Interview Ivo Opstelten

Ivo Opstelten over zijn aftreden: ‘Ik wilde voor Mark de handdoek niet in de ring gooien. Ik ben geen wegloper’

Beeld Anne Claire de Breij

Vier jaar geleden riep Mark Rutte hem naar het Torentje en zei: ‘Het is klaar.’ VVD-coryfee Ivo Opstelten moest aftreden als minister van Veiligheid en Justitie. Daarna hield hij zich stil. Tot nu.

Zowel zijn vrouw als zijn kinderen hadden al voorzichtig geopperd of het niet eens tijd was om ermee te stoppen. Ze maakten zich zorgen over zijn lange werkdagen en over de afnemende waardering voor zijn ministerschap. Ook binnen de VVD voelden sommigen dat zijn gezag afbrokkelde. Dat is te lezen in de geautoriseerde biografie Opstelten, een leven in het openbaar bestuur die afgelopen donderdag verscheen. Aangemoedigd door toenmalig fractievoorzitter Halbe Zijlstra bracht Henri Kruithof, hoofd voorlichting van de VVD-fractie, Ivo Opstelten in de late herfst van 2014 al de boodschap dat hij hem na een schitterende carrière een eervolle aftocht gunde, maar dat het moment van afscheid nemen dan nu wel in zicht was. Het waren allemaal signalen die niet werden opgepikt door de man met de kenmerkende basstem, bekent hij in een van de klassieke kamers van zijn statige woonhuis in Rotterdam. Pas toen premier Rutte in maart 2015 zei: ‘het is klaar’, zag Opstelten in dat zijn carrière als minister er definitief op zat.

U bent niet zo’n reflectief persoon, zeggen mensen in uw door Ron Meerhof geschreven biografie. Hij vertelde dat de totstandkoming van het boek op een gegeven moment ook een dip had. ‘Als het op deze manier verder gaat is het niet genoeg,’ zei hij tegen u.

‘Dat klopt. Om te reflecteren moet je afstand nemen, zowel in tijd als in denken. We hebben er tweeënhalf jaar over gedaan en die tijd heb ik ook nodig gehad. Eerder ben ik over mijn aftreden nooit naar buiten getreden. Ik wacht wel, dacht ik. Ik ga mijn opvolgers niet lastig vallen en kom er later wel een keer op terug.’

U zegt dat het door de tijd komt, maar is het ook een karaktereigenschap van u dat u niet heel erg van de zelfreflectie bent?

‘Nee, ik denk… ik vind…. dat is volkomen juist. Ik herinner me dat een door mij zeer gewaardeerde wethouder van het CDA, Leonard Geluk, zei: ‘Die stijl van Opstelten was voor Rotterdam goed, hij nam duidelijke standpunten in waarop hij bleef hameren, maar zelf hou ik meer van reflectie. Opstelten is nu eenmaal geen reflectief persoon.’ Maar ik vind dat als je bestuurt je er niet voortdurend blijk van kunt geven dat je aan het reflecteren bent over je eigen standpunt.’

Twijfel tonen kan toch heel sympathiek zijn?

‘Zeker. Tuurlijk kan je ook heel goed ‘ik weet het niet’ zeggen, maar daarin ben ik niet altijd sterk geweest. De bonnetjesaffaire is daar een goed voorbeeld van. De Tweede Kamer wilde in maart 2014 weten om welke bedragen het precies ging in de deal die Fred Teeven sloot met drugshandelaar Cees H. En ik had gewoon ‘ik weet het niet’ moeten zeggen. En dat had ik tien keer moeten herhalen. Maar ik ben gaan improviseren, ik ben zelf gaan rekenen. Er was in 2002 een totaal van 2 miljoen gulden aan de Kamer gemeld en er was 750 duizend gulden ontnomen, dus ging ik ervan uit dat de resterende 1,25 miljoen gulden aan Cees H. was teruggegeven. Het was improvisatie.’

Hoe kan dat? Een bestuurlijk leven lang riep u voortdurend tegen uw mensen: ‘Ik wil alle feiten, geen verrassingen achteraf!’

‘Het was een totale blunder. Ik heb drie fouten gemaakt. In dat debat over de hoogte van het bedrag ben ik eigenlijk als burgemeester gaan opereren. Zo van: ja dames en heren, zo zit het. Maar ik wist het niet. Dus dat ging fout. Toen heb ik ook nog tegen de Kamer gezegd: u moet vertrouwen hebben. Terwijl ik dat niet staatsrechtelijk bedoelde.’

De politieke betekenis van dat woord vergat u even.

‘Ja. Dat was echt een fout. Het tweede punt, en dat vind ik onbegrijpelijk van mezelf, is dat ik genoegen heb genomen met de conclusie dat het bonnetje van de deal niet meer te vinden was. Dat was sub-optimaal en dat is tegen mijn natuur. Ik had bij wijze van spreken moeten zeggen: ‘We gaan met het hele departement naar het Paleis van Justitie in Amsterdam en gaan niet eerder weg totdat we dat bonnetje hebben.’ Het derde punt – daar had ik wel over nagedacht, maar dat was toch een fout – is dat ik het veel hogere bedrag dat Teeven aandroeg, als zijn herinnering, niet aan de Kamer heb gemeld. Dat had wel gemoeten. Maar ik vond: ik ben nu als minister verantwoordelijk voor het Openbaar Ministerie, dat zijn herinneringen van Teeven uit zijn tijd als officier van justitie – die leiden vast weer tot andere verwarring. Ik wilde het zuiver houden en eerst iets op papier zien.’

U heeft te formalistisch gedacht?

‘Ik heb in dit dossier veel te formalistisch gedacht, ja. Wel met de beste bedoelingen. Ik heb het dossier gewoon onderschat.’

Onderzoeksjournalist Bas Haan, die voor Nieuwsuur de veelbesproken reportages maakte over de Teeven-deal en er ook een boek over schreef, stelt dat de VVD-bewindslieden hebben gelogen.

‘Totaal niet. Ik ben de enige die verantwoordelijk was en de enige die betrokken was.’

Ook in je eentje kun je liegen.

‘Ik heb naar eer en geweten gehandeld en dat is ook de conclusie van de commissie-Oosting, die het later heeft onderzocht. Geen doofpot. Punt.’

Als u het zelf ziet als fouten en niet als kwade opzet, wat doet het dan met u als toch de teneur ontstaat dat u te kwader trouw opereerde?

‘Dat vond ik vervelend. Daar ben ik eerlijk in. Maar je gaat ook weer over tot de orde van de dag. Er was wel meer te doen dan dat alleen. Dus dan verdwijnt dat weer. Tot het terugkomt. Dat was dan de aanleiding voor mijn aftreden.’

‘Ik wilde voor Mark de handdoek niet in de ring gooien. Dat voelt toch als weglopen. En ik ben geen wegloper.’ Beeld Anne Claire de Breij

Een jaar later.

‘Een jaar later komt het ineens weer terug. Want plotseling is het bonnetje door anderen wel gevonden. Toen hebben we gezegd: nu moeten wij het ook vinden. En dat is ook gebeurd. Ik herinner me de zondagavond voor mijn aftreden, ik was in de middag bij Feyenoord-NAC geweest. ’s Avonds kreeg ik een telefoontje van mijn directeur-generaal: ‘We hebben het gevonden.’ Het zat in een oud computersysteem dat niet meer gebruikt werd. Toen zei ik: ‘Nou, in ieder geval kan de vlag uit. Wat het betekent, gaan we morgen wel bekijken.’

Zei u daarna tegen uw vrouw: ‘Dit kan wel eens mijn politieke einde betekenen?’

‘Dat gevoel ontstond pas in de loop van de dag erna. Maar ik moet erbij zeggen: dat heb ik eigenlijk met niemand gedeeld. Ik heb ook aan niemand gevraagd: wat vind je dat ik nu moet doen? Moet ik weg, moet ik niet weg? Nee. Ik had natuurlijk ook mijn loyaliteit naar de premier, ik wilde voor Mark de handdoek niet in de ring gooien. Dat voelt toch als weglopen. En ik ben geen wegloper.’

Terwijl hij u uiteindelijk het laatste duwtje gaf.

‘Hij zei: ‘Ik denk dat dit niet meer te doen is.’ En ik zei: ‘Ik ben het met je eens.’ In een vloeiende beweging. We hebben dat verder ook niet geanalyseerd. Nee.’ Slaat op tafel. ‘Het was: PAM PAM, klaar. Aftreden is ook optreden. Daarna neem je afscheid en ga je opruimen op het departement. En tijdens het eerstvolgende bewindspersonenoverleg heb ik afscheid genomen van de andere VVD-ministers en -staatsecretarissen. Kruithof vroeg toen tot mijn verrassing: ‘Wil je in het weekend samen met Halbe Zijlstra nog even op campagne gaan?’

Flyeren?

‘Flyeren ja. ‘Als jullie dat nodig vinden ga ik dat doen,’ heb ik gezegd, ‘maar laten we ook even met de campagneleider bespreken of dat nu wel een verstandig besluit is.’ Klaas Dijkhoff zei dat hij het nuttig vond, dus dat hebben we toen gedaan. Daar heb ik wel bijzondere herinneringen aan. De foutjes die ik gemaakt heb, waren reden dat mensen in de partij zeiden: ‘het is beter als Ivo vertrekt,’ maar op straat kreeg ik hartverwarmende reacties. Dat deed me wel wat. Het lag overigens niet alleen aan het bonnetje dat ik moest vertrekken, er kwam bij dat ik ook dat jihad-debat verkeerd had gedaan. Dus dan krijg je een optelsom.’

Dat Kamerdebat over het ‘Actieplan jihadisme’ in september 2014 verloopt bedroevend slecht. Meerhof in de biografie: ‘Sommige media springen er gretig op in en maken een loop van Opsteltens zwakste momenten, met als resultaat een eindeloos ‘uh’ stotterende minister.’ Voor velen is dat het kantelpunt. De keizer had opeens geen kleren aan, zegt de een. En de ander: vanaf dat moment gingen we anders naar hem luisteren. ‘De zwakke plek, die er misschien altijd wel was geweest, was opeens blootgelegd.’

Opstelten, dan 70, is pas na zijn pensionering als burgemeester in de politiek beland, en de vraag dient zich aan: is het niet mooi geweest? Opstelten twijfelt. Want na dit debacle wordt het voor hem juist moeilijker om tussentijds te stoppen. Hij heeft altijd als mantra gehad dat je op je hoogtepunt moet stoppen, hij wil niet weg op een dieptepunt. De maanden erna worden grote debatten minutieus voorbereid. Als het een debat is met Rutte, oefenen ze samen. ‘Nee Ivo, zei Mark dan, dat was niet goed genoeg. Nog een keer! Urenlang gingen ze door.’ Maar het beeld is al gekanteld: van een macher naar een stuntelaar.

Vond u het confronterend om in uw biografie te lezen dat mensen u vanaf dat moment ineens zagen als een keizer zonder kleren?

‘Dat vond ik scherp om te lezen. Maar oké, dat jihad-debat liep voor geen meter. Alleen, we kregen dat actieprogramma er grotendeels wel door, dus na afloop was ik er zelf tevreden over. Ik onderkende niet direct dat ik het politiek niet sterk had gedaan. Later hoor je de reacties en gaan je ogen open. Ik heb daarna wel met Rutte gesproken. Zo van: zal ik aftreden, in alle rust? Maar hij zei: ‘Nee, je gaat je revancheren.’

En daar kwamen die oefensessies uit voort?

‘Ja. Daarna ging het ook beter, goed zelfs. Dus die boodschap van Zijlstra dat ik beter kon vertrekken wilde ik de eer nog aan mezelf kunnen houden, is bij Rutte en mij niet op tafel gekomen.’

Dat de fractievoorzitter van een regeringspartij een pion naar voren schuift om zijn minister op de gedachte te brengen om op te stappen, is heel ongebruikelijk. Kwam u daar tijdens het maken van het boek pas achter? Viel het kwartje toen pas?

‘Ja.’

Was dat niet pijnlijk?

‘Ik vind dat op zichzelf… Kijk, dat zijn situaties die zich voordoen in je leven.’

Merkte u zelf niet dat het vanzelfsprekende gezag dat u had begon te rammelen? Of leefde u daar langsheen?

‘Ik denk dat mijn omgeving daar meer last van heeft gehad dan ik, als ik eerlijk ben. Maar ik merkte natuurlijk wel dat collega’s dingen gingen zeggen als: ‘Let ook even op jezelf.’ Door het neerstorten van MH-17 was ik die zomer niet op vakantie geweest. Ik had een liesbreuk, maar moest de operatie uitstellen. Pas achteraf had ik door dat er achter die opmerkingen meer zat dan alleen bezorgdheid.’

Is dat niet confronterend?

‘Ach, op een gegeven moment loopt het weer. Karakterologisch zit ik zo in elkaar dat ik altijd weer denk: doorgaan.’

Tijdens uw afscheid was u op het departement wel even geëmotioneerd. U hield het niet helemaal droog toen u uw medewerkers omhelsde.

‘Ja. Maar ik vond ook dat we de stemming wel passend moesten houden. Dus toen Fred Teeven, die tegelijk aftrad, woedend was, zei ik: ‘Kom maar even bij vader op schoot zitten.’ Daarna werd er gelachen.’

De manier waarop u omgaat met uw aftreden, doet denken aan hoe u omging met het verdriet van uw kinderen als jullie als burgemeestersgezin weer eens moesten verhuizen. U gaf uw ene dochter een fietsje, de ander een brommer, om de boel te verzachten. Daarna ging u filosofische dingen zeggen als dat het verdriet bewees dat jullie er een gelukkige tijd hadden gehad. Dus verhuizen was gewoon: op naar wéér een gelukkige tijd. Wat is het dat u emoties zo snel mogelijk wegmaakt?

‘Ik kan wel emotioneel zijn, op begrafenissen krijg ik makkelijk een brok in mijn keel, maar op dit soort momenten ben ik nuchter. Natuurlijk zijn er verhalen over het vele verhuizen en vakanties die voor mijn werk afgebroken moesten worden, maar ik moet zeggen dat ik heel trots ben op mijn kinderen. Want die verhuizingen zijn eigenlijk altijd goed verlopen. Zo is het bij mij overgekomen. We hebben altijd een goede tijd gehad en daarna gingen we voor de volgende goede tijd. Natuurlijk is het altijd vervelend als je je vriendjes en vriendinnetjes achterlaat, maar we gingen weer iets nieuws doen! En dat is toch niet gek? Stel je voor dat je je hele leven op één plek woont. Mijn kinderen hebben het maar mooi meegemaakt dat ze gewoon van dorp tot dorp konden verhuizen en weer iets nieuws konden opbouwen. Dat is voor hun karakter niet slecht geweest, zeg ik maar even.’

U werd zelf op uw 14de vanwege tegenvallende schoolprestaties uit huis geplaatst. U woonde in Eindhoven, maar moest bij een dominee in Emmen gaan wonen. Kunt u zich nog herinneren dat uw ouders gingen zitten en zeiden: Ivo, kom er even bij, we plaatsen je uit huis?

‘Dat is echt gezamenlijk besloten. We hebben me laten testen. Daarna zijn we naar een hoogleraar geweest die met het advies kwam om naar dominee Faber in Emmen te gaan. In alle vriendschap zijn we daar naartoe gereden. Prima. Mijn vader was ook uit huis geweest, dus ze zeiden: dat komt uiteindelijk wel goed.’

Er zijn ook verhalen van mensen voor wie dit een traumatisch moment is in hun bestaan, om je ouders ineens nog maar een keer per zes weken te zien.

‘Ik heb met mijn ouders altijd een heel goede relatie gehad. Echt heel, heel goed. Ook later. Dit heeft onze relatie helemaal niet moeilijker gemaakt. Ik heb er zelf ook iets aan gehad. Ik heb daardoor al jong een zekere vorm van zelfstandigheid ontwikkeld. Je zit wel in een heel prettig gezin, bij de dominee aan huis, maar je bent toch van huis. Dus je bent op jezelf en op je eigen verantwoordelijkheid aangewezen, en dat moet je waarmaken.’

U botste vrij veel met uw vader, maar met uw moeder was het een en al liefde.

‘Ja, dat is altijd zo geweest. Mijn vader was een strenge man. Maar mijn zuster zei laatst tegen me: ‘je moet goed beseffen dat onze vader je grootste fan was. Die was zo trots op wat je hebt bereikt.’ En ik heb het ook een beetje geromantiseerd. Ik vond die boeken van J.B. Schuil over de AFC’ers die naar kostschool gingen en de kostschool van Buikie ook wel mooi. Dus in die wereld kwam je als je als 14-jarige jongen uit huis ging.’

Daar lag u dan opeens in een vreemde kamer in uw eentje, en zag uw lieve moeder zes weken niet.

‘Mijn moeder heeft er natuurlijk best moeite mee gehad dat ik niet meer thuis was. Maar zo ging dat in die tijd. Door die kostscholen en -gezinnen kwam je weer goed terecht.’

‘Karakterologisch zit ik zo in elkaar dat ik altijd weer denk: doorgaan.’ Beeld Anne Claire de Breij

Was uw vader zo prestatiegericht? Je kan ook denken: wat maakt het uit als mijn zoon onvoldoendes haalt, zolang hij maar gelukkig is en gezellig bij ons woont.

‘Je moest natuurlijk wel je cijfers halen. Ik kreeg dat ook op school te horen. In het derde jaar van het gymnasium stond er op mijn rapport: ‘Wanneer ga je eens werken?’ Op een gegeven moment is het natuurlijk uit met de flauwekul. Ik heb er wel echt spijt van dat ik van het gymnasium naar de hbs ben gegaan, met alle respect voor de hbs. Dat is een gevoel. De algemene vorming. Dat vind ik echt een foute beslissing geweest, want na dat dipje had het best weer goed kunnen gaan. Dat zeg ik ook altijd tegen mijn kinderen en kleinkinderen: nooit opgeven, altijd doorgaan.’

Hoe lang heeft u uiteindelijk bij de dominee gewoond?

‘Ik heb daar drieënhalf jaar gewoond. Ik kreeg daar ook weer een leven. Ik ging hockeyen, zat allerlei clubjes, bestuurtjes, commissietjes voor. Ik werd altijd op een natuurlijke wijze gekozen tot klassenvertegenwoordiger.’

De dominee woonde tegenover het gemeentehuis. ‘Het respect voor de burgemeester was voelbaar in zijn omgeving, dat spreekt Ivo aan’, staat in uw biografie. Is toen het zaadje geplant om later zelf ook burgemeester te worden?

‘Dat heeft zeker invloed gehad. Op mijn 15de was ik geabonneerd op Vrij Nederland, Elsevier en de Haagse Post en toen kreeg ik ook bestuurlijke belangstelling. Van meet af aan heb ik gezegd: ik wil burgemeester worden. Ik zei niet: ik wil de politiek in. Ik ben meer een bestuurder dan een politicus.’

U heeft graag de leiding.

‘Dat is wel een natuurlijk gegeven.’

‘Ik heb een dominante man’, zei uw vrouw Mariëtte Dutilh.

‘Ja, dat klopt.’

Ongeduldig ook. Als u op uw oor sloeg wisten uw medewerkers al hoe laat het was.

‘Ja, en als ik allebei mijn oren aanraakte...’

Stond u helemaal op ontploffen. U kon zo hard op tafel slaan dat de kopjes door de kamer vlogen.

‘Ja. Dat was altijd intern, hè. Naar buiten toe stond ik altijd vierkant achter mijn mensen. Maar ja, ik ben ongeduldig. Nog steeds. Ik hoor het in mijn gezin ook. Als er iets moet gebeuren, dan wil ik het ook meteen.’

Uw ongeduld zorgde er ook voor dat u de jongste burgemeester ooit werd, op uw 28ste. Eerst in Dalen, later in Doorn en Delfzijl, waarna de grote steden Utrecht en Rotterdam volgden. Maar door Mark Rutte werd u toch politicus.

‘Ja. Ik zie me nog zitten op mijn kamer toen ik het telefoontje kreeg. Of ik Jan van Zanen wilde opvolger als voorzitter van de VVD. ‘Daar zit ik nou echt niet op te wachten’, zei ik, ‘maar als het moet, doe ik dat.’

Later moest u ook nog informateur worden, en minister. Komt dat ook door Mark Rutte?

‘Die heeft er natuurlijk mee te maken. Voor het kabinet Rutte-I was veiligheid een belangrijk thema en als burgemeester had ik me daar zeer sterk mee beziggehouden. Nu moest er een Nationale Politie komen. Dus dan ga je op een gegeven moment wel denken: wie kan dat beter dan ik?’

U heeft aan Rutte laten blijken dat u dat zou willen?

‘Ik denk dat hij kon begrijpen dat ik het wel wilde, ja. Maar uitsluitend op dat departement. Op de vraag in zijn algemeenheid: ‘Wil je minister worden?’, zei ik nee. Daar moet je heel andere kwaliteiten voor hebben en die heb ik niet. Ik heb ook helemaal nooit een wens gehad om dat te worden. Maar dat soort processen gaat geleidelijk, zo is het vaker gegaan. Ook bij het informateurschap. Mark belde me met de mededeling dat hij de volgende dag een voorstel moest doen voor een informateur. Hij wilde drie kandidaten noemen, en een daarvan was ik. ‘Prima om mij te noemen’, zei ik, ‘maar op voorwaarde dat ik het niet word.’ Dat beloofde hij. De volgende dag belde hij met de mededing: ‘Sorry, het is niet gelukt, je wordt het wel.’ Nou ja, zo gaan dingen. Je kunt dan niet zeggen: ik doe het niet.’

Waarom niet?

‘Ja, dat kan wel, maar zo zit ik niet in elkaar. Ik begrijp: hij heeft me nodig en dan moet ik dat doen.’

Denkt u dat Mark Rutte zich wel eens schuldig voelt jegens u?

‘O totaal niet. Wij hebben heel goed contact, eten regelmatig samen. Op een gegeven moment ging de bel ’s avonds. Mijn echtgenote zei: ‘het is politie, geloof ik.’ Toen stond Mark Rutte met een politiepet op voor de deur, samen met twee dienders. ‘We moeten op werkbezoek’, had hij tegen ze gezegd. ‘Even kijken hoe het met de veiligheid gesteld is in de straat van Opstelten.’

Ook met uw politieke tegenstanders Pim Fortuyn en Geert Wilders had u een klik. Toch zou u zich persoonlijk hebben bemoeid met de strafzaak tegen Wilders naar aanleiding van zijn ‘Minder, minder’-toespraak.

‘Daar ga ik echt niks over zeggen. Dat is onder de rechter. Ik mag het gerechtshof niet voor de voeten lopen en dat ga ik ook niet doen.’

Het is opmerkelijk dat de schandalen en relletjes binnen uw partij elkaar blijven opvolgen. Hoe verklaart u dat?

‘Dat het bij de VVD vaker aan het licht komt heeft er ook mee te maken dat het heel serieus wordt genomen. Integriteit is heel belangrijk voor de VVD. Rutte hanteert een keiharde lijn, we hebben een integriteitscommissie, het is een thema dat topprioriteit heeft. Maar verder heb ik daar geen verklaringen voor. En als je in het wilde weg gaat zitten analyseren, zijn dat toch gauw babbelpraatjes. Daaraan doe ik niet mee.’

Heeft uw gedwongen vertrek ergens ook louterend gewerkt? Bent u er bijvoorbeeld een warmere man door geworden?

‘Er zijn wel mensen die tegen mij zeggen: ‘jeetje man, je ziet er een stuk jonger uit dan toen je nog minister was.’ Mijn vrouw en ik doen vooral veel leuke dingen en genieten van het leven. Tegen dingen waar we geen zin in hebben, zeggen we nu nee. Dat is heerlijk.’

Opstelten zonder das, zoals nu, was niet zo lang geleden ondenkbaar. Uw werknemers vroegen elkaar wel eens: ‘zou-ie ook met zijn das om slapen?’

‘Ik kwam laatst met een spijkerbroek, een overhemd, nog wel een net jasje en van die witte sneakers aan bij Feyenoord. Mijn echtgenote had gezegd: ‘Ivo, dat kan niet.’ Ik zeg: ‘Nou, tegenwoordig dragen veel mensen dat gewoon hoor. Zelfs een black tie met witte sneakers, dus dit moet kunnen.’ Maar toen kwam ik in de Kuip en zeiden ze daar ook: ‘Ben je nou helemaal gek geworden? Ik ga je vrouw opbellen.’ ‘Nou, die heeft me al gewaarschuwd’, zei ik.’

U heeft wel eens tegen uw, nu 43-jarige, dochter Jacqueline gezegd: als ik het allemaal over mocht doen, weet ik niet of ik het hetzelfde had gedaan.

‘Ja, als vader zijnde heb ik dat gezegd. Als ik het over moest doen, dan zou ik het anders organiseren. Nu was het zo: ik ben burgemeester, en mijn vrouw zorgt voor de kinderen. Ik had het er met collega-ministers wel eens over. Die zeiden: ‘ik kom pas op het departement als ik de kinderen naar school heb gebracht.’ Dat soort dingen kwamen in mijn gedachten niet op. Wij deden de dingen die we leuk vonden, maar ook de dingen die moesten. Dat is een beetje de lijn van de nesten waaruit mijn vrouw en ik komen. Pak je verantwoordelijkheid. Niet zielig doen. Niet zeuren. Dus als er een beroep op je wordt gedaan om je talenten in te zetten, dan doe je dat. Daarom zeg je ook geen nee, als Rutte met zo’n vraag komt.’

Beeld Anne Claire de Breij

Dus het is genetisch.

‘Laat ik het zo zeggen: het is niet iets wat vreemd is aan onze voorouders.’

U heeft vier dochters, van wie een geadopteerd is. Past dat ook bij dat verantwoordelijkheidsgevoel?

‘Ik spreek zelf nooit over ‘mijn geadopteerde dochter,’ ik heb het altijd over ‘mijn vier dochters.’ Maar het klopt, mijn vrouw en ik hebben altijd tegen elkaar gezegd dat er nog ruimte was voor een kindje in ons gezin. Toen hebben we ons opgegeven voor adoptie en kregen we uiteindelijk het signaal dat er een klein meisje was, net geboren, in Korea. We zijn haar gaan halen. Het was echt een heel klein baby’tje. Ik zie nog dat kinderhuis voor me. Mijn vrouw en ik keken haar in de ogen en waren meteen verkocht. Eenmaal thuis hebben we een keurige advertentie geplaatst: ‘Verheugd zijn wij met de komst van’.’

U viel op uw vrouw omdat ze duidelijk een ander soort vrouw was dan jullie moeders. Die waren voornamelijk dienstbaar in het gezinsleven. Maar Mariëtte was anders. Zij wilde een eigen leven en had haar eigen ambities.

‘Ja, ik hou gewoon..., ik ben verliefd op haar. Zo simpel is het.’

U bent nog steeds verliefd op haar?

‘Ja, absoluut. Ja. Ja. Ja. Ze is ongelooflijk. Zonder haar…, ja, ze is onmisbaar. Wij hebben dit ook samen opgebouwd, hè. We zijn samen burgemeester geworden. Je partner moet er wel helemaal achter staan dat je dit doet, want in een glazen kooi leven, daar moet je tegen kunnen.’

Ze moest zich ook zeer gedienstig opstellen.

‘Ja, bij mijn eerste burgermeesterschap in Dalen moest mijn vrouw allerlei ingewikkelde dingen doen, zoals de sigaret van de commissaris van de Koningin, Gaarlandt, aansteken en koffie inschenken uit een wiebelig Drents koffiekannetje. Zijn verklaring was: van die burgemeesters weet ik altijd alles bij de beëdiging, maar dan kijk ik uit het raam wie er naast loopt, en dan schrik je je toch soms dood.’ Haha. Het kan eigenlijk niet gezegd worden, maar ik ben het nooit vergeten. Toen de kinderen groter waren, is Mariëtte weer gaan studeren en is ze uiteindelijk rechter geworden.’

Uw vrouw wilde al jaren een paar grote beuken in uw tuin omhakken, omdat het daardoor zo donker was in huis. Maar u durfde dat nooit aan vanwege de glazen kooi waarin jullie leefden.

‘Ja, dat is natuurlijk je hele leven. Ik heb wel van mijn vader meegekregen, die een behoudende bankier was, om altijd heel voorzichtig en heel precies te opereren. Wat kan en wat kan niet? En voor het omhakken van die bomen voelde ik weinig, want daar kan je gedoe mee krijgen. Zelfs als je toestemming hebt, kunnen mensen gaan roepen dat je een voorkeursbehandeling hebt gekregen. Dus laten we dat maar niet doen, heb ik steeds gezegd. We hebben hier lange tijd in het donker gezeten. Pas toen we na mijn aftreden zeker wisten dat het geen gedoe ging opleveren, hebben we tegen elkaar gezegd: willen we in het licht zitten of zijn de beuken de baas? Lange tijd hebben we de beuken de baas laten zijn. En nu dachten we ook even aan onszelf en zitten we eindelijk in het licht.’

CV IVO OPSTELTEN

1944Geboren op 31 januari in Rotterdam

1960-1963Volgde de hbs-a aan het Gemeentelijk Lyceum in Emmen

1963-1969Studeerde rechten aan de Rijksuniversiteit Leiden, specialiseerde zich in staats- en publiekrecht. Was commissaris van de Sociëteit Minerva van het Leidsch Studenten Corps

1970-1972Ambtenaar gemeente Vlaardingen

1972-1977Burgemeester Dalen

1977-1980Burgemeester Doorn

1980-1987Burgemeester Delfzijl

1987-1992Directeur-generaal openbare orde en veiligheid ministerie van Binnenlandse Zaken

1992-1999Burgemeester Utrecht

1999-2009Burgemeester Rotterdam. 

2009-2010Waarnemend burgemeester Tilburg

2010-2015Minister van Veiligheid en Justitie

Hij is getrouwd met Mariëtte Dutilh en heeft vier kinderen.

Ron Meerhof: Opstelten. Een leven in het openbaar bestuur. De Bezige Bij. 416 pagina’s, € 26,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden