Interview Adoptie

Inès werd voorgesteld aan de verkeerde biologische familie: ‘Alles waar ik in geloofde, stortte in elkaar’

De Colombiaanse geadopteerde Inès Kampman Vargas kwam door een dna-test erachter dat er met haar adoptiedossier is gerommeld. ‘Ik ben boos op het hele adoptiesysteem. Boos op mensen die willens en wetens hebben gelogen, meegewerkt aan een systeem waarin kinderen worden verhandeld.’

Inès Kampman Vargas is geboren in Colombia en na haar geboorte geadopteerd door een Nederlands gezin. Haar vermeende biologische ouders bleken na tien jaar toch niet haar biologische ouders. Foto Harry Cock

Sinds een paar weken kijkt Inès Kampman Vargas (40) met een andere blik naar de talrijke gekleurde fotolijstjes in haar woonkamer in Deventer. Ze dacht familiekiekjes met haar biologische zus en moeder aan de wand te hebben hangen. Inmiddels staat haar verleden door een dna-test op losse schroeven. ‘Het is een rare gedachte dat mijn kamer volhangt met foto’s van mensen die eigenlijk vreemden zijn’, zegt ze.

Als baby van vijf maanden kwam de in Colombia geboren Inès in 1978 aan in Nederland. Haar adoptieouders haalden haar op van Schiphol. Ze konden zelf geen kinderen krijgen en waren blij om op deze manier toch een gezin te kunnen stichten. Drie jaar later kwam er een eveneens Colombiaans zusje bij.

‘Over de adoptie werd thuis niet veel gepraat’, vertelt ze. ‘Colombia was altijd heel ver weg. Mijn adoptieouders hadden geen idee van het land, waren er nooit geweest. Toch was ik me er altijd heel bewust van dat ik geadopteerd was. We woonden in het grotendeels witte dorp Nijverdal, daar viel ik op. Mensen vroegen altijd waar ik dan écht vandaan kwam.’

Onbewust knaagde er toen al iets. ‘Ik vond het bijvoorbeeld lastig om ruzie te maken thuis, dat ging ik uit de weg. Blijkbaar voelde ik me niet veilig genoeg. Als adoptiekind krijg je vaak te horen: je hebt het hier toch goed, je ouders hebben je alles gegeven, je mag hen wel dankbaar zijn. Maar voor een kind is er een groot verlies aan voorafgegaan. Ik heb altijd een soort gemis gevoeld, al wist ik niet precies waarnaar.’

‘Ik ben boos op het hele adoptiesysteem. Boos op mensen die willens en wetens hebben gelogen, meegewerkt aan een systeem waarin kinderen worden verhandeld.’ Foto Harry Cock

Speuren naar familieleden

Op haar 18de – het is nog voor het internettijdperk – doet ze vanuit Nederland een eerste zoekpoging naar haar wortels, via het adoptiebureau Wereldkinderen. Ze weet enkel dat ze destijds verbleef in een weeshuis in Bogotá en in haar papieren staat dat haar biologische moeder Cecilia Vargas heet. ‘Maar ze konden niks vinden.’ 

Een vriendin van haar, ook geadopteerd, speurt in dezelfde periode vergeefs naar familieleden in Colombia. Het maakt zoveel onverwerkt leed los, dat die vriendin in de psychiatrie belandt. ‘Toen heb ik een tijdje gedacht: dat kan mij ook overkomen, ik moet het hier maar bij laten. Ik deed een opleiding in de zorg en richtte me daarop. Op mijn 21ste begon ik met werken en zo ging het leven door.’

Tot ze in 2009, ze is dan 31, bij haar adoptieouders thuis op de bank Spoorloos zit te kijken. Ineens weet ze het zeker: ze wil op zoek, nu echt. ‘Mijn ouders reageerden vol begrip. Ze zeiden meteen: dan gaan wij je helpen.’ Ze huurt voor 800 euro een zogenoemd rootsbureau in, een bedrijfje dat tegen betaling zoektochten uitvoert voor geadopteerden. Slechts zes weken later is het zover: Cecilia Vargas is getraceerd. ‘Het eerste contact met mijn moeder was via de telefoon, heel vreemd natuurlijk. Ik sprak geen Spaans, wel Frans, daarmee kon ik een paar woordjes met haar wisselen.’ Niet veel later reist ze samen met haar adoptieouders af naar de Colombiaanse stad Bucaramanga, waar haar moeder woont.

‘Het was heel fijn om haar te zien. Ik herinner me dat ik haar mijn papieren liet zien, waaronder haar handtekening stond. Toen ze dat zag, barstte ze in tranen uit. Die emotie die ik toen zag bij haar, was voor mij de bevestiging dat dit echt mijn moeder was. Zoiets fake je niet.’

Je gaat natuurlijk naar uiterlijke gelijkenissen zoeken, zegt Inès. ‘En ik zag dat we helemaal niet op elkaar leken. Zij is veel lichter dan ik. Maar ze vertelde dat mijn vader een donkere man was. Verder had ze weinig informatie over hem.’ Tijdens dezelfde reis ontmoet ze haar twee halfbroers en twee halfzussen. ‘Zij leken onderling ook helemaal niet op elkaar, dus je staat er dan helemaal niet bij stil dat er misschien iets niet klopt.’ Ze laat een foto zien van die reis, waarop ze met een van haar halfbroers staat. ‘Als je naar zijn neus kijkt, nou ja, die lijkt toch wel wat op die van mij.’

Er is wel iets vreemds met de geboortedatum. Inès heeft in haar papieren staan dat ze op 19 februari 1978 is geboren. Maar Cecilia Vargas weet honderd procent zeker dat zij op 17 februari een dochtertje ter wereld bracht. ‘De adoptieorganisatie zei later dat dat kon worden verklaard doordat ik direct na mijn geboorte vanuit Bucaramanga naar een weeshuis in de hoofdstad Bogotá ben gebracht. Daar zouden ze mij pas hebben geregistreerd.’

Haar moeder vertelt dat ze al drie kinderen had op het moment dat ze zwanger raakte van Inès. De twee oudsten woonden destijds bij haar ouders in het bergdorpje Guadalupe. Cecilia Vargas is voor werk naar de stad Bucaramanga getrokken. Ze was daar au pair en woonde met haar jongste kind in bij de familie voor wie ze werkt. Maar de familie dreigde haar op straat te zetten als daar nog een baby bij zou komen. Cecilia stond in 1978 voor een duivels dilemma: ofwel dakloos raken met twee jonge kinderen, ofwel haar baby afstaan en haar baan behouden. Ze koos voor het laatste.

Voor Inès vallen er tijdens de reis puzzelstukjes in elkaar. ‘Ik was opgelucht, euforisch. Het is zo fijn te weten waar je vandaan komt en de bevestiging te voelen: dit zijn de mensen bij wie ik hoor.’ In Colombia kijkt ze die weken haar ogen uit. ‘Het voelde als thuiskomen. Het leven speelt zich daar meer op straat af, op elke hoek staat wel iemand wat te verkopen. Je ziet veel armoede én veel luxe, die contrasten zijn zo groot.’

In de daaropvolgende jaren houdt ze via Skype en Facebook contact met haar moeder en vooral haar oudste zus, met wie ze vanaf het begin een sterke band voelt. Zij komen later ook met zijn tweeën op bezoek in Nederland. Ze maken uitstapjes, haar zus blijkt dol op stroopwafels. Inès gaat daarna nog twee keer naar Colombia en logeert rond de zestigste verjaardag van haar biologische moeder drie weken bij haar zus.

Gerommel met adoptiedossiers

‘De twijfel sloeg pas toe in 2016’, vertelt Inès. ‘Ik zag uitzendingen van Nieuwsuur en Zembla over misstanden bij adopties. Intussen was ik op meetings van geadopteerden mensen tegengekomen die als kind in hetzelfde tehuis hadden gezeten als ik. Zij waren erachter gekomen dat van hun adoptiedossiers niets klopte.’

Ze heeft dan inmiddels ontdekt dat er niet alleen qua uiterlijk, maar ook qua karakter nauwelijks overeenkomsten zijn met haar moeder. ‘Het ging flink knagen. Toch heb ik nog anderhalf jaar aan struisvogelpolitiek gedaan.’ Als ze het dan toch met haar veronderstelde Colombiaanse familie bespreekt, reageert haar moeder weinig invoelend. ‘Ze dacht dat ik aan haar twijfelde, dat ik haar woord niet geloofde. Terwijl het mij ging om de misstanden in het systeem.’

Haar zus begrijpt haar zorgen wel. Afgelopen lente besluiten ze een dna-test te doen via de Nederlandse stichting Plan Angel, die in Colombia dna-testkits uitdeelt aan ouders en andere familieleden die op zoek zijn naar een door adoptie verdwenen kind. Inès stuurt de test vanuit Nederland naar de Amerikaanse dna-databank Family Tree, haar zus Omaira bezoekt een dna-bijeenkomst van Plan Angel in Bucaramanga en zendt daar haar speeksel in. Op die bijeenkomst, waar vooral wanhopig zoekende Colombiaanse moeders samenkomen, houdt Omaira nog een optimistisch verhaal over hoe ze haar verloren gewaande zusje jaren geleden terugvond en hoe goed hun band nu is.

Nu, een paar maanden later, is alles anders. De dna-vergelijking heeft uitgewezen dat Inès en Omaira geen enkele genetische verwantschap hebben. De afgelopen acht jaar heeft ze een relatie opgebouwd met mensen van wie ze dacht dat ze familie was, maar met wie ze geen bloedband heeft. ‘De eerste twee weken was ik alleen maar in de war’, zegt Inès. ‘Alle kaarten worden ineens anders gelegd. Alles waarin je geloofde, zakt in elkaar.’

Bij die verwarring is nu ook woede gekomen. ‘Ik ben boos op het hele adoptiesysteem. Boos op mensen die willens en wetens hebben gelogen, meegewerkt aan een systeem waarin kinderen worden verhandeld.’

Het is maar de vraag of ze ooit nog kan achterhalen wat er destijds precies is gebeurd. Wat ze in elk geval wel weet: haar adoptiepapieren horen niet bij haar, maar zijn van een ander kind – de echte dochter van Cecilia Vargas.

De drie weken ‘relaxte vakantie’ in Colombia die Inès voor komende oktober had gepland, zijn nu gevuld met bezoekjes aan haar oude weeshuis en de Colombiaanse kinderbescherming, op zoek naar snippers informatie over waar haar familie dan wel is. ‘Ik moet weer volledig vanaf nul beginnen. Eerst had ik in elk geval nog een naam. Nu heb ik geen enkele aanwijzing.’

Ze doet haar verhaal omdat ze wil laten zien hoe het kan misgaan in adoptieprocedures en hoe hard het nodig is dat er hulp komt voor geadopteerden bij de vaak dure zoektocht naar hun wortels. Ook van de Nederlandse overheid, die destijds immers de adopties heeft gefaciliteerd, terwijl er toen al aanwijzingen waren voor misstanden.

Kampman koesterde dit zwart-witte babyfotootje als het enige plaatje dat destijds in Colombia van haar is gemaakt. Nu weet ze niet eens meer zeker of zij het wel is. Foto Harry Cock

In haar woonkamer die volstaat met parafernalia die verwijzen naar haar geboorteland – de geel-blauw-rode vlag, een traditionele hoed, de vueltiao – slaat Kampman een fotoalbum open. Op de eerste pagina zit het zwart-witte babyfotootje geplakt dat haar adoptieouders ontvingen, voorafgaand aan haar komst. Ze heeft het altijd gekoesterd als het enige plaatje dat destijds in Colombia van haar is gemaakt. Nu weet ze niet eens meer zeker of zij het wel is, die baby die op de foto zo vredig ligt te slapen.

Financiële steun geadopteerden 

De overheid zou organisaties van geadopteerden financieel moeten ondersteunen bij zoektochten naar biologische ouders, vindt een deel van de Tweede Kamer. GroenLinks, SP en SGP dienden hierover begin juli een motie in, die net geen meerderheid haalde. Volgens deze partijen heeft de overheid een verantwoordelijkheid, omdat zij destijds faciliteerde dat kinderen uit verre landen via soms schimmige procedures naar Nederland werden gehaald.

In de hoogtijdagen van internationale adoptie, eind jaren zeventig en begin jaren tachtig, waren er al duidelijke signalen voor misstanden. Zo berichtten de kranten in 1981 over oud-minister Veldkamp die had bemiddeld in een illegale adoptie uit Colombia.

Minister Dekker van Rechtsbescherming houdt vooralsnog vol dat de verantwoordelijkheid voor misstanden in de adoptieketen ligt bij de zendende landen. ‘Maar de Nederlandse overheid heeft duidelijk steken laten vallen’, zegt SP-Kamerlid Michiel van Nispen. ‘En bovendien is het een mensenrecht om te weten waar je vandaan komt.’ Hij komt in de herfst met een nieuw voorstel, dat bepleit dat geadopteerden op individuele basis een tegemoetkoming krijgen voor de kosten van het zoeken.

De stichting Plan Angel voert eind september een gesprek met minister Dekker over dit thema. Plan Angel faciliteert dna-onderzoek voor families in Colombia en geadopteerden hier – zo kwam ook aan het licht dat Inès Kampman aan de verkeerde mensen is voorgesteld. Dat werk wordt tot nog toe gefinancierd door sponsors en geadopteerden zelf.

Ook Indonesische geadopteerden wenden zich tot de staat. Jurist Dewi Deijle, zelf geadopteerd, diende namens de stichting Mijn Roots een claim in voor financiële ondersteuning voor geadopteerden die tussen 1973 en 1983 naar Nederland kwamen uit Indonesië, om herkomstonderzoek mogelijk te maken. ‘Ook wij kennen situaties van geadopteerden die aan de verkeerde familie zijn voorgesteld omdat van hun dossier niets klopt’, zegt Deijle. De claim werd volgens Deijle afgewezen ‘met een standaardbrief’. Op dit moment loopt daarover een klachtenprocedure bij de Nationale Ombudsman. Afhankelijk van de uitkomst daarvan overweegt stichting Mijn Roots een gang naar de rechter. 

‘Faciliteer dna-onderzoek in adoptielanden’

De Nederlandse overheid zou in herkomstlanden van geadopteerden dna-onderzoek moeten faciliteren, zodat ouders en kinderen elkaar kunnen terugvinden. Dat zegt emeritus hoogleraar adoptie René Hoksbergen. ‘De staat heeft destijds toegestaan dat kinderen hiernaartoe werden gehaald onder dubieuze omstandigheden, dan moet je nu ook verantwoordelijkheid nemen voor de gevolgen.’ Lees meer in dit pleidooi voor overheidssteun bij dna-onderzoek

Via de dna-databank op zoek naar je verdwenen kind

7 was de zoon van de Colombiaanse Mary Nieves ­Galvis toen hij werd afgestaan voor adoptie. Zonder dat zij het wist. Al dertig jaar vraagt ze zich af wat er van Oscár geworden is. De Nederlandse stichting Plan Angel biedt vrouwen zoals zij hoop door ze dna af te nemen voor een databank die ouders en kinderen kan koppelen.

Honderden kinderen gaan met dna op zoek naar familie

De belangstelling voor dna-zoekmethode onder geadopteerden neemt toe. Na gevallen van adoptiefraude in Sri Lanka en Bangladesh is het inzenden van wangslijm naar de VS voor sommige geadopteerden de laatste hoop: dna liegt niet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.