Zin van het leven Etchica Voorn, talentcoach en schrijver

‘In mij huist de gedachte: ik hoor er niet bij’

Etchica Voorn Beeld Jitske Schols

Het bloed van twee culturen vloeit door haar aderen. Dubbelbloed, noemt Etchica Voorn het. Het verrijkt haar leven, vertelt ze Fokke Obbema, maar dat ging niet vanzelf.

‘Ik heb nooit over mijn ouders gesproken als mijn witte moeder en mijn zwarte vader. Ik zei altijd: mijn moeder komt uit Groningen, mijn vader uit Paramaribo.’ Etchica Voorn groeit in de jaren zestig op in het Noord-Hollandse Uithoorn, in een gezin met drie kinderen. Aan het huwelijk van haar ouders komt al snel een eind, waarna haar moeder de opvoeding alleen op zich neemt. Zij houdt haar dochter voor dat huidskleur er niet toe doet: ‘‘Je bent helemaal goed zoals je bent’, was haar mantra.’

In de praktijk ervaart de jonge ­Etchica dat kleur voor anderen wel telt. Haar opa noemt zijn kleinkinderen ‘zwartjes’, zijn Drentse dorps­genoten begluren Etchica en haar zusje vanachter de gordijnen. Spelend bij een vriendinnetje moet ze onder een bed kruipen, omdat de vader van het meisje niet van ‘buitenlanders’ houdt. Op de markt rent ze een keer voor haar leven, wanneer een Afrikaanse man haar van haar moeder wil kopen.

Als twintiger ontdekt ze als inter­cedent bij een uitzendbureau dat ze een groot commercieel talent heeft: ‘Ik trapte iedere deur in, onze vestiging deed het qua omzet veruit het best.’ Ze brengt een stroom Ghanese arbeidskrachten naar tuinbouw­bedrijven op gang. ‘Door mijn tijd op de Middelbare Tuinbouwschool kende ik de mores van kwekers goed.’ Het vaak openlijke racisme bestrijdt ze handig. ‘‘We willen wel handjes, maar geen zwartjes’, kreeg ik nogal eens door de telefoon te horen. Dan kwam ik langs, zagen ze me en schaamden zich dood. In de Bijlmer ging het als een lopend vuur dat je voor werk bij ons moest zijn.’

Met haar eerste man krijgt ze in 1993 haar enige kind, zoon Ruben, waarna haar huwelijk nog twee jaar standhoudt. Kort na de scheiding overlijdt haar vader. Dat leidt tot intensiever contact met diens familie en een eerste bezoek aan Suriname. ‘Tot dan toe was mijn vriendenkring vrijwel uitsluitend wit.’ In 1998 ontmoet ze marktkoopman Ko, ‘de liefde van mijn leven’. Kort daarna stapt haar zusje uit het leven: ‘Ik werd helemaal gek en dacht: dat overleeft onze relatie niet.’ Maar Ko blijft.

In 2004 beleeft ze een ‘life changing event’ in de vorm van een ‘inspiratieweek’ bij een trainingsbureau, Pulsar: ‘Ik begon te leren over zingeving: aanvaarden, verlangen, hoop, vertrouwen, overgave en liefde. Ik leerde inzien wat mijn talent is en kwam erachter wat ik eigenlijk wil.’ Het vormt de aanzet tot het schrijven van Dubbelbloed, waarin ze openhartig vertelt over haar leven met een Nederlandse en Surinaamse achtergrond. Het wordt met de Opzij Literatuurprijs 2018 bekroond. Dat smaakt naar meer, dus heeft de inmiddels 56-jarige talentcoach haar bedrijf op een laag pitje gezet om zich aan een vervolg te wijden. In Egmond aan Zee zit ze op een straf schrijfregime, voorafgegaan door meditatie: ‘Een onmisbare factor in mijn leven. Het herinnert me eraan wie ik ben en het scherpt me het leven bewust aan te gaan.’

Wat is de zin van ons leven?

‘Dat is een mooie vraag, maar het voelt hoogmoedig antwoord te geven. Ik kan hooguit zeggen wat de zin van mijn leven is. Op de kleine postzegel waarop ik leef, probeer ik betekenis te geven. Dat kan alleen in relatie tot de ander. Om dat te doen is vooral bewustzijn nodig. Daarmee kan ik de ander dichter naderen, raken. Nabijheid is wat mijn leven zin geeft.’

Lukt dat?

‘Lang niet altijd. Mensen denken vaak dat ik een communicatief sterke, krachtige vrouw ben. Dat is ten dele waar. Ik verlang naar nabijheid, maar kan ook afstandelijk en koel zijn, ook al zou je dat niet zeggen. Het leven ervaar ik als een golfbeweging, waarin je soms in het licht zit, soms in de schaduw. Voor mijn omgeving is de schaduw geen goed nieuws. Echte ­nabijheid is dan niet mogelijk. Je bent de ander fysiek wel nabij, maar de afstand voelt dan groot. Daar kan ik soms wel verdrietig over zijn.

‘Ik zie het leven als een hoop gestuntel. Je hebt mensen in je serie die de indruk wekken, echt te weten hoe het leven in elkaar zit. ‘Wat moet ik daarnaast?’, vroeg ik me dan af. Diep van binnen heb ik een steenpuist, het gevoel dat ik niet goed genoeg ben. Maar ik ben wel een lerende stuntelaar.’

Heeft u een voorbeeld?

‘Laatst schreef ik in een Opzij-column over een etentje bij een vriendin. Ik had niemand herkenbaar opgevoerd, maar zij zou wel de personen herkennen. Dan vind ik het echt moeilijk haar van die column te vertellen. Dat heeft te maken met mijn angst mensen kwijt te raken, me te vervreemden van een groep. Daaronder zit een stokoud monster, de gedachte: ‘Je hoort er eigenlijk niet bij.’ In zo’n ­geval kan ik dus leren door me van dat monster bewust te zijn. Dan ben ik zelf het instrument dat me krachtiger maakt. Dat is een proces van vallen en opstaan, het is het ontvouwen van mijn ziel.’

Wat is de ziel voor u?

‘Het is een stem waar ik naar kan luisteren. Ik heb een aantal keren in mijn leven gehad dat ik opeens een zinnetje hoor. ‘Ik stop’, viel me bijvoorbeeld op een Oostenrijkse berg binnen, toen ik met mijn zoon voor het eerst aan het skiën was. Dat ging over een bedrijf dat ik op dat moment had. Later komen rationele twijfels, maar op dat moment komt die inval vanuit de diepte in een keer boven. Daar zit niets tussen. Het geeft een richting waar je niet onderuit komt. Het scheiden van mijn eerste man begon ook met dat zinnetje. De bron waar dat diepe weten uit komt, is mijn ziel. Die zie ik als een lijntje met het universum. Er zijn mensen die dat God noemen, maar dat is voor mij te veel met dogma en mannelijkheid verbonden.’

Valt de ziel dan niet samen met intuïtie?

‘Intuïtie is ook iets moois onverklaarbaars en een lijntje met een hoger iets, maar de ziel gaat voor mij dieper. Die gaat over generaties heen en is verbonden met mijn voorouders. Dankzij hen ben ik hier. Ook al heb je ze niet gekend, ze hebben een bijdrage geleverd. Het is echt niet zo dat jij op je postzegeltje het allemaal aan het uitvinden bent en je voorouders er niets mee te maken ­hebben, dat gaat er bij mij niet in. Het is een onbevattelijk iets, maar ik geloof in een wijsheid die over generaties heen gaat.’

Leestip

Homegoing van Yaa ­Gyasi raakte me diep, omdat het zo’n herkenbaar verhaal vertelt – dat van nergens echt bij horen, maar toch altijd verbinding zoeken. De hoofdpersonen zijn van onze tijd, maar het boek gaat terug tot de slavernij in de 18de eeuw. Het laat mooi en overtuigend zien hoe gebeurtenissen die je voorouders destijds hebben meegemaakt van invloed kunnen zijn op je leven nu.’ 

Komt die kijk voort uit uw Surinaamse achtergrond?

‘Als het daar vandaan komt, vat ik dat op als een groot compliment. In Suriname is het inderdaad veel gewoner te leven met je voorouders en met het besef dat we op hen voortbouwen. Ik ben er door mijn boek achter gekomen dat ik altijd Surinaamser ben geweest dan ikzelf wist.’

Is Dubbelbloed een poging tot de nabijheid die aan uw leven zin geeft?

‘Mijn boek gaat over identiteit en daarmee ook over nabijheid. Met identiteit weet je je geborgen bij je ­familie of bij een groep en dat helpt je nabij te zijn. Zo heeft het boek ook gewerkt – veel mensen met dubbelbloed herkennen zich erin. Maar ik ben er ook mensen door aan het kwijtraken. Die merken dat ze iets moeten opgeven van hun perceptie van kleur, maar willen dat niet. Het is niet dat ze racistisch zijn, het is eerder: niet bewust.

‘De reactie die ik vaak krijg is: ‘Ja, maar dat bedoel ik niet zo.’ Of ze leggen me uit dat een woord als ‘negerin’ kan door te verwijzen naar de etymologie. De bereidheid om je aan te passen, omdat je merkt dat je iemand pijn doet, maak ik weinig mee. Veel vaker krijg ik een uitleg waarom bepaalde woorden en uitdrukkingen toch moeten kunnen.’

Uw moeder wilde dat uw huidskleur niet belangrijk was. Had zij ongelijk?

‘Ik snap haar intentie heel goed, die is spatzuiver. En ik heb haar standpunt ook lang gedeeld. Maar het probleem ermee is dat je dan ook iets mist. Want mijn kleur is verbonden met de Surinaamse cultuur. Die doet dan helemaal niet mee. Je wordt dus maar ten dele gezien. Dan kun je niet echt nabij zijn’.

Hoe ziet u in het licht van uw ­thema, nabijheid, de dood?

‘Je weet dat het morgen afgelopen kan zijn, maar toch onderneem je niet altijd de actie om bruggen te slaan. Ik heb bijvoorbeeld nog allerlei vragen aan mijn moeder. Die is nu 77 jaar, even oud als haar eigen moeder toen die overleed. Toch is het niet zo gemakkelijk zomaar op haar af te stappen. Je kunt dat wijten aan dat je het druk hebt, maar dat vind ik te gemakkelijk. Ik ben me bewust van het belang van het stellen van die vragen, toch doe ik het niet. Wat is dat? Dat heeft te maken met die schaduw, waar ik het eerder over had. En het zijn natuurlijk niet de gemakkelijkste gesprekken.’

‘Bij de dood denk ik verder vooral aan wat die aanricht bij de achterblijvers. Mijn zus heeft op haar 36ste zichzelf van het leven beroofd, negentien jaar geleden. Dat was een regelrechte ramp. Het was alsof er een trein over mee heen en weer was gereden. Ik moest het destijds aan mijn moeder vertellen, ik voelde hoe ze letterlijk bevroor van verdriet op het moment dat ik haar vasthield. Toch kan ik niet zeggen dat we in het verdriet elkaar meer nabij zijn gaan voelen. Pas vijftien jaar later konden mijn moeder, mijn broer en ik erover praten hoe we destijds het nieuws tot ons kregen. Vijftien jaar! Praten daarover voelt alsof je je vel opentrekt en met je vinger over de wond heen en weer gaat.’

Hoe kijkt u aan tegen uw eigen dood?

‘Ik denk daar vaak aan. Dit jaar zijn me al zes geliefde mensen ontvallen. Ik ben 56 jaar, dat is een leeftijd die je niet vanzelfsprekend haalt, weet ik inmiddels. Ik zie de dood als een motor en motivatie om nu dingen tot stand te brengen – ik besef hoe waardevol het nu is. Verder hoop ik vooral dat ik in volle glorie kan gaan, dat wil zeggen waardig. Verlost van spijt, van gedachten over niet goed genoeg zijn of het niet goed gedaan hebben. Als die draak van het tekortschieten opkomt, voel ik nu diep van binnen dat het niet klopt. Ik hoop dat ik die overtuiging ook dan voel.’

Zin van het leven

Journalist Fokke Obbema kreeg op 1 april 2017 een hartstilstand. In een reeks interviews gaat hij op zoek naar de zin van ons leven. Lees hier eerdere verhalen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden