OpvoedenFrancine Postma

Je zal maar zijn opgevoed in de jaren zeventig door ouders die halve hippies waren

Beeld Claudie de Cleen

Zelf waren veel hippieouders ervan overtuigd dat ze hun kinderen in de jaren zeventig een prima ondogmatische en antiautoritaire opvoeding hadden gegeven. Terugkijkend denken hun kinderen daar inmiddels heel anders over. Francine Postma (47) blikt terug op een verwarrende jeugd en vroeg aan twee lotgenoten hoe zij hun opvoeding hebben ervaren. 

‘Zal ik de was voor je doen?’, vroeg ik mijn moeder. In het grote ziekenhuisbed leek ze net een vogeltje, met haar warrige grijsblonde piekhaar, stakerige bovenarmen en spichtige nek die uit het veel te wijd geworden nachthemd stak. Een verward vogeltje, dat in volle vaart tegen een raam is gevlogen. Haar normaal zo glanzende huid was dof en gelig; de anders druk gebarende handen lagen stil op het laken.

‘O, als je dat wilt doen, graag!’ zei ze. Dankbaar keek ze me aan. Wat onzeker voegde ze eraan toe: ‘Het ligt wel al even, hoor, dus het zal wel ruiken.’

Het was niks voor mijn moeder om zich te schamen. Al eerder had ik opgemerkt dat de ziekte haar zachter had gemaakt, voorzichtiger. Toen ze kort daarvoor naar de wc moest en ik aanbood haar te ondersteunen, zei ze: ‘Nee, dat is voor jou niet zo fijn denk ik. Ik vraag de verpleging wel.’

Nadat ze aan de arm van een verpleegkundige in de wc was verdwenen – van achter de deur hoorde ik hun gedempte stemmen, die van mijn moeder snel en zenuwachtig, die van het personeelslid kalm en sussend – keek ik voor het eerst goed rond in de kamer. Op het nachtkastje lag Een zomerzotheid van Cissy van Marxveldt, naast mijn moeders stokoude leren handtas en een half leeggedronken kopje thee. Op de vensterbank stonden kaarten met ‘Sterkte’ en ‘Word maar snel beter’. Mijn oog viel op een hoge, smalle kast in de hoek van de kamer. Nieuwsgierig deed ik hem open. Of eigenlijk was het niet uit nieuwsgierigheid, maar uit behoefte aan iets bekends. Alsof ik door naar haar kleren te kijken wat meer grip zou krijgen op de realiteit. Mijn moeder ging dood. Uitgezaaide baarmoederhalskanker. ‘Ik heb nog hooguit drie maanden’, had ze me net verteld.

Aan ijzeren hangertjes hingen een T-shirt met lange mouwen, een joggingbroek en een peignoir. Ze had geen tijd gehad om meer in te pakken toen de ambulance – toch nog onverwachts – kwam. Wekenlang had mijn moeder zo’n pijn gehad dat ze haar bed nauwelijks uit kon komen. Steeds opnieuw belde ze de huisarts om te vragen of die langskwam. Maar de huisarts kwam niet. Mijn moeder had een reputatie. Pas toen mijn zusje belde, kwam hij – en een half uur later de ambulance.

Op de bodem van de klerenkast lag een plastic zak. Half in gedachten deed ik hem open. Meteen sloeg de geur van gedragen ondergoed me in het gezicht: weeïg, zoet-ziltig en akelig vertrouwd. Razendsnel deed ik de zak dicht, terwijl ik uit alle macht de walging probeerde te negeren die opwelde. ‘Probeer aan iets anders te denken’, zei ik tegen mezelf. ‘Leid je geest af, haal rustig adem!’ Maar het was al te laat. Ik stond weer in de zolderkamer van mijn ouders, met de stoffige biezen matten op de vloer, de bruin met oranje gordijnen in de dakkapel en aan de muur de poster met Today is the first day of the rest of your life. Onder het schuine dak stond het bed van ruwhouten planken, dat mijn vader had getimmerd. Alleen mijn moeder sliep daar; mijn vader sliep al sinds jaar en dag op wat wij ‘het zijzoldertje’ noemden. Vanuit de vaaloranje lakens en de rieten wasmand steeg die zoet-zilte geur op. De geur van het naakte lichaam van mijn moeder. Het lichaam waaruit ik was geboren, dat mij had gezoogd, gekoesterd, getroost. Het lichaam dat ik sinds mijn 11de niet meer in mijn nabijheid duldde.

Kom op, riep ik mezelf tot de orde. Je bent een volwassen vrouw. Doe iets! Iets, wat een lieve dochter voor haar doodzieke moeder doet. En dus bood ik aan het wasgoed mee naar huis te nemen.

De hele treinreis terug was ik me bewust van de tas met vuile was in het bagagerek. Ik had er een extra vuilniszak omheen geknoopt, die ik stiekem was gaan vragen bij de verpleging. Nog vond ik het moeilijk om hem aan te raken. Eenmaal thuis, bij de wasmachine, durfde ik niet door mijn neus te ademen toen ik hem openmaakte - maar ook niet door mijn mond. Haast stikkend, met afgewend hoofd, propte ik het ondergoed in de trommel. Daarna waste ik mijn handen, lang en zorgvuldig.

Beeld Claudie de Cleen

Ik groeide op in de late jaren zeventig, de jaren van ‘alles moet kunnen’. Politiek links was aan de macht, de tweede feministische golf op z’n hoogtepunt. De nieuwe generatie had het juk van de jaren vijftig afgeschud en een eigen cultuur gecreëerd van ‘vrijheid, blijheid’. Er werd volop geëxperimenteerd met seks en drugs, monogamie was ouderwets en in talkshows mochten pedoseksuelen aanschuiven om te vertellen over hun verlangens. Ook mijn ouders waren vrijgevochten en ruimdenkend. Ze lapten regels aan hun laars, hielden van een borrel en maakten schuine grappen waar mijn zusjes en ik bij waren. Ons huis was vaak een chaos, want opruimen en schoonmaken was burgerlijk. Als het warm was, gingen we naar het naaktstrand op de Maasvlakte en elke zomervakantie reisden we af naar naturistencampings in Frankrijk.

Mijn moeder was behalve vrijgevochten ook nogal luidruchtig. Nog zie ik mijn twee oudere zusjes en mezelf op de overloop staan in onze nachtponnetjes, wakker geworden door het geloei dat van zolder kwam. We snapten er niks van. Huilde mammie nou, of was ze boos? Waarom schreeuwde ze zo raar? Tot het gezicht van mijn oudste zusje opeens opklaarde. ‘Volgens mij is er niks aan de hand’, zei ze, een beetje ongemakkelijk, maar opgelucht.

Wat ik op mijn 11de wist over seks had ik zelf bij elkaar gesprokkeld in onze gigantische Lundiakast. Het grote wonder en Het boek vrouw waren interessant en Jan Wolkers spannend en vies, maar wat ik het allerliefste wilde weten, stond er niet in. Of het wel normaal was dat ik mezelf soms aanraakte als ik in bed lag. Op een avond toen ik dat deed, kreeg ik plotseling een heftig, bijna elektrisch gevoel. Direct daarna was ik bang dat ik iets had gedaan wat niet hoorde, misschien zelfs gevaarlijk was. Na weken twijfelen besloot ik mijn moeder om raad te vragen.

Het was een warme dag, tegen het einde van het schooljaar. Ik zat in de vijfde. Mijn moeder had me van school gehaald met de rode Renault 4. Mijn zusjes bleven thuis met huiswerk. Eerst stopten we bij het winkelcentrum, om samen een ijsje te eten. Dat was bijzonder, op een doordeweekse dag. Daarna reden we naar het strand – een ritje van een klein halfuur. In de auto ontstond een gevoel van saamhorigheid, zoals wel vaker wanneer mijn moeder en ik samen waren en zij een goede bui had. Ze was dan heel lief en ook grappig, met ondeugende lichtjes in haar ogen. Aarzelend begon ik vragen te stellen. Ik vertelde over dat overweldigende gevoel, dat ik laatst opeens had gekregen. Was dat wel normaal? Mijn moeder reageerde enthousiast, om niet te zeggen dolblij. ‘Eindelijk een dochter die op mij lijkt!’, riep ze uit. Met haar linkerhand sloeg ze hard op het stuur. ‘Kind, er is helemaal niets mis met je. Integendeel, zou ik zeggen!’

Op samenzweerderige toon vervolgde ze dat ze zelf als kind ook ‘heel vroeg seksueel actief’ was geweest. En ‘experimenteel’. Ik wist niet zo goed wat ze bedoelde. Maar ze was zo goedgehumeurd, dat ik haar niet wilde onderbreken. Blijkbaar had ik iets gedaan wat haar trots maakte. Dat gebeurde niet zo vaak. Als jongste van drie zusjes was ik meestal de nitwit, de onhandige, of de stoorzender. Maar naast vleiend vond ik haar reactie ook een beetje vreemd. Ze was wel héél enthousiast, alsof ik iets geweldigs had gepresteerd. Eigenlijk wilde ik geen applaus, maar geruststelling. En ik wist ook niet zo zeker of ik wel op haar wilde lijken. Toch vroeg ik door. Mijn moeder gaf overal antwoord op, heel open en soms heel plastisch. Stiekem was ik opgelucht toen we aankwamen op het strand en het parkeren van de auto al haar aandacht opeiste. Toen we ons even later uitkleedden in een duinpan, zag ik een vochtplek in haar onderbroek. ‘Wat is dat nou?’, vroeg ik. ‘Heb je in je broek geplast?’

Mijn moeder richtte zich op, legde haar hoofd in haar nek en lachte, hard, schaamteloos en triomfantelijk: ‘Hahaha, ja kind, dat komt ervan als je over seks praat! Maar dat leer je nog wel.’

Een paar weken later vroeg ik mijn moeder opnieuw om raad. Ik zat nog ergens mee. Als ik dat overweldigende gevoel nu kreeg, was het niet zo bijzonder meer als de eerste keer. Het leek, of ik eraan gewend was geraakt. Dat vond ik jammer. Ik wilde weten of ik daar wat aan kon veranderen. We stonden samen in mijn moeders slaapkamer, waar zij mijn rug insmeerde met aftersun. Ik had net gedoucht en droeg alleen een onderbroek. De biezen matten prikten in mijn voetzolen, terwijl ik hakkelend mijn vraag stelde. Mijn moeder keek me verrast en ook geamuseerd aan. Na een korte stilte zei ze: ‘Zal ik het anders eens bij je doen?’

Ik schrok. Dat was niet de bedoeling. Mijn moeder zag mijn schrik en zei: ‘Als iemand dat aan mij had gevraagd, toen ik zo oud was als jij, had ik het heerlijk gevonden.’ En, toen ik bleef zwijgen: ‘Heel veel ouders doen dit met hun kinderen. Het is heel normaal.’ Het laatste wat ik wilde, was ondankbaar zijn. En normaal wilde ik juist heel graag zijn. Misschien moest ik gewoon niet zo moeilijk doen.

Daar gingen we, de open houten zoldertrap af naar mijn kamer, met de donkergroene gordijnen en de kurkmuur met posters van zeehonden en Danny de Munk. Ik ging liggen op mijn smalle bedje, zij ging naast het bed op het zeil zitten. Heel dichtbij. ‘Nou’, zei ze na een korte stilte, ‘zullen we dan maar?’ Over mijn blote buik schoof haar hand in mijn onderbroek, tussen mijn benen, en begon me te strelen. Heel anders dan ik zelf altijd deed. Ik vond het niet fijn. ‘Zo wil ik het niet’, durfde ik na een poosje te zeggen. ‘O nee?’, zei ze. ‘Hoe wil jij het dan?’ Toen ik niet antwoordde, zei ze kordaat: ‘Weet je wat, zullen we het dan allebei bij onszelf doen?’

Omdat ik op mijn rug lag, zag ik niet precies wat mijn moeder deed. Na een poosje hoorde ik haar zuchten en steunen. Ik vond het eng. Wat moest ik doen? Terug kon ik niet meer. Allerlei gedachten raasden door mijn hoofd. Ik moest meedoen, het was normaal, dat had ze gezegd. Ik wilde haar niet teleurstellen. Ze was mijn moeder. Ze was juist zo trots op me. Ze had mij uitverkoren om dit mee te doen, ik moest haar dankbaar zijn. Maar ik voelde ook walging. Ik kon dit niet, niet zo, niet met haar. De walging won. Wat ik precies heb gezegd weet ik niet meer. Ze stopte. Maar toen vroeg ze: ‘Wil je anders even bij mij voelen?’ Voor ik het wist, pakte ze mijn hand en stopte die tussen haar benen. Ik voelde een heleboel krullend haar en daarna een warm, glibberig gat. Dit moest stoppen. Met een ruk trok ik mijn hand terug.

Beeld Claudie de Cleen

Elke dag dacht ik vol schaamte aan wat er die avond was gebeurd. Het maakte me misselijk. Ik was vooral bang dat mijn moeder het aan mijn vader had verteld. Wat zou hij wel niet van me denken? Mijn moeder deed intussen of er niets was gebeurd. Daar was ik blij om. Voor geen goud wilde ik er met haar over praten. Zo veel mogelijk trok ik me terug in mijn kamer, waar ik vlijtig huiswerk maakte, las en naar muziek luisterde. Mijn moeder ontweek ik zo veel mogelijk.

Op mijn 17de durfde ik eindelijk iemand in vertrouwen te nemen. Mijn oudste zusje, die een weekend thuis was, nam me mee naar de dorpskroeg. Na een paar biertjes vertelde ik wat er zes jaar eerder was gebeurd. Ze schrok. ‘Dat is heel erg’, zei ze en keek me vol medeleven aan. Op dat moment besefte ik pas, dat ik iets had meegemaakt wat niet hoorde. Eerder had ik me vooral geschaamd voor mijn eigen rol. Ik had toch zelf om raad gevraagd? En ik had me er in eerste instantie toch niet tegen verzet?

Vanaf dat moment was ik boos. Ik kocht een leren jas en cowboylaarzen, ging roken en sloot me aan bij een groepje stoere jongens en meiden op school. In het weekend dronken we bier in de dorpskroeg en speelde ik dat ik een vrouw van de wereld was. Flirten ging me goed af, maar zodra een vreemde hand afdaalde richting mijn schaamstreek, bevroor ik. ‘Bepaar je de moeite’, zei ik dan. Heel soms vroeg iemand door. Dan wilde ik nog wel eens vertellen wat er was gebeurd toen ik 11 was. De geschokte reacties deden me goed. Soms droomde ik over wat mijn moeder bij me had gedaan en werd ik opgewonden wakker. Dan schaamde ik me zo vreselijk, dat ik het liefst wilde verdwijnen.

Pas na jaren therapie durfde ik weer iets te voelen. Met het gevoel kwam ook de walging terug. Tijdens mijn eerste bevalling durfde ik niet te schreeuwen, uit angst om op mijn moeder te lijken. Toen mijn moeder op kraambezoek kwam, wilde ik niet dat ze de baby vasthield. En toen ze bij een tweede bezoek haar pink in het mondje van mijn zoon wilde steken toen hij huilde, zette ik haar op straat.

Jarenlang bleef het contact tussen mijn moeder en mij minimaal en moeizaam. Zodra ze te dichtbij kwam, werd ik onpasselijk. Zij vond mij hard en veeleisend. Dat was ik ook – voor haar. Ik wilde haar straffen. Hoe meer ze haar best deed om toenadering te zoeken, des te harder duwde ik haar van me af.

En toen werd ze ziek. Vanaf het moment dat ze belde om te vertellen dat het niet goed met haar ging, veranderde mijn gevoel. Het was of haar pijn en kwetsbaarheid het mij makkelijker maakten om haar toe te laten. Ik zocht haar op, luisterde naar haar, voelde zelfs mededogen. De ziekte had haar ontwapend.

Behoedzaam liep ik op de afgeslagen wasmachine af en opende de deur. Het natte wasgoed lag weerloos onderin de trommel – ik rook mijn eigen zeep. Zorgvuldig hing ik het aan de waslijn – opeens leek dat een taak van het allergrootste belang, een ritueel bijna. Toen het droog was, vouwde ik het op en bracht het naar mijn moeder, die intussen in een hospice in Wassenaar woonde. Nadat ik iedere onderbroek, beha en sok had gemerkt met haar kamernummer, dronken we thee. In haar hoge, lichte kamer zaten we tegenover elkaar in lage leunstoelen. Door het open raam klonk vogelgekwetter, schaduwen van blaadjes bewogen op de muur. We zwegen. Ze wacht, wist ik opeens. Ik moet erover beginnen.

‘Je hebt me nooit verteld waarom je het hebt gedaan’, zei ik. ‘Wil je dat nu doen?’ Ze zuchtte diep en wendde haar hoofd af. Na een lange stilte zei ze: ‘Ik wilde je behoeden voor wat mij was overkomen. Bij ons thuis was seks een enorm taboe – ik heb mijn ouders nooit naakt gezien. Ik wist van niks, maar voelde van alles. En toen ik op mijn 14de ongesteld werd, dacht ik dat ik mezelf kapot had gemaakt.’

Mijn moeder sloeg haar handen voor haar gezicht en begon te huilen. Op mijn knieën, onhandig, liet ik me naast haar stoel zakken. Het was een warme dag geweest; ze droeg een mouwloze jurk. Ik legde mijn wang tegen haar blote schouder en snoof.

Beeld Claudie de Cleen

Journalist en auteur Patricia F. Wessels (53) groeide op in het Amsterdam van de jaren zestig en zeventig. Haar ouders waren hippies. Over haar kleurrijke jeugd schreef ze het boek De wensdagen.

‘De vrije jaren zeventig heb ik als verwarrend ervaren. Het grenzeloze was avontuurlijk, maar gevoelsmatig soms ook onveilig. Mijn ouders gingen uit elkaar toen ik 6 was, mijn vader vertrok naar Indonesië, ik bleef met mijn broertje bij mijn moeder wonen. Bij ons thuis kon meer dan bij andere kinderen. Dat was leuk. We mochten van mijn moeder bijvoorbeeld schilderen op de vloer. En mijn broertje en ik gingen al jong zelfstandig op ontdekkingstocht door de stad. Als mijn vader een keer per jaar onverwachts naar Nederland kwam, kregen we een ‘wensdag’. Een dag waarop we hem mochten vragen wat we wilden. Zo wenste ik eens een geit. Diezelfde middag stond ze midden in de Jordaan in ons achtertuintje.

Mijn vader was een vrije vogel, in alle opzichten. Hij hield van reizen, bond zich niet aan een gezin – het liefst had hij met twee vrouwen tegelijk geleefd – en hij schopte tegen het gezag van de autoriteiten, door allerlei happenings te organiseren. In de jaren zestig en zeventig maakte hij deel uit van de Amsterdamse kunstenaarsscene. Het was de tijd van nieuwe mogelijkheden, zoeken naar nieuwe ervaringen en het verleggen van grenzen. Ruimtevaarders gingen naar de maan. Mijn vader en zijn vrienden voelden zich astronauten in de ruimte van het eigen bewustzijn en experimenteerden met drugs. En na de seksuele revolutie noemden zij zichzelf graag ‘kinderen van het paradijs’, onschuldig, vrij en ongeremd. Vanuit eenzelfde vrije geest kreeg ik als kleuter al seksuele voorlichting van mijn ouders.

Wat seksualiteit betrof heerste er een soort dubbelheid: mijn moeder zei: ‘seks is heilig’. Mijn vader vierde z’n vrijgevochten bestaan. En op weg naar school werd ik dagelijks geconfronteerd met de etalage van de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming, waar vibrators uitgestald stonden in hard tl-licht en waar posters groepsseksbijeenkomsten aankondigden. Een vrijheid, blijheid-sfeer waarvan ik kromme tenen kreeg.

Mijn opvoeders waren liefdevolle mensen, met goede intenties. Ingebed in de veelheid aan kleurrijke ervaringen waren er toch ook momenten waarop ik me zeer ongemakkelijk heb gevoeld. Zo zat ik mijn vader rond mijn 9de eens achterna om hem de kieteldood te geven. Hij riep: ‘Genade’. Om hem nog meer te kunnen kietelen, verzon ik een onmogelijke voorwaarde: ‘Dan wil ik je piemel zien.’ Tot mijn grote schrik haalde hij hem toen echt uit zijn broek. Op mijn 11de logeerde hij weer voor een paar weken bij ons. Op een ochtend kroop ik gezellig bij hem in bed. Hij aaide me over mijn rug. Opeens ging zijn hand naar mijn buik en van daar naar de rand van mijn onderbroek. Ik wist niet hoe snel ik uit bed moest springen. Hoewel er verder niets is gebeurd, heeft die ervaring een enorme impact op me gehad. Ik was mijn onbevangenheid kwijt en voortaan op mijn hoede.

Toen ik 13 was, had mijn moeder inmiddels een nieuwe vriend. Die nam me op een dag mee naar de film Lolita. Daar zat ik, in het donker, naast de vriend van mijn moeder, te kijken naar een andere vriend van een moeder, die het deed met de 13-jarige dochter Lolita. Ik vond het vreselijk ongemakkelijk en genant. Het filmgegeven bleef door mijn hoofd spoken. Een simpele mededeling: ‘zoiets zou ík nooit doen’ had me wellicht gerustgesteld, maar dat bleef uit en ik durfde er zelf niet meer over te beginnen. Gevolg was dat ik me daarna ook bij hem nooit meer helemaal veilig heb gevoeld.

Tijdgeest? Hellend vlak? Of muizenissen? In mijn boek laat ik dat in het midden. De lezer mag dat zelf beoordelen. Mijn ouders waren kinderen van hun tijd; bezig zich vrij te vechten van de benauwende sfeer van de jaren vijftig. In het verleggen van grenzen schoten ze soms door. Als kind van de jaren zeventig met een vrije opvoeding, worstel ik nu met het vinden en stellen van de juiste grenzen; met het vinden van de balans.’

Universitair hoofddocent sociale psychologie Arjaan P. Wit (59) groeide op in een leefgemeenschap. Tegenwoordig geeft hij studenten psychologie les in groepsdynamica.

‘Op mijn 6de scheidden mijn ouders. Ik bleef bij mijn moeder wonen, die pottenbakster was. Ons huis werd een vrijplaats voor creatieve geesten die vaak voor onbepaalde tijd bij ons bleven wonen. Vrienden of partners van mijn moeder, mensen die iets uit te zoeken hadden, bijvoorbeeld of ze homoseksueel waren of wilden scheiden, soms mensen met psychische en lichamelijke problemen. Iedereen was welkom.

Als jongetje had ik grote behoefte aan duidelijkheid en structuur. Die was vaak ver te zoeken. Als ik uit school kwam, wist ik nooit wie ik thuis zou aantreffen. Achterin mijn Rijam-agenda ben ik daarom een namenlijst gaan bijhouden, met een statistiek van de gemiddelde verblijfsduur. In totaal heb ik tussen mijn 7de en 16de jaar, toen ik de leefgemeenschap uit eigen beweging verliet, meer dan vijftig mensen korte of langere tijd als huisgenoot gehad.

Onze leefgemeenschap zwoer eigen bezit en autoriteit af. Alles was van iedereen, er was een gezamenlijke geldpot – ik kreeg dus geen zakgeld – en er waren perioden dat iedereen bij elkaar sliep in één ruimte, waarvan de vloer bedekt was met matrassen.

Het waren de jaren van de happenings, bijeenkomsten van kunstenaars en andere vrije geesten waarbij drugs werden gebruikt, gedanst en psychedelische muziek werd gedraaid. Tussen mijn 7de en 14de jaar waren bij ons thuis ook wel happenings, tot diep in de nacht. Ik nam daar zelf geen deel aan, wilde vroeg naar bed en niet steeds wakker worden gemaakt door feestende of vrijende mensen. Ik hechtte veel waarde aan mijn eigen kamer, met een eigen bed, niet op de grond maar gewoon op poten, een eigen stoel, een bureau en een kast met mijn eigen boeken.

Als iemand ongevraagd in mijn kamer was geweest of er iets uit had meegenomen, werd ik boos. Mijn behoefte aan rust, reinheid en regelmaat werd gerespecteerd, maar er werd wel lacherig over gedaan, ook door mijn moeder. Volgens de groepsleden representeerde ik het establishment, waar zij zich juist tegen afzetten. Als ik niet meedeed, dreigde mijn moeder soms: ‘Pas op hoor, anders maken we er een zusje bij’. Voor mij een gruwel, omdat ik meende dat mijn speelgoed en mijn blokkenbouwsels dan helemaal niet meer veilig zouden zijn.

Mijn moeder was een avontuurlijke vrouw die graag de grens opzocht. Ze kleedde zich als een hippie, liep ook buitenshuis op blote voeten en had lang hennahaar. Rond mijn 6de jaar bleef ze soms dagen en nachten weg – dan ging ze naar de provo’s in Amsterdam. Eenmaal per jaar ging ze in haar eentje liften, naar Istanbul, Bagdad of andere verre plaatsen. Ze was dan weken weg. Huisgenoten pasten dan op mij, maar soms paste ik meer op hen, denk ik nu. Terugkijkend heb ik zeker geen rotjeugd gehad, wel een dynamische jeugd. Ik leerde al vroeg zelfstandig te zijn. Daar heb ik veel aan gehad. Als ik het macrobiotische eten dat in de groep werd gekookt niet lekker vond, kookte ik voor mezelf – witte macaroni, in plaats van volkoren. Ook ben ik vanaf mijn 14de een schoonmaakrooster gaan opstellen, waar ik de huisgenoten aan hield.

Door vriendjes maakte ik kennis met mensen bij wie het er thuis voorspelbaar aan toeging. Ik vond het heerlijk om op zondag na hun kerktijd langs te gaan bij onze gereformeerde buren. Tijdens mijn middelbare schooltijd was ik daar feitelijk elke avond. Bij die buren heb ik zelfs mijn 13de en 14de verjaardag gevierd, in de nette zondagse zitkamer. Mijn moeder kwam toen op bezoek. Er werd voor me gezongen, er was koffie met taart en daarna vertrok mijn moeder weer. Zelf bleef ik de rest van de dag bij de buren.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden