Interview Nico Dijkshoorn

In zijn nieuwe boek rekent Nico Dijkshoorn af met zichzelf: ‘Ik deug voor geen meter’

Beeld Eva Roefs

Het nieuwe boek van Nico Dijkshoorn, Ooit gelukkig, zou een eerbetoon worden aan zijn moeder. In plaats daarvan gaat het over hemzelf: zijn tia's, maar ook over zijn behoefte aan aandacht en gebrek aan inlevingsvermogen. ‘Met dit boek zeg ik eigenlijk: ik deug voor geen meter.’ 

Nico Dijkshoorn zat in de auto, op weg om de as van Klaas en Nel – zijn ouders – uit te strooien in hun favoriete bos. Onderweg zou hij zijn dochter ophalen. Wachtend voor haar studentenflat begint ineens de straat te tollen, Dijkshoorn moet zich vasthouden aan het stuur. Hij ziet alles dubbel – haarscherp, maar dubbel. Hij kan niet bewegen.

Dijkshoorn, aan zijn keukentafel: ‘Ik wist natuurlijk ook niet wat er aan de hand was. Maar het was wel zo alarmerend dat ik dacht: als dit niet meer ophoudt, wil ik dood.’

Het hield op. Daarna ben je gewoon naar het bos gereden.

‘Dat kon wel, dacht ik. Ik dacht dat ik overwerkt was. De volgende dag stond ik hier in de kamer, bij de draaitafels, en toen gebeurde het weer. Tanja, mijn vriendin, zei: we gaan nu toch even naar de eerste hulp. Nou, daar vertelden ze me dat ik twee tia’s had gehad. Ik ging als een baksteen naar de grond toen ik het hoorde.’

Nico Dijkshoorn (58) heeft een nieuw boek. Ooit gelukkig, heet het, en je zou het kunnen zien als een vervolg op Nooit ziek geweest (2012), het ‘loeiharde’ (zijn woord) boek dat hij in 2012 over zijn ‘egomane en narcistische’ (zijn woorden) vader Klaas schreef. Het tweede deel van zijn familiekroniek zou het worden, dit keer over zijn moeder Nel. Maar het liep anders.

Is het een boek over je tia’s geworden?

‘Nee. Het is een keihard boek over mezelf, dat wel. Ik wil gelijk even gezegd hebben: ik was absoluut niet van plan om over mijn tia’s te schrijven. Waar ik een beetje bang voor ben, is dat mensen gaan denken dat dit een zeurboek is, dat ze gaan zeggen: wat stelt dat nou voor, een paar tiaatjes, mijn man mist twee benen. Ik ging laatst door de grond toen ik een interview las met Jan Mulder, waarin hij vertelt over zijn tia. In een bijzin! Hij praat erover alsof hij een zak friet uit zijn handen heeft laten vallen! En ik schrijf er ongeveer een heel boek over.’

Wat zegt dat?

‘Dat ik me uiteindelijk dus weinig aantrek van het feit of mensen het koket gaan vinden, of aanstellerig. Dat is een overwinning. Tijdens het schrijven, ik was al even bezig, kwam ik tot de conclusie: ik vind weer van alles van iedereen, maar ik heb het niet over mezelf. Eigenlijk vond ik het wel belangrijk om dat nu eens wél te doen. En dan kon ik niet gaan verzwijgen dat ik een paar tia’s heb gehad en bijna de pijp uit was. Het boek veranderde onder m’n handen.’

Nooit ziek geweest schreef je in drie weken. En dit boek?

‘Ook zoiets. Drie, vier weken. De uitgever vindt het niet fijn als ik dit vertel, maar ik ga er niet over liegen. Bovendien, je hebt het gelezen en je snapt wel dat dit geen boek was waarvoor ik schema’s aan de muur heb getekend.’

Het boek begint met een scène die zich afspeelt bij De Wereld Draait Door, waar Dijkshoorn aan tafel komt praten over Nooit ziek geweest. De vader van Nico Dijkshoorn zit dan al een tijdje met Alzheimer in het verzorgingshuis, en zou het boek nooit kunnen lezen. ‘Matthijs vroeg in de uitzending: ‘Is dit zijn verdiende loon?’ Ik was behoorlijk overvallen door die vraag. Ik had helemaal niet door wat ik nou eigenlijk had geschreven.’

Een afrekening met je vader. Je beschreef hem als een lul, iemand die alleen maar met zichzelf bezig was en nooit eens een vraag stelde.

‘Ja. Toen zag ik dat niet, maar ik schreef het in een vlaag van woede. Ik had eigenlijk best een redelijke relatie met mijn vader. Tot ik hem bezocht in het verzorgingshuis, waar hij wat voor zich uit zat te mompelen, en ik dacht: wat een ongelooflijke klootzak ben jij. En ik snapte dat niet. Daarom ben ik gaan schrijven. Pas na dat optreden bij DWDD begreep ik wat ik gedaan had, dat ik ook de rest van mijn familie erin had betrokken. Ik heb iedereen in het boek – mijn broers, moeder, ex, kinderen – met naam en toenaam genoemd. Het moest allemaal precies zo worden opgeschreven als het gebeurd was. Mijn zoon heeft me daar later op aangesproken. Waarom moest iedereen dit weten? Het was toch niet alleen mijn vader, maar ook zijn opa?’

En wat zei je?

‘Ik ben schrijver. Schrijven is wat mijn leven enigszins zin geeft. En dit is nu eenmaal het genre dat ik het beste beheers.’

Beeld Eva Roefs

Was je in Nooit ziek geweest te hard voor je vader?

‘Zéker. Bij een lezing vroeg iemand me: ‘Heb je er weleens over nagedacht waarom hij zo geworden is?’ Het klinkt belachelijk, maar niet dus. En dan heb je dus een heel boek over zo’n man geschreven. Zijn eigen vader overleed toen hij 10 was. Totaal niet bij stilgestaan. Ik heb dat boek gewoon geschreven, hier ouwe, fuck you. Hij kon het niet meer lezen, maar ik had het mooi wel gezegd.’

Waarom wilde je aanvankelijk een boek over je moeder schrijven?

‘Mijn vader overleed een maand na Nooit ziek geweest, mijn moeder het jaar daarna. Het idee was: ik ga haar in het zonnetje zetten. Een eerbetoon. Ik zou mezelf dwingen, nu eindelijk eens, om me wezenlijk in haar te interesseren. Als ik een ander soort schrijver was geweest, of een ander soort mens, dan was ik naar Zürich gegaan, waar mijn moeder als meisje een paar maanden woonde en waar ze altijd vreugdevol over sprak. Dan had ik onderzoek gedaan en was het een invoelend, warm verhaal geworden, over de zoektocht van een schrijver die naar Zwitserland reist om iets van zijn moeder te begrijpen. Alleen: dat zit dus niet in me.’

Want uiteindelijk gaat dit boek over jezelf.

‘Ja. Pijnlijk. Ik verweet mijn vader dat alles om hem draaide, maar zelf ben ik dus net zo. Ik weet niks van mijn moeder, omdat ik nooit nieuwsgierig naar haar ben geweest. Wel vond ik het op een gegeven moment tijd om haar allerlei moeilijke vragen te stellen. Waarom ze haar kansen niet heeft gegrepen, terwijl ze zo goed kon patroontekenen. En, vooral, waarom ze zich altijd zo naar mijn vader heeft gevoegd.’

Verwijtende vragen.

‘Zeker. Het werd ook een uitermate onplezierig gesprek. Mijn moeder probeerde steeds te ontwijken. Liet ze een foto zien: ‘Kijk, zo’n snor had Klaas ook.’ Schoof ze met haar stoel. ‘Hé kijk, je havo-diploma!’ Maar ik had besloten: dit gaan we nu eens een keer niet doen, even geen smalltalk. Nu denk ik: jezus christus, stel dat mijn zoon ooit tegenover me gaat zitten en vraagt wat ik nou eigenlijk van mijn leven heb gebakken, dan zou ik daar kapot van zijn. Maar ik had daar bij mijn moeder geen oog voor. Ik dacht: jullie hebben in jullie leven geen seconde om mij gedacht. Jullie hebben mij gewoon opzij gezet, toen ik niet van honkbal bleek te houden, zoals de rest van het gezin. Ik was raar omdat ik boeken las, werd geminacht. Ik heb lang m’n best gedaan om met ze mee te rommelen, om gezellig te doen op verjaardagen, maar op een gegeven moment was het op. Gewoon op.’

Na het onplezierige gesprek met je moeder ging je naar huis. De volgende dag belde je broer: je moeder had die nacht een beroerte gehad en acht uur in haar eentje naast haar bed gelegen. Voelde je je schuldig?

‘Heel erg. Het zou kunnen dat zij in haar bed heeft liggen malen, dat ze onrustiger was dan anders. Ze is naar een verzorgingshuis gebracht. Die avond van dat onplezierige gesprek was dus haar laatste avond thuis. Ook weer iets wat ik me pas tijdens het schrijven realiseerde.’

Je voelt je snel bekeken, vindt het al genant om je slaapkamer aan mensen te laten zien, want ‘dan zien ze je toch min of meer neuken’. Je loopt, sinds je bekendheid, over straat ‘als een schichtig hert’. Maar je schrijft wel zo’n persoonlijk boek. Hoe zit dat?

‘Heel raar. Dat geef ik meteen toe. Bij DWDD heb ik een bijzondere plek, ook fysiek, op een verhoging. Iedereen moet naar me luisteren, niemand kan wat terugzeggen. Dat heb ik op een of andere manier toch voor mezelf geregeld. Kun je allerlei theorieën op loslaten. Uiteindelijk, dat is de kern, heb ik een grote behoefte om gezien en gehoord te worden. Zoals mijn vader die behoefte ook had.’

Aan het eind van je gedichten trek je altijd een bepaald gezicht. Een verwaand gezicht, vinden veel kijkers. Maar jij schrijft: ‘Ik zoek mijn vader. Of hij het heeft gezien.’

‘Ik doe dat onbewust, maar zo is het. Twee dagen geleden las ik voor in een buurtcentrum. Daar gebeurde wat al honderden keren is gebeurd: als ik binnenkom, zie ik dat ze doodsbang zijn. Ik lees voor, beetje gitaarspelen, ouwehoeren. Daarna staan ze in de rij om me te vertellen wat een ongelooflijke klootzak ze dachten dat ik was. ‘Als u gaat dichten bij DWDD, ga ik altijd koffie zetten, maar u valt nu erg mee.’ Moet ik dan bedankt zeggen? Tegelijkertijd schrik ik er ook wel een beetje van, want ik wil dat iedereen me een aardige jongen vindt.’

Heb je ooit geprobeerd na het dichten een ander hoofd te trekken?

‘Lukt me niet. Ik kan me van alles voornemen, ook met dit interview, om van alles wel of juist niet te zeggen, maar dat lukt me niet. Ik kán dat gewoon niet. Net zoals met die twee boeken, eigenlijk. Ik had er zelf weinig controle over. Zodat ik na een maand dacht: benieuwd wat ik eigenlijk heb geschreven. En daar dan ook echt van schrok.’

Beeld Eva Roefs

Ergens is het vreemd dat je je tia’s eerst krampachtig probeert te verbergen voor de buitenwereld, en er nu een boek over schrijft.

‘Bij mij verloopt de communicatie over de echt essentiële dingen via mijn teksten. Een heleboel mensen die mij kennen, gaan dit boek straks lezen en denken: what the fuck? Laatst ging ik samen met mijn dochter naar een huurhuis kijken. Stonden we met 32 mensen in zo’n woonkamer. Ik weet dan niet wat ik daar moet doen, dus ik ga naar buiten. Ik zeg verder weinig. De volgende dag leest mijn dochter in mijn column in de Volkskrant dat ik aan mijn vader heb staan denken, die in zo’n situatie met zijn vinger tegen het hout in de kozijnen was gaan duwen. Dat ik niks van kozijnen weet, en wel alles over Cees Buddingh’, maar dat mijn dochter daar natuurlijk geen reet aan heeft.’

Je maakt je na die tia’s vooral zorgen over het feit dat je misschien een DWDD-uitzending gaat missen. Waarom zou dat zo erg zijn geweest?

‘Wat het vooral schrijnend maakt, dat ik een ontzettende pleurishekel heb aan mensen voor wie hun kunst, hun vak, boven werkelijk alles gaat. Het is een pijnlijke constatering dat ik zelf zo was geworden. Dus ik ben én net als mijn vader, zonder dat ik het in de gaten had, én ik ben een egocentrische workaholic. Ik kon alleen maar denken: als ik maar bij DWDD zit en mijn column kan schrijven – wat ik nog nooit heb overgeslagen, ook niet tijdens vakanties – is er niks aan de hand. Dan ben ik gezond.’

Ondertussen zit je daar in de uitzending met het idee: als ik maar niet met mijn hoofd op mijn schrijfblokje land.

‘Maar als ik daar in die tijd niet gewoon was gaan zitten, was ik altijd bang gebleven. Dan was het, dat denk ik echt, nooit meer goed gekomen.’

Ben je in levensgevaar geweest?

‘Na een boekpresentatie van Wilfried de Jong, in april drie jaar geleden, kreeg ik wat ze een stuttering stroke noemen, waarbij de uitvalsverschijnselen soms even weg zijn en dan weer terugkomen. Zelfs tijdens die stuttering stroke probeerde ik nog de schijn op te houden. Het gaat wel hoor, jongens! Terwijl ik dezelfde avond nog door de brandweer uit huis getild moest worden. In het ziekenhuis vroeg de dokter of ik mijn tanden op elkaar kon zetten. Lukte niet. Ze spoten iets door mijn aderen, noem het een soort ontstopper, en als dat niet had gewerkt dan was het einde verhaal geweest, of was ik zwaar verlamd geworden. Maar het werkte wel en een uurtje later zaten we weer thuis.’

Wat was de oorzaak?

‘Toeval. Toevallig heb ik ongeveer hetzelfde als mijn moeder had. Bij mij komt het door een vernauwde ader achter in mijn nek. Ik slik bloedverdunners en ben gezonder gaan leven. Ik at eerst veel gehaktstaven, dat doe ik niet meer. Ik ben 13 kilo afgevallen.’

Je wil in het ziekenhuis een eigen kamer, want je bent ‘van de televisie’, je hebt geen zin om herkend te worden en je moet een column schrijven.

‘Dat heeft niet eens zoveel met mijn bekendheid te maken. Een veel belangrijkere angst, op dat moment, is dat een vrouw in het bed naast me over haar vakantie gaat vertellen en ik daarnaar moet luisteren. Ik kan gewoon niet tegen andere mensen. Ik kan ook niet in de rij staan. Ik nam me voor tijdens een vakantie met mijn dochter naar een aquarium in Lissabon te gaan, maar ik hield het in de rij nog geen tien minuten vol, want ik zag iemand voordringen. Ik begon te schelden, de sfeer was verpest. Ook al neem ik me voor me niet te ergeren, uiteindelijk escaleert zoiets dan toch.’

Zijn er dingen die je sinds je tia’s niet meer durft?

‘Ik durfde een tijdlang niet meer op vakantie, omdat ik met Tanja in Frankrijk twee tia’s had gekregen. Als we op vakantie zouden gaan, zou het weer helemaal misgaan, en dat zou dan mijn schuld zijn. Daar heb ik uiteindelijk EMDR voor gevolgd, een traumatherapie. Ik kon niet eens over vakanties práten. Ik zat alleen maar te denken aan of er wel ziekenhuizen in de buurt waren, voor als het mis zou gaan. En wat voor ziekenhuizen. Want ik wil liever dood dan in een Frans streekziekenhuis terechtkomen. Mijn angst was: ik zal Tanja’s vakantie weer verkloten, met m’n gedoe. Maar wat mij nog het meest emotioneerde was het besef dat het nooit meer zo zorgeloos zou worden als het was. Ik ben deze week voor het eerst weer in m’n eentje met de trein gegaan. Maar vliegen durf ik nog steeds niet. Ik weet niet hoe Jan Mulder daarmee omgaat, maar ik ga niet drie uur in een vliegtuig zitten. Je zal zo’n tia krijgen, net na je bent opgestegen.’

Je kreeg niet alleen tia’s, maar ook paniekaanvallen.

‘Mijn eerste paniekaanval kreeg ik op het podium in Heerhugowaard, tijdens een voorstelling met mijn band. Ik was helemaal in mijn element, dacht totáál niet aan mijn tia’s. En ineens, ik zat middenin een imitatie van Rick de Leeuw, ging ik volkomen op slot. Ik hoorde mijn eigen stem alsof ik op 100 meter afstand in een koperen hoorn aan het toeteren was. Het was vlak voor de pauze, ik ben met hulp van de jongens van het podium af gekomen. Even later was het over. De voorstelling heb ik uitgespeeld, maar alle bravoure was weg. Tanja zei: ‘Volgens mij was dat geen tia, maar een paniekaanval.’ Ze had gelijk. En dat was troostend, op een bepaalde manier. Want paniekaanvallen gaan weer over.’

Gaat naar de wc, komt terug, zet koffie. ‘Weet je: met dit boek wil ik iets rechtzetten, rekenschap afleggen. Zie het als een publieke boetedoening. Met dit boek zeg ik eigenlijk: ik deug voor geen meter. Mijn vrienden zeggen dat ik niet zo moet overdrijven, dat ik eigenlijk best een aardige jongen ben. Nee, vind ik dus niet. Ik kan het niet eens opbrengen om voor mijn dochter even in die rij te blijven staan bij zo’n aquarium. Ik probeer een boek over mijn moeder te schrijven, en uiteindelijk gaat het weer helemaal over mij. Het is allemaal niet fraai.’

Vind je het jammer dat je moeder haar eerbetoon niet heeft gekregen?

‘Ja, dat vind ik heel erg. Toen mijn vader op sterven lag, besloten mijn broers en ik dat we mijn moeder, die in een ander verzorgingshuis woonde dan mijn vader, nog één keer naar hem toe zouden brengen. Ze hebben elkaar dan maanden niet gezien. Mij leek het in eerste instantie geen goed idee, want mijn vader was er slecht aan toe. Maar dat leek zij, tot mijn totale verbazing, helemaal niet te zien, voor haar was het gewoon haar man. Ik schrok er ontzettend van hoe lief ze op hem reageerde. O jezus, ze gaat hem aanraken, die zak botten! Het was een waanzinnig moment, en tegelijkertijd pijnlijk, omdat ik dat zo verkeerd had ingeschat. Ik moest zelf ziek worden om het allemaal scherp te kunnen zien. Mijn moeder had ook tia’s, maar ik ging nauwelijks langs. Hoewel ze bang moet zijn geweest, zoals ik ook bang was. Ik ben zo egoïstisch en zelfzuchtig geweest. Maar ik kan nu zeggen dat ik een aantal dingen beter doe dan een paar jaar geleden.’

Wat dan?

‘Echt práten met mijn zoon en dochter. Ik doe mijn best, met vrienden, om niet de hele tijd over mezelf te kwekken. Als ik op een verjaardag ben, en er zijn twaalf mensen, wil ik van minstens acht mensen weten wat ze voor werk doen en waar ze gelukkig van worden. En als ik het weer voel opkomen, dat ik wil inhaken met een leuke anekdote over mezelf, probeer ik me in te houden. Het begon als iets geforceerds, inmiddels voelt het natuurlijker. Ik hoop dat ik nu word ervaren als iemand met wie je fijn kunt praten. Ik denk het eigenlijk wel.’

Nico Dijkshoorn, Ooit gelukkig. Pluim, 220 pag., € 21,99.

Nicolaas (Nico) Dijkshoorn

Geboren: 15 mei 1960 in Amsterdam

Opleiding: lerarenopleiding Nederlands en aardrijkskunde

1986-2004: Medewerker bibliotheek Amstelveen, eerst als vervangende dienstplicht, later als vaste baan

2001-2003: Columnist Veronica

2004-2007: Tekstschrijver Café de Wereld

2004-2008: Columnist Geenstijl

2006-heden: Columnist de Volkskrant

2007-heden: Tekstschrijver Draadstaal

2008: Dichtbundel Daar schrik je toch van

2009: Roman De tranen van Kuif den Dolder

2008-heden: Schrijver Hard Gras

2009-heden: Columnist Voetbal International

2009-heden: Huisdichter De Wereld Draait Door

2012: Roman Nooit ziek geweest

2012: Boekenweekessay Verder alles goed

2014: Roman In zijn nabijheid

2015: Solovoorstelling Vuig

2019: Roman Ooit gelukkig

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.