Interview Jeroen Wollaars

Jeroen Wollaars: ‘Het ergste van gepest worden is het gevoel jarenlang verdrukt te zijn’

Jeroen Wollaars. Beeld Aisha Zeijpveld

De opvolger van Twan Huys bij Nieuwsuur is Jeroen Wollaars, tot voor kort Duitslandcorrespondent van het NOS Journaal. Wie is deze man die als jochie een nerd was - en nu eigenlijk nog steeds?

Jeroen Wollaars (40) kan licht ontvlambaar zijn, zeggen zijn naaste collega’s. De voormalig Duitsland-correspondent van de NOS wil in stresssituaties nog wel eens uit z’n slof schieten. Wollaars, beschaamde blik: ‘Hmm, ja? Licht ontvlambaar klinkt zwaar. Maar ik kan wel snauwen. Ik heb wel eens sorry moeten zeggen tegen een geluidsvrouw. Tijdens de uitzending hoorde ik mezelf terug in mijn oortje, met vertraging. Dat is erg, want dan raak je uit je concentratie en gaat je hele verhaal de mist in. Toen ik van de zender af was, ben ik gaan schreeuwen: ‘Godverdomme! Welke gek heeft dit verpest!’ Terwijl er nog vijftien mensen in de regie mee zaten te kijken.’

En als je op het redactiekantoor in de stress zit, ga je kabels sorteren.

‘Kabels en computers hebben een soort abstractie waar ik rustig van word. Ik houd er gewoon van om te nerden. Op mijn zolderkamer haalde ik vroeger radio’s uit elkaar, en met mijn Lego-transformator zette ik verschillende onderdelen onder stroom om te kijken wat er gebeurde. Dan moesten de ramen tegen elkaar open omdat er weer iets was gaan roken in de kamer van Jeroen. Als kind vond ik drie dingen tof: met computers spelen, voor de schoolkrant schrijven en toneelspelen bij de toneelclub.’

Gedragen stem: ‘En dat, mensen, waren dus de drie dingen die mijn jeugd hebben gedefinieerd.’

Hoe gaat kabels sorteren? Heb je een doos kabels klaarstaan voor noodsituaties?

‘Ha, dat klinkt alsof ik heel erg in het autistische spectrum zit. Nee, zo is het niet. Er zijn op zo’n redactiekantoor altijd wel kabels die van hier naar daar moeten, maar ik sorteer ze niet op lengte ofzo.’

Je programmeert ook als hobby.

‘Ja, ik ben nu bezig met een tekstprogramma. Ik voer teksten in en laat het programma dan zelf nieuwe teksten maken op basis van woordcombinaties die vaak voorkomen. Daar speel ik dan een beetje mee, ter ontspanning. En door programmeren vertel je ook een soort verhaal, in die zin is het verwant aan de journalistiek. Je zegt tegen jezelf: ik wil van hier naar daar, en dan daarnaartoe, en als we dan kiezen voor dit venster gebeurt dit, maar − je kijkt me ineens heel glazig aan. Jij denkt nu: waar heeft die man het over?’

CV Jeroen Wollaars

30 september 1977: geboren in Woerden

1995-2000: Studie communicatiesystemen aan de Hogeschool Utrecht

2002-2007: Redacteur en verslaggever bij AT5

2007: Uitwisselingsproject met Duitse omroep WDR

2007-2009: Redacteur NOS

2009-2015: Algemeen verslaggever NOS Journaal

2015-2018: Correspondent in Berlijn voor de NOS

2018: Presentator Nieuwsuur

Jij zat in 2013 ook al in de bitcoins. Helaas ben je een panic seller, zei je goede vriend Alexander Klöpping.

‘Zegt hij dat? Haha. Alexander doet precies het tegenovergestelde van wat ik doe. Dus als ik verkoop, koopt hij, omdat hij denkt dat ik er niks van kan. Maar ik wist veel eerder van bitcoins dan hij, hoor. Ik bestelde driehonderd bitcoins, die kostten toen een paar cent per stuk. Daarna werd me gevraagd mijn paspoort op te sturen naar een tussenpersoon in Amerika en daar had ik geen zin in. De koop is dus niet doorgegaan.’

Toch even: wat waren driehonderd bitcoins nu waard geweest?

‘Dat zoek ik even op. Eén bitcoin is nu zesduizend euro. Dus 300 bitcoins... Ik kan niet hoofdrekenen, wacht. Eh, 1,8 miljoen euro. Shit, dat is echt veel. Uiteindelijk heb ik via een andere weg alsnog een paar bitcoins gekocht. Die heb ik omgezet naar ethereum, een andere cryptomunt. Van de opbrengst heb ik laatst een tweedehands autootje gekocht. Dus zó slecht ben ik er nou ook weer niet in.’

Jeroen Wollaars begint komende week als presentator van Nieuwsuur, het dagelijkse actualiteitenprogramma van de NOS en NTR. Er waren meer kandidaten om de naar RTL vertrokken Twan Huys op te volgen, maar het werd Wollaars, vanwege zijn jeugdige uitstraling (hij is veertien jaar jonger dan Huys), zijn vijftien jaar ervaring als verslaggever (eerst bij AT5, toen bij de NOS) en zijn vermogen om ‘een verhaal te vertellen’, zegt Nieuwsuur-hoofdredacteur Joost Oranje. Interviewcoach Clairy Polak zal hem klaarstomen voor het live interviewen op televisie. ‘Clairy en ik hebben gisteren samen mijn screentest teruggekeken’, zegt Wollaars. ‘Heel leerzaam om door Clairy gefileerd te worden. Ik moet straks ook al mijn eigen uitzendingen terug gaan kijken. Daar zie ik echt tegenop, elke keer 40 minuten naar mezelf kijken. Pfff.’

Joost Oranje zegt: ‘The camera loves him.’

‘Heel aardig van Joost Oranje, maar nu moet ik nog van mezelf, eh…’

Pauzeert even: ‘Ik las gisteren over het Dunning-Krugereffect, weet je wat dat is? Dat houdt in dat je, als je aan iets nieuws begint, vaak misplaatst zelfverzekerd bent. Je denkt: dit kan ik heel goed. Omdat je nog niet weet hoe moeilijk het is. Maar hoe langer je ermee bezig bent, hoe beter je gaat inzien dat je er eigenlijk niks van kan, waardoor je zelfvertrouwen enorm daalt. Pas als je leert, kennis opdoet, neemt dat zelfvertrouwen weer langzaam toe. Zo werkte het bij mij ook toen ik net in Berlijn woonde en de Duitse taal moest leren. Ik dacht: Duits, dat kan niet zo moeilijk zijn. Na een jaar in Duitsland zat ik helemaal onder in de curve en dacht ik: ik weet niks, ik kan niks. Ik blokkeerde als ik gesprekken moest voeren.’

En zat je na drieënhalf jaar correspondentschap weer een beetje boven in de curve?

‘Qua taal wel. En verder ook wel. Ik heb Duitsland beter leren doorgronden, zeker door de vluchtelingencrisis. Keulen, dat was het keerpunt in mijn correspondentschap. Voor Duitsland was het trouwens ook een keerpunt, het land zag dat er ook negatieve gevolgen konden zijn van de komst van al die migranten. In de Duitse media werd bericht dat er in de nieuwsjaarsnacht rond het Centraal Station van Keulen ‘groepjes mannen’ waren geweest die ‘groepjes mannen en vrouwen’ hadden ‘aangeraakt’. Een vaag verhaal, er werd met meel in de mond gepraat. Mijn redacteur en ik kwamen in contact met een goed geïnformeerde politieverslaggever van de WDR. Hij zei: ‘Ik mag dit op de Duitse televisie niet zeggen, maar het waren mensen die zich recentelijk als vluchteling in Duitsland geregistreerd hebben die zich die avond hebben misdragen.’’

Jullie lieten de WDR-verslaggever in het NOS Journaal aan het woord. Wat waren de reacties?

‘Ik kreeg een enórme bak ellende over me heen van linkse activisten. Nu was ik wel gewend aan dat soort reacties uit rechtse hoek, ik werd regelmatig voor Merkel-fanboy uitgemaakt, maar nu was ik in de ogen van anderen ineens een neonazi. Ik heb daar moeite mee gehad. Omdat ik niet begreep wat er met Nederland aan de hand was.’

Je werd gezien als de Mr. Twitter van de NOS. Wilde je dat ook zijn?

‘Ik vind dat wij als Hilversumse journalisten benaderbaar moeten zijn, moeten terugpraten. En ik ben ook op fouten gewezen. Zo heb ik tijdens een uitzending mensen die voor anti-islambeweging Pegida de straat op gaan ‘bezorgde burgers’ genoemd. Met zo’n typering haal je er wel héél veel randjes van af, dan geef je je geen rekenschap van het feit dat er ook neonazi’s tussen staan. Aan de andere kant moet je als journalist wel durven zeggen dat er onder Pegida-aanhangers óók bezorgde burgers zijn. Het zijn niet alléén neonazi’s.’

Jij ging met Pegida-aanhangers in gesprek.

‘Zéker. Volmondig ja.’

Dat zouden sommige Duitse media niet doen.

‘Ik kan me een vlog herinneren van de hoofdredacteur van de Süddeutsche Zeitung, waarin hij zei: wij praten niet met dat soort mensen. Pardon? Avond aan avond gaan er mensen voor Pegida de straat op en jij weigert als journalist met ze te praten? Dat vind ik ongelooflijk, daar begrijp ik niks van – of nou ja, ik begrijp het wel, dat het door de oorlog komt, dat Duitse media het sindsdien als hun taak zien om het volk democratie bij te brengen. Tot voor kort gold: over de Willkommenskultur wordt alleen positief bericht. Dat is gelukkig veranderd. Ik vind, los van mijn overtuigingen, dat ik als journalist met iedereen moet praten.’

Ook met neonazi’s.

‘Ook met neonazi’s.’

En hoe praat je dan met een neonazi? Net zoals met een bezorgde burger?

‘Nee. Of nou ja, eigenlijk wel. Maar natuurlijk pak ik ze harder aan dan gewone mensen. Ik wil niet zuur doen over de Duitse media, want die doen ook veel dingen goed. In Duitsland heb je politieke praatprogramma’s waarin een gesprek een uur kan duren. Dan kom je nog eens écht ergens. In de Nederlandse journalistiek hebben we te vaak de neiging moeilijke onderwerpen kort te houden of met zang en dans te verluchtigen. Maar nu dreigt het weer zo’n vervelend ex-correspondentenpraatje te worden: och och, doen jullie dat in Nederland zó? En wat is Amsterdam eigenlijk kléín, ongelooflijk, je fietst in no-time van de ene naar de andere kant! Truttige observaties.’

Kritiek over weinig inhoud en lullige items is bij uitstek kritiek die je hoort over het NOS Journaal.

‘Onterecht.’

Je vriend Klöpping geeft ook graag af op het NOS Journaal.

‘Ja, soms doet hij dat. Dan vindt hij dat het NOS Journaal buigt voor de massa of te veel aandacht besteedt aan het koningshuis. Ik blijf dan zeggen: als de NOS er niet was, had ik de NOS zelf uitgevonden. Een publieke omroep die zich met nieuws bezighoudt is van levensbelang voor de democratie. Ja, dat zijn inderdaad grote woorden op de dinsdagochtend. We mogen in onze handen knijpen met het NOS Journaal, sprak hij van WC Eend. Maar ook ik denk wel eens: tsja. Onlangs zag ik in het Journaal een kaartje waarop werd aangegeven hoe droog het was, en daarna zei de nieuwslezer: ‘En dus ziet het gras er zó uit.’ Daarna zag je een foto van een geel grasveld. Als je niet weet hoe dat eruitziet, moet je al héél lang aan bed zijn gekluisterd.’

De Duitse verkiezingen van september voelden voor hem als ‘een soort eindpunt’, zegt Wollaars. En hij wilde ook wel weg uit Berlijn – hij was tijdens zijn correspondentschap na acht jaar gescheiden van zijn vrouw, daarna had hij zijn nieuwe liefde ontmoet. ‘Mijn ex-vrouw is tijdens mijn correspondentschap het grootste deel van de tijd in Nederland blijven wonen. Het plan was om samen in Berlijn te gaan wonen, maar dat gebeurde niet, en toen gingen we uit elkaar. De redenen ga ik je verder niet vertellen. Mensen scheiden wel eens.’

Met zijn huidige vriendin, schrijfster Hannah van Wieringen, gaat Wollaars nu samenwonen in Amsterdam. ‘De NOS zat voor mij aan een nieuw correspondentschap in China of Rusland te denken. De vraag was: als ik naar China ging, zou Hannah dan meegaan? Ook zij heeft haar werk, haar leven, en jezus, het is China. Ik dacht: als ze niet mee wil, ben ik 47 als ik uit China terugkom. En dan ben ik zonder haar. Dan heb ik mijn leven aan de NOS gegeven. Marcel Gelauff (NOS-hoofdredacteur, red.) is een aardige man, maar dat gaat te ver. Er is meer in het leven dan werken voor de NOS.’

Bedoel je dat je op je 47ste misschien een beetje oud bent om nog een gezin te stichten?

‘Bijvoorbeeld. Dat is absoluut iets wat door mijn hoofd gaat, in het kader van alles uit het leven halen wat erin zit. Dus het kwam mij verdomd goed uit dat Nieuwsuur belde.’

Waarom kwam het in je achtjarige huwelijk niet van kinderen?

‘Het is niet gebeurd. Er is niks geks of geheims aan, maar het gaat ook mijn ex aan, dus dat vertel ik je niet.’

Jullie hebben wel een hond. Hoe is het daarmee?

‘Hij is nu een hond van gescheiden ouders. Drieluik heet hij, naar een hond uit een Gummbah-strip. Hij is bij haar, de omgangsregeling in de maak. Maar nu heb je hier wel genoeg over gevraagd.’

Je was bijna toneelspeler geworden, begreep ik.

‘Ik zat als klein jongetje op toneelles, in het Harmelens Initiatief Gebouw – ik kom uit Harmelen, een klein plaatsje tussen Woerden en Utrecht, verder weinig aan. Ik heb een jaar vooropleiding gedaan voor de toneelschool. Toen ik auditie deed voor de toneelschool in Arnhem zei een docent: ‘Jij, jij hebt iets muzisch! Jij moet gaan dansen! O nee, daar heb je het lijf niet voor. Dan misschien iets met videokunst.’ Dus ja, in de laatste ronde hebben ze me er succesvol uitgefilterd als iemand die maar beter videokunst kon gaan maken. Uiteindelijk kwam ik na mijn studie communicatiesystemen als stagiair bij AT5 terecht. Mijn eerste tv-item als verslaggever ging over sneeuw. Ik stond helemaal ingepakt op een brug, als een soort proto-Gerri Eickhof, en ik moest iets over sneeuwjacht vertellen. Ik wist natuurlijk niks over sneeuwjacht. Gelukkig hoorde ik op de weg erheen Gerrit Hiemstra op de radio, dus ben ik hem maar gaan napraten. Het ging goed, geloof ik. Althans, daarna zeiden mensen: ‘Dit is iets voor jou.’ Merel Westrik (nieuwslezeres, red.) zei dat, bijvoorbeeld. En ik was toen geloof ik een beetje verliefd op Merel Westrik.’

Is televisie ook een soort theater?

‘Het is onmiskenbaar dat ik gezien wil worden, het zou gek zijn daarover te liegen. Maar televisie is geen surrogaat voor een gesneuvelde ambitie. Omdat ik op televisie nooit het idee heb dat ik sta te acteren.’

Jeroen Wollaars. Beeld Aisha Zeijpveld

Vrienden zeggen: op televisie gaat Jeroen ‘in een soort standje’.

‘Dat geldt voor iedereen die op tv is. Als ik in het Journaal er zo bij zou zitten als nu, zo’n beetje hangend over tafel, met een bezweet voorhoofd en in allebei mijn handen een stuk cake, dan lijkt me dat niet representatief. Dus natuurlijk zet ik iets aan, want je moet voor een miljoen mensen iets gaan uitleggen. Het helpt dan ook als je haar niet gek zit.’

Joost Oranje zei: ‘Die toneelervaring is zowel zijn kracht als zijn zwakte. Jeroen moet niet gaan acteren, hij moet zichzelf blijven.’

‘O. Oké. Nou. Weet je, ik heb er eigenlijk best wel spijt van dat ik ooit heb verteld dat ik aan toneel heb gedaan. Omdat men er nog steeds over begint. Ik deed op mijn 19de één jaar vooropleiding en ben nu 40, maar ik word blijkbaar nog steeds als een halve acteur gezien.’

Hij noemde het ook je kracht: je weet hoe je jezelf moet presenteren, een verhaal moet overbrengen.

‘Ja god, en is dat dan óók mijn valkuil? Is je kracht niet altijd je valkuil?’

Diepe, hoorbare zucht. ‘We zien wel. Toen ik voor het eerst op televisie was, zei iedereen: doe maar gewoon, wees jezelf. Maar je hebt een oortje in, je praat in een apparaat terwijl er aan de andere kant een miljoen mensen zitten te kijken. Daar is niks gewoons aan.’

Ben je als journalist meer op je gemak dan als mens?

‘Vroeger zéker. Maar misschien nog steeds wel. Omdat je vanuit een comfortabele positie op de achtergrond, of vanaf de zijlijn, kan observeren en vragen kan stellen.’

Waarom zeg je ‘vroeger zeker’?

‘Vroeger vond ik het nog veel moeilijker dan nu om me midden in een gezelschap te begeven. Laat mij op een feestje maar de drankjes doen, dat gevoel. Eigenlijk heb ik al mijn jeugdvrienden ontmoet via Fidonet, een voorloper van internet. Daar vond ik, op mijn 16de, gelijkgestemden, maar ik schaamde me daar ook een beetje voor. Vrienden worden via een computer was toch een beetje triest, dus verzonnen we dat we elkaar kenden uit de coffeeshop. Op de lagere en middelbare school ben ik gepest – erg gepest. Daarvoor voelde ik me vaak, of nee, zát ik gewoon vaak in de verdrukking. Ik werd niet geaccepteerd, niet gezien. En wel geslagen. Dat soort dingen. Ik denk dat ik het daardoor eng vond, en nog steeds wel vind, om me onbevangen in sociale situaties te storten. Je weet nooit hoe mensen op je zullen reageren.’

Waarom werd je gepest, of was er geen reden?

‘Omdat ik anders was. Maar als je me dan vraagt hoe anders, geen idee. Ik had een bril. Ja, waarom pesten kinderen elkaar? Ik was een studiepik, van die dingen. Dingen waardoor kinderen, cruel as they can be, elkaar niet accepteren. In Harmelen, in zo’n dorp, viel ik uit de toon. Ik maakte een eigen krant en stopte die bij mensen in de bus, ik had een eigen radiostation op zolder...’

Ze vonden je een nerd.

‘Ze vonden me een nerd. En dat was ik ook wel. Het begon op de lagere school. Ik dacht op de middelbare school opnieuw te kunnen beginnen, maar daar, met andere kinderen, begon het van voren af aan. En werd het nog veel erger.’

Wat deden ze?

‘Het ergste van gepest worden is het gevoel jarenlang verdrukt te zijn. En dat zit in allerlei dingen. Met een mes bedreigd worden door iemand die zegt dat hij je gaat steken. Je tas die van je fiets getrapt wordt, elke keer dat je naar school fietst. Al je schoolspullen die, alweer, op de grond liggen als je na een tussenuur in de klas komt. Had ik maar geen paarse tas moeten hebben, toch? Al die dingen, waarbij elk element van wie je bent voortdurend wordt aangevallen. Ik fietste naar school, vijf kilometer heen en vijf kilometer terug, en om aan die mensen te ontkomen schoot ik een keer over de spoorbaan naast de weg, vlak voor een aanstormende trein langs. Vijf of tien seconden later, en dan had ik hier misschien niet gezeten.’

Omdat je bang was dat ze je...

‘Met recht, hoor, bang dat ze me zouden slaan, zouden trappen, zouden bespugen. Ik ben véél bespuugd. Of ik liep door de gang op school en kreeg een karatetrap achter in m’n nek. De conrector zei: ‘Je moet gewoon terugvechten!’ En ik dacht: joh, ik wíl niet vechten, ik kán niet vechten, ik weet niet hoe dat moet. Dat is zó bepalend, voor een kind. En voor een mens. Het heeft me gemaakt tot wie ik ben. Getver, hoor mij nou. Maar het is wel zo. Ik heb nog járenlang, tot ik ver in de twintig was, een onprettig gevoel gehad als er iemand achter me fietste. Omdat ik niet wist wat die persoon zou doen, me trappen, slaan? Misschien heeft dat heel heftig uit mijn slof kunnen schieten in werksituaties hier ook wel iets mee te maken. Het pesten werd pas iets minder toen ik merkte dat ik verbaal sterk ben. Op de middelbare school hoorde ik iemand een ander waarschuwen voor mij. Voor mij! Omdat ik van die gemene dingen kon zeggen.’

Een overwinning?

‘Zo voelde het wel. Ik kon dan misschien niet fysiek slaan, maar wel met woorden. Dus begon ik op die manier van me af te bijten. En daar zie je misschien af en toe nog wel eens een randje van.’

Hoe kan het nou dat zoiets jarenlang voortduurt en dat niemand er iets aan kan veranderen?

‘De leraren op die school waren er gewoon totaal niet mee bezig, they didn’t care. Er waren geen pestprotocollen in die tijd. Het enige wat ze konden bedenken was terugslaan, en anders moest ik maar van school af. Ik dacht: sodemieter op, echt niet, ik laat me niet wegjagen door deze klootzakken. Achteraf denk ik: was daar maar weggegaan. Ik heb het lang moeilijk gevonden om erover te praten, om boeken over het onderwerp te lezen, films over pesten te zien. Dat kan ik eigenlijk nog steeds niet goed.’

Jeroen Wollaars. Beeld Aisha Zeijpveld

Wisten je ouders van het pesten?

‘Ja. Ze hebben geprobeerd het bespreekbaar te maken op school, maar dat leverde niets op. Mijn vader is een paar keer met me meegefietst om te voorkomen dat ik in elkaar werd geslagen. Geen oplossing. Ze stelden voor om van school te wisselen. ‘Als jij dat wil, dan doen we dat.’ Ik wilde dat niet. In dezelfde periode zijn mijn ouders gescheiden. Mijn vader was er toen even niet echt meer, en mijn moeder was natuurlijk met de scheiding bezig. Die scheiding was... vervelend. Zoals scheiden vervelend is. Ze hebben lang geen contact gehad, maar sturen elkaar inmiddels verjaardagskaartjes. Wat het voor mij betekende was dat we moesten verhuizen en dat mijn moeder, die thuis voor het gezin zorgde, een uitkering kreeg. Ik was daarvoor best een geprivilegieerd kind. Mijn vader was ondernemer, we hadden drie auto’s, we gingen met het gezin – vader, moeder, mijn zusje, broertje en ik – op vliegvakantie, dat was toen best bijzonder. Mijn moeder wilde geen uitkering en ze vond een baan, waarbij ze nog minder overhield dan toen ze nog een uitkering had. Overdag was ze niet meer thuis, ’s avonds was ze moe en ging ze vroeg naar bed. We waren redelijk arm in die tijd. Eigenlijk is dat voor je ontwikkeling best goed. Later werkte ik bij een internetprovider, en iemand zei bij de lunch iets over ‘uitkeringstrekkers’. Toen sloeg ik met mijn vuist op tafel en riep ik: ‘Godverdomme, het is goed dat er zoiets bestaat, want er kan zomaar iets gebeuren in je leven waardoor je een uitkering nodig hebt!’ Zo kwaad was ik.’

Ben je die pesters ooit nog tegengekomen?

‘Eén keer ben ik een van de ergste pesters tegengekomen, tijdens het theorie-examen voor mijn rijbewijs. Hij zei: ‘Hé, hoi.’ En ik dacht: ‘Hé, hoi? Hé, hoi?!’ Volgens mij heb ik niks teruggezegd. Een ander heb ik wel aangesproken. Het pesten was minder geworden toen ik van de havo naar het vwo ging. Toen ging ik ook bij het schooltoneel, en merkte ik dat er ook leuke dingen op school bestonden. Op een dag kwam bij de toneelclub een jongen langs om foto’s maken. Hij begon mij te fotograferen terwijl ik zat te eten en zei: ‘Etende mensen zijn zó lelijk.’ Ik durfde toen niks te zeggen, maar ik kwam hem later nog eens tegen. Ik zei: ‘Weet je wat dat betekent voor een jongetje dat al zo gepest wordt, als hij in de enige veilige omgeving op school, die van het schooltoneel, dat soort opmerkingen naar zijn hoofd krijgt?’ Hij wist het niet meer, het was vast een geintje geweest. Tja. Het vervelende is: als je zo lang continu wordt aangevallen, vóél je je ook voortdurend aangevallen. Ik zag het verschil niet meer tussen een grapje en pesten. Hoe gaan puberjongens normaal met elkaar om? Ik had geen idee. Al dat soort dingen heb ik later moeten leren.’

Heb je het idee dat pestende kinderen weten wat ze aanrichten, dat scholen zich genoeg bewust zijn van de gevolgen?

‘Geen idee, ik denk het niet. Die school nam vorig jaar contact met me op: ‘Jeroen, we willen graag een foto van jou met een handtekening om op te hangen in de gang, we willen laten zien hoe goed onze oud-leerlingen het doen.’ Toen heb ik gezegd: ‘Nee, dat doe ik niet, want ik wil niet in jullie kutschool hangen.’’

Zei je dat ook echt zo?

‘Nee, niet zo, helaas. Dat had ik wel moeten doen. Ik was iets beleefder. Waarop zij zeiden dat ze het zich nooit zo gerealiseerd hadden.’

Voel je dan nog iets van triomf, als zo’n school je belt omdat je nu succesvol tv-journalist bent?

‘Ja. In alle eerlijkheid: eigenlijk wel.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.