rug de keukenvloer dweil, vertelt de vrouw in tranen dat het huishouden er door ziekte bij in is geschoten. ‘Het was echt de hoogste tijd voor een professional’, verzucht ze. Omdat mijn ogen weer op de zwabber zijn gericht, mis ik haar gelaatsuitdrukking. Ik, professional sinds drie uur, vrees even een vleugje sarcasme. Haar waardering blijkt echter gemeend.

Na de eerste adressen raak ik snel bedreven in mijn nieuwe vak. Het lukt steeds beter in de geboekte 2,5 à 3 uur de hele woning te ontdoen van stof, vet, kalk, schimmel, etensresten, urinevlekken en vingerafdrukken. Nuttige tips van klanten – groene zeep voor graniet, spiritus voor de ramen, azijn tegen mos – maken me in rap tempo professioneler. Door het gesjouw met volle vuilniszakken en stapels oud papier krijgen mijn bovenarmen sportschooljongensachtige proporties. Mijn zwakke knieën houden zich bijzonder kranig. Mijn rug protesteert slechts een enkele keer.

Bedrijfsongelukjes blijven gelukkig beperkt tot klein leed, zoals een gebarsten vaas, een gesneuvelde ovenschaal, een gebroken lamp én héél véél natte sokken. Ontelbare keren manoeuvreer ik mezelf in de uiterste hoek van een zojuist gedweilde kamer. Ik ben notoir onhandig. De klanten zijn desondanks opmerkelijk tevreden. Volgens hen ben ik zelfs een van de beste schoonmakers in de regio. Op een schaal van één tot vijf sterren scoor ik gemiddeld een 4,9 voor kwaliteit, eveneens een 4,9 voor communicatie en een 5 voor betrouwbaarheid. Een greep uit de recensies van de klanten: ‘Ron is geweldig’; ‘excellent’; ‘supernetjes’; ‘integer’; ‘prettig in de omgang’; ‘een absolute aanrader’.

Welkom in de platformeconomie, waar consumenten op basis van lovende klantrecensies online uiteenlopende diensten bestellen. Was ik een musicalster, dan stond ik na de vijfsterrenregen te schitteren in Carré. In werkelijkheid sta ik aan de schaduwrijke achterzijde van de gig economy, waar tienduizenden banen zijn versnipperd tot klussen; waar de verliezers voor een grijpstuiver boenen en chaufferen; en waar de winnaars, zoals de investeerders in Helpling en Uber, graag het grote geld opstrijken.

‘Dus Helpling is de Uber van de schoonmaak die onzichtbaar onder de radar vliegt’, concludeert een klant. Jazeker, Helpling is precies dat. Van de 15,50 euro die mijn klanten gemiddeld per uur betalen, houdt Helpling 3,50 euro in voor marketing en administratie. Uur na uur na uur, het hele jaar rond, ook voor de vaste klanten die na de eerste boeking alles rechtstreeks met de schoonmaker regelen. Meerdere malen vertel ik de Nederlandse Helpling-vestiging dat de verhoudingen zoek zijn. Het leidt elke keer tot een prettige, levendige discussie, maar nimmer tot veranderingen.

Wie zoals ik van adres naar adres gaat, ontmoet heel veel aardige mensen: van het gezin waarvan de ouders met de kinderen wedijveren wie de meeste rommel maakt, tot de vrouw die op gezag van de Japanse opruimgoeroe Marie Kondō haar T-shirts tot kaarsrechte pakketjes vouwt om vervolgens in tijdnood al het andere schone wasgoed uit te strooien op een katoenen Mount Everest in de slaapkamer. Voor hen, naar schatting tweederde van de klanten, werk ik met plezier.

Eenderde van mijn klanten is daarentegen losgezongen van de realiteit. Er is sinds de introductie van internet een verwende klasse ontstaan die eraan gewend is geraakt dat met enkele muisklikken of vingerbewegingen alles kan worden besteld: van Zalando-pakketten tot Thuisbezorgd-maaltijden en van Uber-chauffeurs tot Helpling-schoonmakers. De begrensde communicatie via app of website leidt ertoe dat deze verwende klasse mij behandelt als een robotstofzuiger die met een simpele handbeweging tot leven kan worden gewekt.

‘Hop, hop, nu weer aan het werk!’, appt een vaste klant vorige zomer wanneer ik in haar woning bezig ben. Iets breekt in mij. Speciaal op haar verzoek fiets ik om half zeven ’s ochtends naar haar appartement om daar de bezorgers van een prijzig tv-meubel op te vangen. Als de mannen het goederenliftje tegen de gevel hebben gezet, moeten ze noodgedwongen een halfuur wachten, omdat de afwezige klant eerst nog op afstand de rekening moet betalen. Op koffie is niet gerekend. Terwijl normaal gesproken naast de Nespresso-machine een flinke voorraad ligt, heeft de klant nu tamelijk benepen drie koffiecupjes voor vier mannen klaargelegd.

Wanneer ik ondertussen zoals afgesproken de badkamerafvoer ontstop, vragen de bezorgers waar het omvangrijke tv-meubel moet hangen. ‘Hangen?!’ Uitpakken, plaatsen en wegwezen, was volgens de klant het plan. Het gaat veel meer tijd kosten dan waarvoor ik ben ingehuurd, terwijl de vrouw weet dat ik bijtijds op mijn volgende adres moet zijn. Ik schipper tussen de appende klant, de op mijn aanwijzing gaten borende meubelmannen en de opengedraaide zwanenhalzen in de badkamer. En dan commandeert de klant, kennelijk in de veronderstelling dat we al die tijd aan de zuinige koffie zaten: ‘Hop, hop, nu weer aan het werk!’

De dompteuse! Voor minder dan het minimumloon verlangt de vrouw dat ik door een te kleine hoepel spring. Ze is een van de klanten die het laagste Helpling-tarief betalen. Daarvoor wenst ze deze ochtend het nodige regel- en loodgieterswerk. Wanneer het door haar eigen toedoen stroef verloopt, schoffeert ze het bedienend personeel. Mij bekruipt voor het eerst het akelige gevoel dat ik mesjogge ben om voor een schijntje mijn werkdagen in dienst te stellen van beter gesitueerde sloddervossen. Eerdere leden der verwende klasse cirkelen door mijn hoofd. Mijn fietstocht naar de volgende klant is net lang genoeg om mijn frustratie niet te laten overkoken op het volgende adres. ’s Avonds verleen ik de klant ‘ontslag’. Aanvankelijk reageert ze met verbazing. Even later maakt ze haar excuses.

Beeld Jaap Scheeren

Hoewel ik met plezier mijn talent voor ondergeschiktheid aanspreek, begint sinds deze aanvaring mijn rol steeds meer te knellen. Voor te weinig geld moet ik me schikken in de schema’s van de klanten, die met één vinger in de boekings- en beoordelingsvelden van de Helpling-app mijn lot bepalen. Terwijl geen zinnig mens al na één werkdag van een nieuwe werkgever een functioneringsgesprek verwacht, ligt voor de Helpling-schoonmaker vaak al na enkele uren een oordeel klaar.

De beoordeling is direct online voor iedereen zichtbaar, als ware ik een via Booking.com geboekte hotelkamer in Parijs. Zelfs bij zeer lovende woorden is het een dubieus genoegen op basis van hooguit drie uur boenen keurstempels als ‘excellent’ en ‘integer’ opgedrukt te krijgen. De klant is kóning, geen God. Het blijft elke keer spannend hoe klanten zullen oordelen. Als ik door de laatste klant slecht word beoordeeld, krijg ik minder opdrachten van mogelijk nieuwe klanten.

Meer nog dan de nukken der verwende klasse begint de financiële stress zijn tol te eisen. Mijn tarief van gemiddeld 12 euro bruto per uur is welgeteld 6 cent meer dan het minimumloon, inclusief vakantiegeld en verlofdagen. Reiskosten en ziektedagen zijn voor eigen rekening. Op mijn kritiek dat Helpling een te lage bodemprijs hanteert, stelt het bedrijf dat alle schoonmakers vrij zijn hun eigen prijs te bepalen. Op papier is dat waar. In de praktijk schrijven veel klanten zich in voor een tarief van zo’n 15 à 16 euro per uur, het bedrag dat ze doorgaans ook aan een zwart werkende hulp zouden betalen. Daarvan krijg ik na aftrek van Helplings kantoorkosten circa 11,50 à 12,50 euro bruto per uur. In een topmaand, waarin de vaste klanten alle boekingen laten doorgaan en ik ook nog enkele eenmalige klanten bedien, verdien ik circa 1.400 euro bruto. ’s Zomers, wanneer veel klanten op vakantie zijn, lopen de inkomsten terug tot 700 euro bruto per maand.

Het is een wankel bestaan. Voor een gezonde vakantie ontbreekt het geld. De zomer vult zich met miniwerkdagen. De financiële stress loopt dit voorjaar verder op door de snelle afzeggingen in coronatijd. De meeste tijdelijke thuiswerkers doen het huishouden even zelf, sommigen houden liever een tijdje vreemden buiten de deur en enkelen zijn de stad ontvlucht. Zoals meer kleine zelfstandigen zit ik even bij de pakken neer, tot ik mezelf in mei streng toespreek. Het is zelfs – of misschien wel juist – in deze onzekere periode de hoogste tijd nieuwe dromen na te jagen.

Medelijden met verliezer dezes is niet nodig, afkeer jegens de winnaars evenmin. We draaien met z’n allen mee in een collectief vervaardigde mallemolen. Zo nu en dan hoor je een snerpend geluid, vooral bij de jaarlijks terugkerende verontwaardiging over de exorbitante topinkomens. Al snel draaien we weer door. De hoogopgeleide critici bespreken zelden de salarisverschillen tussen henzelf en hun lager opgeleide collega’s. Terwijl de allerbeste schoonmaakster bij hoge uitzondering fulltime 2.500 euro bruto per maand verdient, krijgt haar universitair geschoolde collega op de p&o-afdeling aan het begin van haar carrière al gauw 3.000 euro, wat in de jaren erna oploopt tot circa 5.000 euro bruto per maand.

Vijftig jaar geleden waren zulke forse verschillen nog te verdedigen. Arbeidskrachten met een academische graad of hogeschooldiploma waren schaars. Volgens de economische wetten van vraag en aanbod én groeiende productiviteit werden deze werknemers beter beloond. Schaars zijn hoogopgeleiden in diverse disciplines echter allang niet meer. Hun aandeel op de arbeidsmarkt is in vijf decennia vervijftienvoudigd. Van de jongste garde werknemers is de helft drs, ir, mr, Ba of Bsc.

Het is, zo valt me in wanneer ik een keukenvloer dweil, nogal wonderlijk dat relatief veel mensen al vijftien jaar mokken over het verdedigbare topinkomen van een getalenteerde enkeling als Matthijs van Nieuwkerk, en tegelijkertijd veelal zwijgen over de discutabele salarisverschillen tussen grote groepen werknemers. Wie de pijlen richt op de grootverdieners, zou op z’n minst ook even achterom moeten kijken naar de grote groepen op de lagere verdiepingen van het loongebouw. Ergens in de kelder vegen mijn collega’s en ik de schamele kruimels bij elkaar.

Kruipend door de lage kelder van een leeg huurhuis bereken ik dat ik daar per saldo slechts 10,90 euro bruto per uur verdien, deels door het tijdrovende, onbetaalde app-overleg dat eraan voorafging. Het huis is in april leeg opgeleverd door een expatgezin dat wegens corona naar Duitsland is geremigreerd, en moet nu grondig worden schoongemaakt. Het is een gekke tijd. Terwijl de één met een vast arbeidscontract voldoende verdient om maandelijks bijna 3.000 euro huur te betalen, boent de ander het huis via een flex-app voor minder dan het minimumloon.

Wie zoals ik na meer dan achthonderd boekingen via de Uberiaanse firma Helpling zelfs wordt gevraagd Ubers Europese hoofdkantoor in Amsterdam te kuisen, heeft enig recht van spreken over de schaduwzijde van de platformeconomie. Sinds de verhelderende zomerochtend voel ik me fietsend van het ene naar het andere huis te vaak een balletje dat door andermans manipulatie door de flipperkast vliegt. Een groeiende groep flexibele arbeidskrachten verliest de grip op het eigen leven, voorspelde de Amerikaanse socioloog Richard Sennett in zijn spraakmakende boek The Corrosion of Character (1998). Van mensen mag worden verwacht dat ze meebuigen als de takken van een boom, maar je moet niet aan ze trekken en duwen tot ze breken, aldus Sennett.

De Britse econoom Guy Standing schetst in The Precariat: The New Dangerous Class (2011) het afglijden van een deel van de middenklasse naar het ‘precariaat’, een precair proletariaat, dat zonder vast inkomen en zonder wenkend perspectief in existentiële onzekerheid leeft. Het is pijnlijk herkenbaar. Nu de platformeconomie zich de laatste jaren verder heeft ontwikkeld, signaleert journalist Sarah Kessler in Gigged (2018) een tweedeling tussen de kansarme flexwerkers die van klus naar klus blijven gaan, en hoogopgeleide professionals in bijvoorbeeld de informatica voor wie apps als Gigster een springplank naar vast werk vormen.

Het precariaat groeit doordat het besef ontbreekt dat de platformeconomie behalve veel nieuwe flexwerkers ook veel nieuwe miniwerkgevers heeft voortgebracht, zo vermoed ik terwijl ik de ramen van het expathuis lap. Flexwerkers zoals ik zijn gebaat bij goed werkgeverschap van de appende klanten. Het is naïef te denken dat deze verantwoordelijkheid op de app-firmanten kan worden afgeschoven. De miniwerkgevers zouden zich bij elke muisklik of app-tik moeten realiseren dat ze meer zijn dan de pachter van een bundel spieren.

Ga! Dan! Wat! Anders! Doen! Zeker, lezer, ik hoor het u roepen. Waarschijnlijk hebt u gelijk. Wie zoals ik enigszins gebutst op de arbeidsmarkt rondgaat, kan soms wat traag de juiste afslag vinden. Mag ik u andersom ook een spiegel voorhouden? Op de leestafels en nachtkastjes van de verwende klasse ligt opvallend vaak de bestseller How to Build a Billion Dollar App. Velen zien in zichzelf eerder de volgende app-miljardair dan de nieuwe flexhulp. Wees gewaarschuwd. Waar een trap naar de hemel reikt, gaat doorgaans ook een trap omlaag.

Pats! De glazen designlamp boven de eettafel van de Pulp-zangers spat in scherven uiteen. Wanneer ik met mijn rechterhand de lamp afstof, breekt die tussen mijn linker duim en wijsvinger in vele stukken. Terwijl de klanten na Pulp en Adele meezingen met Blur, veeg ik een verdieping lager de scherven bijeen. De inkomsten van deze zaterdag, juist bedoeld voor iets meer financiële armslag, heb ik over enkele weken hard nodig om de dan becijferde schade te betalen. Pulp-zanger Jarvis Cocker zong het al eerder vandaag: ‘I can’t see anyone else smiling in here.’

Selfie Paul Faassen.Beeld Paul Faassen

Wie maakt er eigenlijk bij onze medewerkers thuis schoon?

Paul Faassen (kunstenaar): ‘Ik heb toevallig net zelf het afvoertje van de ijskast leeggetrokken, normaal gesproken hebben we eens per week iemand die zulke dingen doet. Mijn vrouw is de grootste schoonmaker van ons tweeën. Die ziet vuil veel beter. Dat is een cliché; ik vind een schoon huis gewoon minder belangrijk.’

Carolien Spaans

Carolien Spaans (Week uit): ‘90 procent doe ik zelf, en als ik geen tijd heb, komt mijn briljante schoonmaker Dorien, die in twee uur tijd voor 25 piek het hele huis schoonmaakt. Waardoor ik geregeld denk: ik kan haar ook vaker laten komen. Maar ja, ik vind toch dat ik het zelf moet doen.’

Corine Koole

Corine Koole (Lust & Liefde): ‘Gabriel, onze Ghanese schoonmaker. Hij maakt niet echt goed schoon, maar hij is een schattebout. Hij komt hier drie keer per week, al sinds de kinderen klein waren. Hij is onderdeel van het gezin en gaat ook mee naar bruiloften en begrafenissen. Op het hoogtepunt van de corona-uitbraak kon hij niet komen, hij is al 70, we waren als de dood dat hij ziek werd. We betaalden hem wel door.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden