Is dit meisje eigenlijk wel misbruikt?

Voor veel artsen is kindermishandeling of -misbruik onbekend terrein. De 5-jarige Forensische Polikliniek Kindermishandeling in Utrecht wil dat er meer forensisch specialisten komen, want te vaak wordt er een verkeerde diagnose gesteld....

In de onderzoekskamer van de Forensische Polikliniek Kindermishandeling in Utrecht verschijnt een foto van de vagina van een meisje van een jaar of 5 op een scherm. Het is een beeld dat forensisch artsen Wouter Karst en Lonneke van Duurling wel vaker zien.

‘Kunnen jullie het maagdenvlies aanwijzen?’, vraagt Karst de verslaggeefsters.

Het is even stil. Dan geeft Karst zelf maar het antwoord. Hij wijst op een dik randje dat een halve cirkel vormt.

‘Ik stel deze vraag altijd aan jeugdartsen’, vertelt hij. ‘Ik merk dat ze heel vaak twijfelen. Er is altijd wel een arts die zegt: ik schaam me dood, maar ik weet het niet. Ik heb zelfs meegemaakt dat een arts geschrokken riep: er zit een gát in. Die geloofde nog steeds dat het maagdenvlies bij kinderen helemaal dicht zit.’

Karst gaat nog even door. Op het scherm verschijnt nu een maagdenvlies met een inkeping erin. ‘Als je dit bekijkt, denk je dan dat dit kind is misbruikt?’, vraagt hij. ‘Heel veel artsen denken van wel’, vervolgt hij. ‘Ook forensisch artsen. Maar zo’n inkeping wil niet altijd zeggen dat een kind is gepenetreerd. Het kan ook een scheurtje líjken.’

Als het maagdenvlies door de zwaartekracht wat slap opzij hangt, lijkt het soms alsof er een inkeping in zit, legt hij uit. ‘Veel forensisch artsen weten niet dat ze een meisje altijd in twee verschillende houdingen moeten onderzoeken en fotograferen om met zekerheid te kunnen zeggen of het ook echt op misbruik wijst.’

Karst wil maar zeggen: zelfs artsen die gespecialiseerd zijn in jonge kinderen of in misdaad, weten vaak niet hoe een maagdenvlies er precies uitziet. Laat staan hoe een maagdenvlies eruitziet van een kind dat seksueel is misbruikt. ‘Je moet echt weten waar en hoe je ernaar moet kijken.’

Het is een van de problemen waar Karst en zijn collega’s zich nu al jaren over opwinden: in Nederland is veel te weinig specialistische kennis onder artsen op het gebied van kindermishandeling en -misbruik.

‘In heel Nederland zijn slechts vier artsen die forensisch-medisch geschoold zijn in het onderzoeken van kinderen op sporen van kindermishandeling’, zegt Karst. ‘Wij zijn onder meer opgeleid in de Verenigde Staten. En meer is er eigenlijk niet.’

CSI-methoden
Karst en Van Duurling werken bij de Forensische Polikliniek Kindermishandeling in Utrecht. De polikliniek bestaat vijf jaar en is de enige in Nederland waar mishandelde kinderen forensisch-medisch kunnen worden onderzocht. Behalve Karst en Duurling werken er nog twee gespecialiseerde verpleegkundigen.

Ze gebruiken er CSI-achtige methoden: blauwe lampen om spermasporen te vinden, andere lampen om ‘onzichtbare’ blauwe plekken mee te detecteren, en geavanceerde fototoestellen waarmee letsels van kinderen extreem kunnen worden uitvergroot.

Maar het probleem is: het grootste deel van de kinderen bij wie mishandeling wordt vermoed, komt nooit in hun kliniek terecht. Bij die kinderen wordt de diagnose, bijvoorbeeld, gesteld door ‘gewone’ forensisch artsen.

Nederland heeft enkele honderden forensisch artsen. Elke politieregio heeft er twintig tot dertig. Ze worden ingeschakeld bij moord, zelfmoord, verkrachting, verkeersongelukken. ‘Maar zij zien relatief zo weinig misbruikte of mishandelde kinderen dat ze soms niet weten hoe ze hen precies moeten onderzoeken’, zegt Karst. ‘Het niveau en de expertise van forensisch artsen op dit gebied wisselen heel sterk.’

Zelf was hij ooit forensisch arts bij een politiekorps. ‘In acht jaar tijd heb ik maar twee keer een zaak gehad met een kind dat mogelijk misbruikt was. Dan zaten we met zijn tweeën in het ziekenhuis om sporen af te nemen, maar eigenlijk wisten we helemaal niet precies hoe we moesten interpreteren wat we zagen. We wisten wel hoe we een volwassene na een verkrachting moesten onderzoeken, maar niet hoe dat moest bij een kind.’

Ook in de sfeer tijdens het onderzoek zijn de meesten niet getraind, zegt hij. ‘Je moet goed uitkijken dat je een kind geen tweede trauma bezorgt. Ik hoorde laatst dat een forensisch arts het niet voor elkaar had gekregen om een kind te onderzoeken. Het kind was heel erg angstig en overstuur. Uiteindelijk hebben ze het onder een roesje moeten nakijken. Enorm zonde.’

Ook kinderartsen die ‘bewijsmateriaal’ aanleveren, slaan de plank soms volledig mis. Karst: ‘Dan krijgen we foto’s aangeleverd van kinderen die in verkeerde houdingen zitten voor inwendig onderzoek. Of de foto’s zijn onscherp. Of ze hebben wel letsel gefotografeerd, maar zonder meetlat erbij. Of het is niet duidelijk op welk lichaamsdeel het letsel zit.

‘Een groot deel van het onderzoek gebeurt door artsen die daar ondeskundig in zijn’, zegt Karst. ‘Eigenlijk moet je dat kinderen niet aandoen.’

Een van de oorzaken van die ondeskundigheid is een gebrek aan opleiding. ‘Een kinderarts in opleiding krijgt in zes jaar één dag onderwijs over kindermishandeling’, aldus Karst. ‘Artsen hebben ook vaak helemaal geen tijd om kritisch stil te staan bij het verhaal van de ouders. Bovendien is hem of haar er veel aan gelegen de band met de ouders goed te houden. Daardoor zijn ze niet onafhankelijk.’

Zedenkind
Ziekenhuisartsen weten zich soms geen raad met dergelijke kinderen, zegt forensisch verpleegkundige Sandra Nootenboom. ‘Ik heb hiervoor op de Spoedeisende Hulp gewerkt, maar een ziekenhuis is een heel lastige plek om sporen af te nemen. Er werd tegen elkaar gezegd: we hebben een zedenkind, weet jij hoe dat moet? Bovendien gaan er voortdurend piepers af. En ondertussen zat zo’n meisje dan maar in een hokje te wachten. Bang, onzeker.’

Het gevolg is dat ze in de Utrechtse polikliniek geregeld kinderen voorbij zien komen die niet goed zijn onderzocht of beoordeeld. ‘We hebben meegemaakt dat seksueel misbruik werd geconstateerd bij een kind’, zegt forensisch verpleegkundige Anne van der Biezen. ‘De ouders waren gehoord, en het kind was al uit huis geplaatst. Maar toen wij het hier kregen, bleek het kind een huidafwijking te hebben, waardoor de schaamstreek heel makkelijk bloedde. Als wij dat kind eerder hadden gezien, had er veel ellende en geld bespaard kunnen worden.’

De polikliniek ziet jaarlijks enkele tientallen kinderen, die vooral worden aangeleverd door politie en justitie. Via het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) komen heel weinig kinderen in de kliniek terecht. ‘Het belangrijkste doel van het AMK is ook niet om vast te stellen of er kindermishandeling heeft plaatsgevonden’, zegt Karst. ‘Daar hebben ze simpelweg de mogelijkheden niet voor. Wat daar gebeurt, is meer: er zijn veiligheidsproblemen, we gaan kijken wat we kunnen doen om de veiligheid van het kind te verbeteren.’

Directeur Jules Mulder van de Forensische Polikliniek Kindermishandeling zegt: ‘De polikliniek zou meer bekendheid moeten krijgen. Nu zijn het vooral politie en justitie die kinderen naar ons doorsturen, maar ook de vertrouwensartsen van het AMK en artsen van de eerste hulp zouden ons moeten kunnen vinden. Daar is nu nog geen budget voor. Bij twijfel over kindermishandeling zouden zij eigenlijk moeten kunnen verwijzen naar een onafhankelijke instantie met expertise op dit terrein. Dat zijn wij.’

Er is ontzettend veel aandacht voor kindermishandeling, zegt Mulder. ‘Er wordt op gehamerd dat iedereen die een vermoeden heeft in die richting, aan de bel trekt. Dan moet er óók geld en aandacht zijn voor wat er na die melding gebeurt.

‘Naar schatting 107 duizend kinderen worden jaarlijks mishandeld. Dat kan ook gaan om een draai om de oren, of om verwaarlozing. Die kinderen moeten natuurlijk ook hulp krijgen, maar die hoeven niet bij ons terecht te komen. Het gaat om een klein groepje extreme gevallen waarbij sprake is van zulke ernstige mishandeling, dat het levensbedreigend wordt voor een kind.’

Uit intern onderzoek van de polikliniek, het NFI, justitie en politie blijkt dat jaarlijks naar schatting 500 kinderen zo ernstig worden mishandeld, dat het levensbedreigend is. Voor die kinderen zou volgens Mulder op termijn een aantal onafhankelijke forensische poliklinieken zoals de zijne moeten worden opgericht.

Mulder: ‘Een onderzoek kost bij ons gemiddeld 800 euro. Met 4 ton per jaar zou je die 500 kinderen kunnen onderzoeken. Dat geld moet er komen.’

Het gaat in de polikliniek om waarheidsvinding. Mulder: ‘Iedere arts kan een breuk constateren. Maar wij kijken verder: wat is het patroon, is er sprake van eerdere breuken, klopt het verhaal van de ouders bij het type breuk?’

In de polikliniek worden alle kinderen ‘top-teen’ onderzocht. Ook als er geen verdenking is van een zedenmisdrijf, worden de genitale zones onderzocht. Alle bevindingen worden gefotografeerd.

De zaak die de meeste indruk heeft gemaakt? Karst laat opnieuw een foto zien van een vagina van een klein meisje. ‘Ik geef vaak cursussen aan artsen. Naar deze foto zitten ze soms minutenlang te staren, maar er is nog nooit iemand geweest die heeft gezien dat dit meisje is besneden.’

Nootenboom: ‘Het is zo subtiel gedaan, dat je het bijna niet ziet.’

Van Duurling: ‘We hebben in de polikliniek drie gevallen van meisjesbesnijdenis aangetroffen. Dat zijn de enige drie bekende gevallen in Nederland die ooit door forensisch artsen zijn ontdekt en die bij justitie terecht zijn gekomen.’

Zij vermoedt dat dit het topje van de ijsberg is. ‘We willen op dat gebied graag optreden als expertisecentrum.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden