InterviewJe kunt het maar één keer doen

‘Intuïtief voelde ik dat er iets niet klopte’

Tuurlijk, dood gaan we allemaal. Maar afscheid nemen kan op veel manieren: hóé je het doet, maakt nogal wat uit. In deze serie spreekt Barbara van Beukering nabestaanden over het stervensproces van hun dierbaren.

Henny en Ger Bakker.Beeld Privéalbum

Ger Bakker (71, technisch medewerker verpleeghuis) overleed op 2 juni j.l. Hij was 45 jaar getrouwd met Henny Bakker (66, medewerker burgerzaken gemeente Hogeland) en had een dochter, een zoon en drie kleinkinderen.

Henny: ‘Ik dacht al een poosje: er klopt iets niet. Hij was in Groningen op bezoek geweest bij een collega toen hij ’s avonds belde: ‘Ik sta in de stad en ik weet niet waar ik ben’.

Ik vroeg hem wat hij zag en op basis van wat hij vertelde, gaf ik hem aanwijzingen. Eenmaal thuisgekomen, was hij niet in paniek of geschrokken. Hij zei: ‘Ik ben er toch weer?’

Er volgde een traject van allerlei testen en onderzoeken. De diagnose kwam in mei 2013, hij was 64 jaar. Toen de arts ons vertelde dat hij alzheimer had, was het eerste wat Ger zei: ‘Ik ga niet liggen voor ik val.’ Dus we gingen verder met ons leven, dat we weliswaar steeds meer aanpasten aan wat hij nog kon. Hij stopte met autorijden, dat was geen probleem, want ik kon rijden. En hoewel hij altijd heel technisch was geweest, nam onze schoonzoon de klussen in ons huis over. 

Ger leed er niet onder. Zijn uitdrukking was: ‘Het is zoals het is.’ Hij was lichamelijk heel fit, slank en gezond. Liep elke dag zijn vaste rondje. Ik keek altijd op mijn horloge omdat ik wist dat dat rondje 25 minuten duurde, dan moest hij terug zijn. Hij is één keer verdwaald. Toevallig zag een kennis hem lopen en die heeft hem teruggebracht. Daarvan was hij ook niet in paniek. Hij ging heel open met zijn ziekte om. We zijn een keer naar een alzheimersymposium geweest. Daar vertelde hij met veel humor, de lachers op zijn hand, over zijn ziekte. Hij was lief, levenslustig en positief. Ik kon gelukkig nog wel goed met hem praten, op gelijkwaardig niveau. Hij was nog steeds mijn man, dezelfde lieve man. Als er een mooi muziekje opstond, dansten we samen door de kamer. Met z’n tweetjes. Het zou ons een zorg zijn als de buren het konden zien.

Beeld Krista van der Niet

Begin maart kreeg hij zomaar vanuit het niets hevige buikpijn. Hij lag op de bank en kreunde van de pijn. Ik belde de doktersdienst, die een ambulance stuurde. Het was het begin van de coronatijd, ze droegen handschoentjes, maar ik mocht wel mee. In het Martini Ziekenhuis in Groningen kreeg hij morfine tegen de pijn. De echo die hij twee dagen later kreeg, wees uit dat er galstenen te zien waren en dat de galblaas eruit moest. We kenden een aantal mensen dat dat had gehad en wisten dat het niet dramatisch was. De huisarts zei dat het Martini een lange wachtlijst had, maar dat we bij het nieuwe ziekenhuis in Scheemda binnen veertien dagen een intake zouden krijgen. Dat vonden we prima, het was tenslotte een routineklusje.

Maar er kwam geen uitnodiging voor een intakegesprek. Vanwege corona was de zorg compleet stilgelegd. Ondertussen namen de aanvallen toe. Binnen twee minuten na een kop koffie of een broodje kreeg Ger hevige pijnen. Ik belde geregeld de doktersdienst, waar ze vertelden dat het bij het ziektebeeld hoorde. Intuïtief voelde ik dat er iets niet klopte, maar wat moest ik doen? Op de stoep van het ziekenhuis gaan zitten? We kwamen maart en april door met morfinezetpillen, we hadden dozen vol medicijnen in huis. Bij herhaling belde ik met artsen, steeds weer kreeg ik te horen dat de aandoening niet urgent was.

In mei kwamen berichten dat de reguliere zorg werd opgestart, maar omdat de situatie van Ger niet acuut was, konden we pas de laatste maandag van mei terecht voor het intakegesprek. De arts verzekerde ons dat hij binnen zes weken geopereerd zou worden. Maar vier dagen later, op vrijdag, kreeg Ger zo’n hevige pijn dat hij op de bank zat te huilen. Hij zei: ‘Ik red het niet, ik ga dood.’ Er kwam een ambulance en hij werd opgenomen op de spoedafdeling. Ik was opgelucht, eindelijk gebeurde er iets. Op zaterdag kregen we te horen dat Ger een ontsteking aan de alvleesklier had. Hij werd zieker en zieker. Alle waardes gingen achteruit. Hij moest aan de zuurstof, kon zijn bed niet meer uit. Op zondag werd een CT-scan gemaakt waarop te zien was dat er sprake was van een necrotiserende ontsteking. Doordat we zo lang hadden gewacht, was meer dan de helft van de alvleesklier weggeteerd. ‘Dat is geen goed nieuws’, zei ik. ‘Nee, dat is het ook niet’, zei de internist. Ze zei het niet, maar ik wist dat het niet meer goed zou komen. Je zag het voor je ogen gebeuren. Zondagavond vroeg Ger: ‘Mag ik met jou mee?’ Dat vond ik heel moeilijk. Ik legde hem uit dat hij te ziek was om naar huis te gaan, maar dat ik dicht bij hem zou blijven. Om het te benadrukken schoof ik mijn bed tegen dat van hem aan.

Op maandagmiddag zei hij: ‘Ik kan niet meer en ik wil niet meer.’ Hij was zich heel bewust van de situatie, de alzheimer was heel ver weg. Ik heb tegen de internist gezegd dat we de behandeling wilden stoppen. Dat vond ze moeilijk, ze zei: ‘Ik ken meneer nog maar zo kort.’ Ik antwoordde: ‘Ik ken hem al héél lang en hij is heel serieus.’ De verpleging was het met ons eens, zij zagen ook wel dat hij echt niet meer beter zou worden. Nadat de internist had overlegd met een arts van het UMCG was ze overtuigd en werd het infuus losgekoppeld. Ger heeft bewust afscheid genomen. Eerst van mij, daarna van de kinderen, de kleinkinderen en de rest van de familie. Hij was verdrietig, maar ook gelaten: ‘Het is niet anders.’ De nacht die erop volgde was hij heel onrustig. Alles borrelde, hij had heel veel last van de gal, het was niet om aan te zien. ’s Ochtends kwam een palliatief verpleegkundige die zag dat we het zwaar hadden en vroeg wat hij voor ons kon betekenen. Ik zei: ‘Hij lijdt, wij lijden, het moet niet te lang meer duren.’ Ger lag op een meter afstand van ons vandaan. Terwijl we in gesprek waren, zei de verpleegkundige: ‘Kijk eens, hij is aan het sterven, zijn adem stokt.’ We gingen naar hem toe, ik hield hem vast en weg was hij.

Toen hij was overleden kwam de dienstdoende arts excuses aanbieden, dat het niet zo had gemoeten. Een paar weken na Gers overlijden kreeg ik van een andere internist een kaart dat het heel droevig was dat het vanwege corona zo was gegaan.

Ik wil niet verbitterd of boos verder leven. Wie moet ik de schuld geven? Het ziekenhuis? Corona? De overheid? Het RIVM? Het ziekenhuis was verplicht de protocollen uit te voeren en dat hebben ze gedaan. In onze provincie was toen helemaal geen corona, maar het landelijk beleid werd uitgevoerd. Wij zijn slachtoffer van corona geworden zonder corona te hebben gehad.

Mijn verdriet is dubbel, want ik wilde hem niet missen, maar door de alzheimer was het natuurlijk toch wel misgegaan. Dat is hem en mij bespaard gebleven. Ik had alleen nog zo graag een paar jaar met hem in de huiskamer willen dansen.’

Lees hier alle interviews in de reeks ‘Je kunt het maar één keer doen’, door Barbara van Beukering. Van Beukering is auteur van het boek ‘Je kunt het maar één keer doen: een persoonlijke zoektocht naar sterven, het grootste taboe in ons leven.’ 

Henny en Ger Bakker.Beeld privéalbum
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden