Dwarsverbanden Componist Reza Namavar en columnist Ebru Umar

Innig bevriend met de ‘Dutch national pain in the ass’

Beeld Ivo van der Bent

In dit verhitte tijdsgewricht is de verbinding soms ver te zoeken. De Volkskrant laat deze zomer vrienden en familieleden aan het woord die grote en kleine verschillen overbruggen. Deze week: componist Reza Namavar en columnist Ebru Umar, vrienden. 

Vaak moet Reza Namavar (38) zich verdedigen als mensen horen wie zijn ­beste vriendin is. ‘Ze vallen van hun stoel. Hoe kan je nou met haar omgaan? Ik vind die vraag zó erg. Ze hebben een hekel aan haar zonder dat ze haar kennen.’ Dan, tot de mede-geïnterviewde: ‘Voor mij is het heel natuurlijk om met jou om te gaan. Jij zorgt ­zóveel beter voor mij dan die mensen die zulke dingen over je zeggen.’

De beste vriendin in kwestie is Ebru Umar (49) – Metro-columnist (zie kader) en volgens haar Twitter-autobio ‘Dutch national pain in the ass’. ‘Ik ben altijd heel blij als Reza er is. Hij let heel goed op mij en mijn veiligheid.’

Reza: ‘Als je een keer hebt meegemaakt wat jij op je afkrijgt, dan zorg je wel dat je oplet.’

Op papier ís het ook een onwaarschijnlijke vriendschap. Hij is componist, schrijft momenteel een stuk voor de ZaterdagMatinee in het Concert­gebouw. Zijn werken dragen titels als Stuijterplaneet, Versnelheijdsbinderh en Een kip is geen raket; zij geniet nog na van het concert van Marco Borsato in de Kuip. Waar Ebru sinds ze begon te schrijven op het blog van Theo van Gogh uitgroeide tot Bekende Nederlander, blijft Reza liever op de achtergrond. Zij liep voorop bij de protest­beweging van de Gele Hesjes, is fel anti-immigratie, lid van Forum voor Democratie en Leefbaar Rotterdam. Reza stemt GroenLinks.

Hoe kan die combinatie dan toch zo goed werken?

Metro-column Ebru Umar stopt

De column van Ebru Umar in Metro keert na de zomer niet ­terug. Op haar site schrijft Umar dat ­Metro besloten heeft de column te beëindigen wegens bezuinigingen. Umar wilde geen nader commentaar geven op het besluit van Metro. Toen bovenstaand dubbelinterview werd afgenomen, was het besluit van Metro nog niet bekend. 

We zitten op het terras van een grand café aan de Veerhaven, een ongehavend stukje vooroorlogs Rotterdam. Het is Ebru’s woonplaats, nadat ze ­Amsterdam in 2016 had verlaten. Op 23 april dat jaar werd ze in haar huis in de Turkse badplaats Kuşadasi gearresteerd. De aanklacht: ze zou zowel de Turkse president Erdogan, Mustafa ­Kemal (grondlegger van het moderne Turkije) als de profeet Mohammed hebben beledigd. Ze zat één nacht in een politiecel en mocht zeventien dagen het land niet verlaten.

Tijdens haar landarrest werd thuis in de wijk Bos en Lommer ingebroken. Er werd ‘hoer’ op de muur gekalkt. Ze voelde zich daarna niet meer veilig en vertrok naar de stad waar ze opgroeide, naar een appartement dat ze drie maanden eerder als pied-à-terre had gekocht. Ze is net weer verhuisd naar een pand in het centrum en moe van het geklus en geregel.

Ebru: ‘Iedereen denkt dat die bedreigingen tijdens die affaire in 2016 begonnen, maar ze waren al jaren aan de gang. Já-ren. Reza ging al boodschappen voor me doen, ik wilde niet. Ik had gewoon geen zin om de deur uit te gaan.’

Reza: ‘Als ze bij de Albert Heijn naar binnen liep, deden die caissières meteen van…’ Hij zet zijn hand voor zijn mond, kijkt opzij en maakt een lispelgeluid.

Ebru: ‘Of ze negeerden me.’

En die caissières waren?

Ebru: ‘Hoofddoeken natuurlijk. Het ­besluit om naar Rotterdam te gaan, had ik eigenlijk al veel eerder genomen, in 2015. Ik liep op een avond na een optreden in de Rotterdamse biblio­theek naar mijn auto. Die stond in de Pannekoekstraat, het was donker. Ik keek bij een café naar binnen, ­Bokaal, en dacht: daar staan alleen ­Rotterdammers, mensen die hier horen. Toen wist ik: ik ga terug naar huis.

‘Maar mijn huis in Amsterdam was het mooiste van de stad, moeilijk om afscheid van te nemen. Dus ik dacht: ik koop eerst een flatje in Rotterdam, om te oefenen. Laatst probeerde ik mijn columns te bundelen voor een boek. Dan moet je door zestien jaar aan stukjes ploegen. De teneur was toch wel dat ik Amsterdam altijd kut had gevonden en dat ik Rotterdam altijd miste.’

Reza: ‘Maar de buurt vond je toch leuk? En het Westerpark.

Ebru: ‘En Rees.’

Reza: ‘Ja, ik was het hoogtepunt. Haha!’

Hoe hebben jullie elkaar leren kennen?

Reza: ‘We hebben zestien jaar tegenover elkaar gewoond. Ik kwam in de zomer van 2000. Maar van onze eerste ontmoeting kan ik me niks herinneren, jij?’

Ebru: ‘We keken altijd bij elkaar naar binnen. Ik denk dat jij eerst mijn zusje leerde kennen, dat naast me woonde.’

Reza: ‘Ik gaf haar pianoles.’

Ebru: ‘Toen wij er kwamen wonen, was Bos en Lommer een verpauperde wijk; een arme, maar nette buurt. In 2003 liep er één boerka rond en je was er twee dagen mee bezig om die te spotten. De buurt is daarna verislamiseerd. De openbare basisschool werd een islamitische. Vervolgens zag ik de wijk juist veryuppen. Mijn observatie is: als mensen arm zijn, zijn ze netjes, want ze zijn zuinig op hun spullen. Hoe meer blanke yuppen erbij kwamen, hoe viezer het werd. Iedereen zet zijn teringzooi gewoon naast de ­container.’

Beeld Ivo van der Bent

CV Reza Namavar

1980 geboren op 30 oktober in Amstelveen

1995 schrijft eerste muziekstukken, ­toegelaten tot jongtalentklas aan conservatorium in Amsterdam. Krijgt daarna les van onder anderen Louis Andriessen in Den Haag.

2001 krijgt Henriëtte Bosmansprijs voor In principe wel

2017 Willem Breuker Prijs

2019 werkt aan stuk voor Asko/Schönberg en Reinbert de Leeuw 

Hoe komt dat?

Ebru: ‘Die yupachtigen denken dat ze het helemaal hebben gemaakt omdat ze in Amsterdam zijn gaan wonen. Die vinden dat ze rechten hebben. Die hebben geen binding met de buurt, dus het is niet hun plicht die schoon te houden. Ze hebben recht op een vuilniscontainer en als die er niet is, hebben ze het recht hun Ikea-inboedels op straat te dumpen. Dat is het grootste verschil met Rotterdam. Amsterdam heeft veel import, geen saam­horigheid. Je kan wel zeggen: mijn oude buurt is vooruitgegaan want er zijn blanken bijgekomen, maar het is gewoon viezer op straat. Ja, hier zijn ook yuppen, maar dat zijn Rotterdammers in plaats van import. Hier zijn Rotterdammers nog in de meerderheid, die spreken je aan.’

Terug naar het begin van jullie vriendschap. Wat vonden jullie leuk aan elkaar?

Ebru: ‘Hij is net zo gek als ik.’

Reza: ‘Ja, dat vooral.’

Ebru: ‘Wij vinden elkaar niet gek. Mensen vinden dingen van ons, maar wij herkennen ons helemaal niet in die dingen.’

Bijvoorbeeld?

Reza: ‘We zijn allebei best wel onaangepast, denk je niet?’

Ebru: ‘De anderen zijn raar, Rees. ­Anderen vertonen sociaal wenselijk gedrag.’

Reza: ‘Precies.’

Ebru: ‘Ik heb in 2003 Theo van Gogh leren kennen. Theo was de eerste die mij niet raar vond. Dat was een verademing. Daarvoor werkte ik in het bedrijfsleven. Toen was ik ook raar, maar ik kon het camoufleren. Ik droeg mantelpakjes en reed een Saab.’

Reza: ‘Je wil geen kinderen hè, dat vinden mensen vaak heel raar.’

Ebru: ‘Ons soort mensen is ook helemaal niet geschikt voor kinderen. Ik denk dat wij ons in een kind zouden verliezen en dat we dan zelf niet meer zouden bestaan. We hebben oog voor onze omgeving. Voor onze naasten zijn we onwaarschijnlijk attent en lief.’

Reza: ‘Dat vind ik heel belangrijk, dat je dat nu zegt. Dat komt ook door de achtergrond van jou en mij. Voor ons is familie heel belangrijk, en dat zie ik soms bij andere vrienden, vooral Nederlandse vrienden, veel minder.’

Ebru en Reza komen allebei uit migrantengezinnen. Ebru’s ouders zijn geboren in Turkije. Reza’s moeder is van Nederlandse afkomst, zijn vader werd geboren in Iran. Hij overleed in 2015, Reza spreekt nog steeds vaak in de onvoltooid tegenwoordige tijd over hem. Allebei komen ze uit hoogopgeleide families. Al heeft ze zelf weinig met klassieke muziek – voor de piano had ze naar eigen zeggen een te korte spanningsboog –, Ebru’s groot­vader was concertpianist.

In beide families werken of werkten veel leden in de medische wereld. Ebru’s ouders (gepensioneerd) waren patholoog-anatoom en oogarts. Die van Reza leerden elkaar kennen in het ziekenhuis van de Vrije Universiteit: zij werkte in het geneticalaboratorium, hij was viroloog en universitair docent. Ebru: ‘We zijn ­eigenlijk allebei het zwarte schaap.’

Nog een belangrijke overeenkomst: jullie families zijn seculier.

Reza: ‘Mijn vader heeft niets met de ­islam. Weet je, in Iran is dat geloof in 1979 aan iedereen opgedrongen. Ik ken weinig Iraniërs die dat geloof belijden. Hij maakte altijd grappen op Facebook over de Iraanse geestelijkheid, ik stond doodsangsten uit als hij er dan toch naartoe ging. Dat hij opgepakt zou worden. Ik ben er sinds mijn kindertijd niet meer geweest, daar heb ik geen behoefte aan. Brrrrrrr… Mijn vader is hier in de ­jaren zestig komen wonen. Hij woonde hier dus echt al heel lang. Dus ik ben ­eigenlijk Nederlander, ik zie mezelf zo.’

Zien andere mensen je ook zo?

Reza: ‘Ja.’

Ebru: ‘Iedereen behalve journalisten.’

Reza: ‘Haha! Iedereen behalve journalisten en de Amerikaanse ambassade.’

Heb je problemen gehad om de Verenigde Staten in te komen?

Reza: ‘Altijd. Ik hou enorm van eilanden, vooral in de Stille Oceaan, Tahiti, Polynesië. Ik ga in ieder geval een keer per jaar op reis. Dan probeer ik om niet via de VS te vliegen. Op het vliegveld keren ze me helemaal binnenstebuiten.’

Je hebt de Iraanse nationaliteit?

‘Ja, daar kan ik geen afstand van doen, al zou ik het willen. Het is een blok aan mijn been. Het komt ook door de ESTA (het ­document dat je moet aanschaffen en ­invullen als je de VS binnen wilt komen, red.). Dan moet je opgeven waar je ouders zijn geboren. Mijn moeder komt uit de Amsterdamse Kinkerstraat en mijn ­vader… Wieuw-wieuw-wieuw!’ Met zijn vinger maakt hij een beweging van een zwaailicht.

Ebru: ‘Maar ik word ook binnenste­buiten gekeerd, hoor. Na 9/11 werden ze heel streng. Ik kreeg altijd te horen: ‘You’ve been selected for random search’. Als je dat de eerste keer hoort, denk je: oké. Maar als het vier keer achter elkaar ­gebeurt, denk je: how come?’

Reza: ‘Een keer kreeg ik vier s’en op mijn boardingpass. Als enige hè? Een soort geheime code. Ik viel flauw bij de ­securitycheck, omdat ik de ondervraging zo intimiderend vond. Ze haalden mijn bagage door allerlei apparaten. Het duurde héél lang. In het vliegtuig viel ik weer flauw en hebben ze me zuurstof ­gegeven. Maar ik had dus ook een vreselijk profiel: die naam, een dubbele ­nationaliteit waaronder de Iraanse, ik reisde alleen en ik was op doorreis.’

Ebru: ‘Natuurlijk bestaat white privilege. De wereld is makkelijker als je een blanke hoogopgeleide man bent. En dat vind ik niet zo raar: mensen kiezen wat ze kennen. Ik ben een minderheid en als ik hetzelfde wil als de meerderheid – blanke mannen – moet ik me er bewust van zijn dat ik anders ben. Het zal me verder ­jeuken.’

Beeld Ivo van der Bent

CV Ebru Umar

Ebru Umar werd geboren in 1970 en groeide op in Rotterdam. Ze studeerde bedrijfskunde en werkte bijna tien jaar in het bedrijfsleven. In 2003 begon ze ­columns te schrijven voor de site van Theo van Gogh, De Tevreden Roker. In 2005 nam ze de column van Van Gogh in ­Metro over. Ze schrijft ook voor ­Libelle.

In april 2016 werd Umar enige tijd vastgehouden in Turkije, vanwege ‘beledigende’ tweets over president Erdogan.

In 2017 won ze de Pim Fortuynprijs.

Jij verklaarde eerder dat je van de Turkse nationaliteit af wilde. Is dat gelukt?

Ebru: ‘Nee, want ik ben een voortvluchtige, hè? Ik heb in 2016 met veel kunst- en vliegwerk Turkije kunnen verlaten. Als het aan de Turkse autoriteiten ligt, moet ik eerst een straf uitzitten en daarna willen ze er misschien eens over nadenken. Rees, hoe zit dat, ben jij als kind in de Iraanse ambassade aangegeven?’

Reza: ‘Ik weet niet hoe dat is gegaan, maar toen ik een jaar of twee was, ben ik met mijn ouders naar Amerika gereisd op een Iraans paspoort.’

Ebru: ‘Mijn ouders hebben mij en mijn zussen wel aangegeven. Omdat ze altijd de intentie hadden terug te gaan naar Turkije. En nou zitten wij dus met die shit.’

Het stijlverschil tussen de twee is enorm. Ebru is rechttoe rechtaan, geen woord kan meerduidig worden opgevat. Reza verpakt wat hij te zeggen heeft in absurdisme. Zo is een van zijn dagelijkse activiteiten het beheer van zijn Facebook-­alter-ego Harlijke van Oudheusden, een vrouw die idolaat is van het werk van de fictieve avant-gardecomponist Gnokbrandt Peereknallerh. Het is een parodie op de muziekwereld waar Reza deel van uitmaakt, maar waarin hij zich toch een outsider voelt.

Ebru: ‘Dat is zijn intellect. Ik denk dat autistische mannen toch slimmer zijn dan autistische vrouwen.’

Zie je jezelf zo?

Ebru: ‘Ik spoor wel ergens niet helemaal, maar niet zo erg als Rees…’

Reza: ‘Hahahaha!’

Waarin verschillen jullie van elkaar?

Ebru: ‘Reza kan obsessief met iets bezig zijn. Hij is dol op die eilanden bijvoorbeeld. Obsessief gepassioneerd.’

Dat klopt: als hij in Rotterdam aanschuift voor het interview, is hij net op tijd: hij was eerst met de trein heen en weer geweest naar Middelburg om daar het huis van ontdekkingsreiziger Jacob Roggeveen (1659-1729) te bekijken, de man die Paaseiland ontdekte. Reza kon maar een halfuurtje in de stad blijven.

‘Die eigenschap bewonder ik aan hem. Hij wil alles over iets weten, alles zien. Nu heeft hij een nieuwe tic: planten.’

Reza: ‘Ik was een keer gefascineerd door IJsland en toen heb ik IJslands geleerd. Ik heb ook een tijdje luchtvochtigheid gehad als hobby, die kon jij helemaal niet aan, haha. En Bach.’

In Reza’s muziek klinkt de invloed van Bach door. Zijn werk is ontwapenend en ontregelend, hortend en stotend, toch zit er altijd een element van lyriek in. En her en der is ook de invloed van Perzische muziek terug te horen.

Liever dan over zijn muziek praat hij over zijn fascinaties. ‘Van Bach ken ik ­alles, maar ik ben nog niet op elk eiland geweest, dus dat blijft doorgaan. Ik hou van eilanden omdat als je op een eiland bent, de buitenwereld is opgeheven, dat voelt heel veilig. Niemand kan je pakken. Dat gevoel ken jij niet hè, Eeb?’

Ebru: ‘Ik word claustrofobisch van ­eilanden. Je rijdt een rondje en je bent er. En dan rij je nog een rondje en ben je er weer.’

Eigenlijk zeg je, Reza, dat je de samenleving eng vindt?

Reza: ‘Ja.’

Ebru: ‘En dat vind ik dus niet. Ik mis het bang-gen, daarin verschillen wij.’

Toen je gearresteerd werd, was je ook niet bang?

Reza: ‘Nee, ook niet. Dat heb ik vaak aan haar gevraagd. Ik zou tien keer flauw­gevallen zijn.’

Ebru: ‘Ik woon aan zee, de internationale wateren beginnen op anderhalve kilometer. Samos (het Griekse eiland, red.) ligt aan de overkant. Ik had al meteen een boot geregeld waarmee ik weg zou kunnen. De uitgang lag voor me. Als Syrische vluchtelingen de oversteek kunnen maken, kan ik dat ook.’

Reza: ‘Ik vond het een enge periode. Ik kon toen echt niet slapen. Toen ik in de trein zat, zag ik ineens op nu.nl dat je ­was gearresteerd. Ik dacht dat je niet ­terug zou komen. Toen je net was opgepakt, was het een gekkenhuis in de straat. Mensen keken door je brievenbus, trokken aan de deur. Ik vond het ook heel erg dat ik die inbraak gemist had.’

Ebru: ‘Ja, Reza houdt alles in de gaten. Hij appte altijd als ik in Turkije zat: er gaat nú een blonde vrouw naar binnen! En nu een donkere man! Haha. Maar die inbraak was ’s nachts, Rees, toen sliep je.’

Je voelde je schuldig?

Reza: ‘Een beetje wel. Mijn laptop staat bij het raam, ik kijk uit op dat huis als ik aan het componeren ben.’

Ebru, je zegt: ik ben nooit bang. Maar je hebt de moord op Theo van Gogh meegemaakt, je bent zelf een keer mishandeld. Dat maakt jou niet banger?

Reza: ‘En je telefoon is afgepakt waar ik bij was, weet je nog?’

Ebru: ‘Je kunt dingen heel serieus nemen. Maar: wordt er iemand vermoord, dan wordt diegene niet nog een keer vermoord. Als het eenmaal gebeurt, is het al gebeurd. Ik ben niet het type dat ergens in blijft hangen. Als je een auto-ongeluk hebt gehad, is het beste wat je kunt doen om de volgende dag weer in de auto te stappen.’

Praten jullie weleens over politiek?

Ebru: ‘Niet echt.’

Is het iets wat maar beter vermeden kan worden?

Reza: ‘Helemaal niet. Ik begrijp veel van de dingen die zij zegt. Het is niet zo dat ik alleen maar links ben, ik begrijp sommige dingen van de andere kant ook.’

Ebru: ‘Hij stemt sociaal wenselijk. Hahahá!’

Ebru schrijft allerlei stevige dingen over immigratie, hoe kijk je daar tegenaan Reza?

Reza: ‘Ja Jezus joh… Soms lees ik dat ­gewoon niet eens.’

Ebru: ‘Dat is niet de vraag.’

Reza: ‘Weet je waar ik wel van schrik? Daar heb ik jou ook mee geconfronteerd: je standpunt over dubbele nationaliteiten. Dat je er maar één mag hebben. Ik heb die keuze niet…’

Ebru: ‘Reza is altijd heel bang dat ­alles wat hij in de krant leest, op hem betrekking heeft.’

Reza: ‘… want ik móét die Iraanse nationaliteit hebben.’ Met luide stem: ‘Ik wil niet dat iemand mijn Nederlandse nationaliteit af gaat pakken.’

Ebru: ‘Het is niet dat hij mijn ­columns niet leest omdat hij mijn ­mening niet wil horen.’

Reza: ‘Ik ken jouw mening. Als er toevallig een stukje voorbijkomt op Facebook, dan klik ik daar wel op, maar meestal heb ik het heel druk.’

Ebru: ‘Eigenlijk is de vraag: ben je het eens met mij, met mijn rechtse houding over immigratie en vluchtelingen, of niet? Meer meer meer, of minder minder minder?’

Reza: ‘In sommige dingen kan ik me heel erg vinden, in sommige niet. Dat is niet erg. Jij gaat toch ook met mensen om die veel langer of korter zijn dan jij?’

Ebru: ‘Ik praat met geen van mijn vrienden over politiek.’

Heb je een politiek diverse vriendenkring?

Ebru: ‘Het interesseert me geen reet. Geen van mijn vrienden interesseert zich voor politiek, dát is mijn bubbel.’

Reza: ‘Een andere mening is toch geen reden om iemand af te stoten? Alsof alleen dat bepaalt of iemand leuk is.’

Ebru veroorzaakt regelmatig ophef met haar columns. Zo schreef ze in januari over asielzoekers: ‘Mensen die hier niet horen en toch mogen blijven in afwachting van hun procedure, moet je verplicht steriliseren. Mensen die hier niet horen en toch zwanger raken, dienen onmiddellijk uitgezet te worden.’ Wat vind je daarvan, Reza?

Reza: ‘Haha, typisch Eeb. Dat soort dingen zegt ze nooit tegen mij. Die dingen schrijft ze. Wat zij zegt gaat te ver, maar ergens begrijp ik het ook. Stel dat ik illegaal in een land ben, of in afwachting van een beslissing, dan is het wel raar dat je nog meer mensen maakt, dus nog meer mensen die potentieel illegaal zijn. Wat ik het ergste vind, is dat asielprocedures zo lang duren. Dat vind ik onmenselijk, je kunt mensen niet zo lang laten wachten.’

Ebru: ‘Ik had nooit gedacht dat mensen zo hysterisch zouden reageren op ‘verplicht steriliseren’. Het gaat me om het voorkomen van leed voor álle partijen. Die kinderen worden de dupe van ouders én overheidsfalen. Mijn hart breekt daarvan.’

Ebru schrijft in haar columns dat er te veel immigranten in Nederland zijn, ongeacht of ze wat fout doen.

Reza: ‘Ik heb ook weleens last van moslims. Ik val niet op vrouwen en als ik dat in mijn buurt laat blijken, krijg ik echt ‘kankerhomo’ naar mijn kop. Dan is het er ook voor mij niet veilig. De multiculturele samenleving is niet echt gelukt, toch?’

Even later: ‘Waarom zoeken jullie nou zo naar verschillen tussen ons? Mijn wereld hoeft niet haar wereld te zijn. Hoeveel mensen zijn nou zoals ik? Zij is gewoon heel oprecht. Ik hoef geen moeite te doen om haar te leren kennen. Zij praat zonder ruis, dat is voor mij heel prettig.’

Maar in hoeverre begrijpt ze jouw wereld?

Reza: ‘Ik heb haar nooit gevraagd wat ze van mijn muziek vindt. Ze heeft wel stukken van me gehoord: ze is met me meegegaan naar het muziekprogramma Podium Witteman en naar DWDD toen ik daar een een-minuut-opera had. Ik vind interviews geven niet echt het leukste wat er is. Ik ben ­altijd bang dat ik vragen krijg waarvan ik denk: uuuuh? Zij kan me dan inlichten over wat er zou kunnen gebeuren.

‘Bij DWDD ging het dus helemaal fout. Vond ik. Ik gaf een te gedetailleerd antwoord en er zat iemand naast me op de bank die mij er steeds vanaf duwde. Ik raakte in de war van al die tijdsklokken aan de muur.’

Ebru: ‘Maar zijn ongeremdheid maakt hem voor een tv-interview ­natuurlijk wel heel leuk.’

Reza: ‘Mensen gaan altijd lachen, ook al zeg ik iets serieus. Trouwens Eeb, het ging net over wat jij van mijn composities vindt.’

Ebru: ‘Die ken ik eigenlijk niet echt. Dat we geen werkvriendschap hebben, dat is toch juist fijn? Reza is een onwaarschijnlijk lieve en betrokken persoonlijkheid, die altijd naast en achter en voor je zal staan. Soms moet hij tegen zichzelf beschermd worden, hij is te goed voor deze wereld.’

Je bent geen liefhebber van gesubsidieerde kunst?

‘Ik vind dat als je niet kunt leven van je werk, je iets anders moet doen. Als je van muziek of beeldhouwen houdt, maar je kunt er niet je rekeningen mee betalen, dan is het een hobby. Simpel. Dat Reza prijzen wint en subsidie krijgt, top voor hem. Maar ik weet toevallig dat Reza zich de tering werkt.’

Dat geldt voor meer kunstenaars.

Ebru: ‘Daar ben ik het niet mee eens.’

Wat vind je er dan van dat Reza deels van subsidie leeft?

Ebru: ‘Ik gun het hem van harte.’

Reza: ‘Ik leef niet alleen van het componeren hè, ik speel ook piano bij balletlessen op het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, zodat ik op reis kan.’

Mis je Ebru niet nu ze in Rotterdam woont?

‘Ja, ik mis haar heel erg. Ook om de goede zorgen die ze altijd heeft, als ik ziek ben bijvoorbeeld. En als zij ziek is, kan ik er ook niet zo snel meer voor haar zijn.’

Dan moet jij misschien ook maar verhuizen?

Reza: ‘Dat zegt ze de héle tijd!’

Ebru: ‘Ik heb een etage voor je. Zelfs een piano.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden