Dwars door de woestijn naar Bamako, Mali, 35 jaar geleden.

Mijn zomer van toen Jaap Stam in Bamako

In Mali op zoek naar onze woestijnkameel, een Peugeot 504

Dwars door de woestijn naar Bamako, Mali, 35 jaar geleden.

In 1984 reed redacteur Jaap Stam samen met een vriend dwars door de Sahara naar Mali om er hun Peugeot 504 te verkopen. In de hoofdstad Bamako rijdt dit model ook tegenwoordig nog sporadisch rond. De vrienden gaan 35 jaar later op zoek naar hun oude 504 die nog steeds als taxi zou kunnen rondrijden. 

Onderweg drukte een enkel geplunderd autowrak ons met de neus op de feiten: we waren bezig aan een barre tocht. Eten deden we nauwelijks, vier lepels wittebonenschotel uit blik was al voldoende. We dronken vooral water, liters per dag. Slapen deden we in de auto of buiten. Soms zagen we een Toeareg op een kameel. Verder was er in geen velden of wegen leven te bespeuren. Waar kwam hij vandaan, waar ging hij heen in deze godvergeten, grote, kale vlakte? Waar leefde hij van?

Met studievriend Baud Schoenmaeckers reed ik 35 jaar geleden in een Peugeot 504 break dwars door de Sahara van Amsterdam naar Bamako, de hoofdstad van Mali. Daar verkochten we de auto, die we speciaal voor dit doel hadden gekocht. Baud (uit te spreken als Boot, het is een verkorting van Baudouin) boekte onmiddellijk een retourtje Bamako toen hij hoorde dat ik voor dit zomermagazine op zoek ging naar onze Peugeot. Kon hij meteen aan de universiteit daar een presentatie geven over een cursus ondernemerschap voor afgestudeerden, die hij namens een Afrikaanse vriend promoot. Het is een nieuwe activiteit van deze duizendpoot uit Haarlem.

We hadden elkaar leren kennen in 1982 bij onze eerste werkgroep politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Beiden waren we na de middelbare school meteen gaan werken, Baud als timmerman, ik als journalist, en beiden gingen we op latere leeftijd studeren, Baud was 23, ik 26. We hadden allebei Afrika-ervaring; Baud was het jaar ervoor met zeven man in twee auto’s door de Sahara gereden, die ze hadden verkocht in Cotonou, de hoofdstad van Benin. Ik had negen maanden met mijn vriendin door Oost-Afrika gereisd.

Afrika en avontuur bleven lokken en toen we genoeg tentamens hadden gehaald om onze riante studiebeurzen voor­lopig veilig te stellen (we zijn de toenmalige onderwijsminister Deetman nog dankbaar), besloten we een maand of vier, vijf naar West-Afrika te gaan. De reis – die later de basis bleek te hebben gelegd voor een levenslange vriendschap – zouden we deels bekostigen met de winst die we dachten te maken met de verkoop van de auto. Dat zou trouwens vies tegenvallen, maar daarover later.

Er zijn twee karavaanroutes door de Sahara, Baud had die via Tamanrasset gereden, de ‘eenvoudige’ route. Die langs Gao en Timboektoe is lastiger. Het grootste gedeelte van de Sahara mag dan bestaan uit gesteente en grind, de lastiger ‘zandbakroute’ betekende geregeld ploegen door rul zand. Maar ja, Baud had de eenvoudige al een keer gereden. Dus we namen de avontuurlijkere route naar Bamako via Timboektoe.

Ouders en beider vriendinnen zagen geen gevaar, het spaarzame contact tijdens de reis namen ze voor lief. Bellen konden we alleen op een postkantoor in een grote stad, maar de verbindingen waren slecht. Brieven van het thuisfront bereikten ons via het loket poste restante van een hoofdpostkantoor op de route. Bauds moeder had ons een hangertje van Sint-Christoffel meegegeven, de beschermheilige van reizigers. We zouden hem hard nodig hebben. Bungelend aan de binnenspiegel heeft die ons in de woestijn vast behoedt voor pech en erger.

De witte Peugeot 504 break onderweg in Algerije.

In Nederland hadden we voor 2.450 gulden een zeven jaar oude, witte Peugeot 504 break in goede staat gevonden. Baud had ooit een cursus autotechniek voor buiten de ­gebaande paden gevolgd en bracht de noodzakelijke aan­passingen aan. Een stalen plaat onder het motorblok moest opspattend grind weren. Ook reserveonderdelen gingen mee: contactpuntjes, verdeelkap, bougiekabels, schokbrekers, een voorruit en enkele mechanische onderdelen.

Verder drie legerjerrycans van 25 liter voor benzine, twee plastic 25-liter-jerrycans voor water, chloorpillen om het water te ontsmetten en blikvoer. En ijzerdraad, veel rollen ijzerdraad. Nagenoeg alles, zelfs onderdelen van het motorblok van de 504, valt te repareren of vast te zetten met stevig aangedraaid ijzerdraad. Baud dankt er zijn bijnaam Phil IJzerdraad aan, een personage uit de strips van Lucky Luke.

Tot 2012 gold Mali als een oase van democratie en stabiliteit in onrustig Afrika. In dat jaar veroverde een coalitie van Toeareg-rebellen en moslimextremisten grote delen van Noord-Mali. In Timboektoe en andere steden voerden ze de sharia in. Ze verboden voetbal en alcohol, hakten handen af van dieven en vernietigden cultureel erfgoed. Toen de jihadisten oprukten naar Bamako greep de voormalige kolonisator Frankrijk in op verzoek van de machteloze Malinese regering.

Het Franse leger heeft het noorden van Mali bevrijd, maar de extremisten zijn niet verdreven. Milities, al dan niet gelieerd aan de terreurorganisaties Al-Qaida en IS, strijden om de macht, waarbij etnische conflicten oplaaien. Ze plegen aanslagen, vermoorden dorpelingen, ontvoeren toeristen en trekken plunderend rond. Onze vriendinnen (inmiddels onze echtgenotes) lieten ons deze keer met een minder gerust hart gaan.

Waar we toen een kleine drie weken over deden, inclusief vier rustdagen in het Malinese woestijnstadje Gao, kost ons nu veertien uur met tussenstops in Istanbul en Niamey, de hoofdstad van Niger. Een omweg, maar het is de goedkoopste vlucht. Tot onze verbazing zit de Boeing 737 van Turkish Airlines bijna vol als we opstijgen in Niamey. Met twee ­anderen zijn wij de enige westerlingen. De man van het ­visumbureau op de Zuidas in Amsterdam had niet voor niks verwonderd opgekeken. Een toeristenvisum voor Mali? Het was lang geleden dat hij dat verzoek had gekregen.

35 jaar eerder hield het asfalt op in Reggane in Algerije, hier moesten we benzine inslaan voor 1.317 kilometer onverharde piste. De eerstvolgende pomp was in Gao in Mali, vandaar was het nog een dag naar Timboektoe. We vormden een konvooi met drie Algerijnen die op reis waren naar Gao en die we toevallig waren tegengekomen in Reggane.

Een van hen, Kadur, was vrachtwagenchauffeur die de weg wist in de Sahara. Gps bestond niet, de pistebewegwijzering was niet meer dan uit de kluiten gewassen betonnen pylonen die om de tien kilometer aangaven hoever het nog was naar de volgende plaats, maar dan moest je wel weten hoe de piste liep – Kadur had er genoeg aan. De ­Algerijnen reden in een Renault 6. Op moeilijke stukken wisselde Kadur van auto en nam hij het stuur van ons over.

Op de tweede dag dat we in konvooi reden kwam de Renault 6, bestuurd door een kornuit van Kadur, vast te ­zitten in het zand. Zelf was Kadur op onze bijrijdersstoel in slaap gedommeld. Wij draaiden de piste af en probeerden bij de R6 te komen. Dat lukte niet. Te voet verder, de auto los­geduwd en de weg kwijtgeraakt. Waar waren we vandaan gekomen? Kadur vloekte. Nooit van de piste af en nooit keren zijn vuistregels in de woestijn. Na een half uur doken koplampen op, andere Algerijnen die we aan de grens hadden ontmoet. Zij zetten ons op het juiste spoor, waarna we onze matjes uitrolden en gingen ­slapen.

Pas veel later drong tot ons door dat we ons al die dagen hadden overgeleverd aan volslagen onbekenden. Wat als onze drie reisgezellen ons hadden beroofd en berooid hadden achtergelaten in de woestijn?

We zitten vast en krijgen hulp van Algerijnen met wie we in konvooi door de Sahara trekken.

Timboektoe, de oude karavaanstad die door de verhalen in de Donald Duck symbool staat voor het einde van de wereld, bleek onbereikbaar. Het karrespoor ernaartoe was ­onbegaanbaar, alleen fourwheeldrives zouden het redden. Dus reden we via Mopti, waar we weer asfalt onder de banden kregen, naar Bamako, de hoofdstad en grootste stad van Mali. 

Een van de eerste dingen die we op onze ­bestemming te doen hadden, was de verkoop van onze trouwe 504. Dat bleek een spel waarin de Malinezen beter thuis waren dan wij. Handelaren en tussenhan­delaren wisten dat wij niet met de auto naar huis zouden ­terugkeren en hielden ons aan het lijntje. Uiteindelijk ­verkochten we hem, inclusief alle jerrycans en reserveonderdelen voor 550 duizend Malinese francs, 2.200 gulden, minder dan de 2.450 gulden waarvoor we hem hadden ­gekocht. Niettemin een kapitaal bedrag in Mali, de 504 wordt er niet voor niks Mon papa était riche genoemd; mijn vader was rijk.

De koper was een imposante man in een lang, lichtblauw gewaad met wie we langs drie kleine huizen in de omgeving van Bamako reden, waar hij telkens zwaaiend met bundels bankbiljetten uitkwam. Nadat we het geld hadden geteld en het contract hadden ondertekend, reden we terug naar de stad. De nieuwe eigenaar nam het stuur over en reed weg. Het stemde melancholisch, onze reisgezel te zien verdwijnen. In de zes weken die we ‘Peug’ hebben gehad, waren we gehecht geraakt aan hem.

Wegversperringen bij het vliegveld zijn 35 jaar later het eerste signaal dat we in een ander Bamako zijn beland. De stad is overvol, mede door vluchtelingen uit het noorden. Ze schuilen bij familieleden die zelf het hoofd amper boven water kunnen houden. Op de zanderige wegen staat het ­verkeer muurvast in wolken stof en een blauwe walm van de dieselolie.

De armoede slaat ons harder in het gezicht dan toen. Het knusse van Bamako is verdwenen. Waar zijn de moeders die op elke straathoek brochettes roosterden en frieten bakten die ze per stuk verkochten? Nieuw zijn de kinderen die zakjes water verkopen bij de verkeerslichten. Door de open ramen van auto’s duwen ze de zakjes direct naar binnen.

In de tuin van Taxi Bamako, een toepasselijke naam voor een hotelletje met maar drie slaapkamers waar wij verblijven, staat een kunstwerk dat allerhande afgedankt materiaal een tweede leven heeft gegeven. Een gerafeld T-shirt met de tekst ‘Back to Bamako’ is erin verwerkt. Het lijkt wel een welkom aan ons, twee oude bekenden. Het zijn doorgaans zakenmensen en ontwikkelingswerkers die hier verblijven, twee toeristen zijn een uitzondering.

Het hotel wordt gerund door Loes Kuijpers (48) uit het ­Brabantse Someren. De naam Taxi Bamako schreeuwt om uitleg. Loes heeft geen rijbewijs, en als zij vroeger met haar vriend naar Rotterdam ging, zei hij: ‘Taxi Rotterdam staat klaar.’ Of ‘Taxi Eindhoven’ als ze naar Eindhoven gingen. Vijf jaar geleden vertrokken zij met een VW-busje naar ­Bamako en begonnen ze het hotel, vandaar de naam. Sinds haar vriend is teruggekeerd naar Nederland, bestiert Loes het hotel alleen.

Tegenover Taxi Bamako sleutelen mannen in de buitenlucht aan auto’s. Er staat niet één Peugeot tussen. ‘We zoeken een witte 504 break’, zeggen we. Een van de sleutelaars kijkt vreemd op, somt een aantal types op die Peugeot heeft gemaakt – le 604, le 405, le 406, le 3008 – en vraagt waarom we in godsnaam op zoek zijn naar een oude 504. Als we de reden noemen, schiet hij in de lach. Hij zou niet raar opkijken als onze Peugeot nog in Bamako rijdt.

De Peugeot na een dag Sahara.

Voor Peugeots 504 moeten we op Place de Kati zijn, horen we van Belco, de rechterhand van Loes. In de stad is de taximarkt overgestapt op de Mercedes 190D. Van Place de Kati vertrekken de broussetaxi’s, de plattelandsdeeltaxi’s, naar Kati, een stadje een half uur rijden verderop. Kati ligt op een heuvel, de route is ideaal terrein voor de 504 met zijn krachtige motor. Die is veel sterker dan die van vergelijkbare auto’s. Dat de 504 langzaam uit het straatbeeld van Bamako verdwijnt, komt doordat de carrosserie na vijftig jaar van ellende uit elkaar valt, met de motor is niks mis.

Het is een drukte van jewelste op de taxiplaats van Place de Kati. Overvolle stationwagens, pick-ups en busjes rijden af en aan. Uit een pick-up stappen tien vrouwen. Met hun handelswaar kun je een Nederlandse marktkraam vullen. Er staan twee witte Peugeots 504 break. Op ons verzoek diepen de taxichauffeurs hun groene kaart uit het dashboardkastje, zodat we kunnen zien van welk bouwjaar hun auto is. Ze zijn van 1968 en 1971, de onze was van 1977.

Het is in de drie dagen die we hebben haast onbegonnen werk. Wel biedt de speurtocht volop gespreksstof. De Malinezen die wij ontmoeten zijn vriendelijk en behulpzaam. Ze vragen waar we heen gaan en wijzen ons de weg. Als we een verkeerde winkel binnenlopen voor een telefoonkaart, halen ze iemand die ze wel verkoopt. 

‘Doe de groeten aan Ton Sijbrands. Hij is de bekendste Nederlander, iedereen in Mali kent hem’, zegt een man die zich voorstelt als Ibrahim Touré. Johan Cruijff is toch de bekendste Nederlander, werpen we tegen. Maar Touré laat zich niet uit het veld slaan. ‘Dat klopt, maar daarvoor was het Sijbrands.’ De damlegende heeft een onvergetelijke indruk gemaakt op Touré, zelf geen onverdienstelijk dammer, toen hij tijdens een simultaanwedstrijd in Bamako een valsspeler ontmaskerde. Die schoof een dam­steen op een gunstiger plek toen Sijbrands tien tafeltjes verderop stond. Eenmaal aan zet, legde Sijbrands de steen stoïcijns terug, schatert Touré.

Bordj Mokhtar, op de grens tussen Algerije en Mali, is nog 385 kilometer.

Op de laatste middag lopen we een Nederlander tegen het lijf die voor de Verenigde Naties werkt. Een vredesmissie van de VN, waaraan Nederlandse militairen tot mei van dit jaar een bijdrage hebben geleverd, helpt de regering van Mali het geweld te bestrijden. ‘Stoer’, reageert hij als hij hoort met welk doel we in Bamako zijn. ‘Als je hier niet per se moet zijn, kun je Mali maar beter mijden. Buiten Bamako moet je al helemaal niet komen, dan word je doodgeschoten.’

Op voorwaarde dat we zijn naam niet noemen, wil hij wel vertellen over de VN-missie. Met bijna tweehonderd doden is het de bloedigste missie van de VN. Hij spreekt van een oorlogsgebied, de situatie is ondanks de aanwezigheid van duizenden soldaten van Frankrijk en de VN alleen maar verslechterd.

Tijdens de ramadan is de dreiging van aanslagen nog groter, zegt hij, daarom is de VN’ers op het hart gedrukt zich nu niet te vertonen in westerse gelegenheden als The Sleeping Camel, Bar Bla Bla en Hotel l’Amitié. Uitgerekend daar hebben wij de afgelopen dagen poolshoogte genomen. ‘Als je dit opschrijft, denkt de lezer dat je een heel dikke duim hebt’, zegt Baud.

We keren na 35 jaar terug in het vijfsterrenhotel l’Amitié. In 1984 lazen we in de tuin van dit hotel in een Duitse krant dat in het noorden van Mali een hongersnood dreigde door de aanhoudende droogte. Ondertussen hielden de sproeiers het gazon rond het zwembad nat. 

Op de toegangsweg naar het hotel moet de taxi slalommen tussen betonblokken. Het hotel is een fort geworden, op de muur die het terrein omheint is het scheermesprikkeldraad in grote lussen uitgerold, mannen scheppen zand in hoge zakken die tegen de muur staan. Een soldaat met kogelwerend vest en een kalasjnikov staat voor de hoofdingang. In de uitgestorven eetzaal zijn alle twintig tafels gedekt, de glazen fonkelen, het bestek schittert, op twee tafels staat een bordje ‘reservé’. De tuin waar we toen zaten is verlaten, maar het gras is nog net zo prachtig groen als toen.

Aan de andere kant van het hotelspectrum, in de Mission Catholique, een van de goedkoopste slaapgelegenheden van de stad, zit de gastheer met een zorgelijke blik achter zijn bureau. Hij veert op als we vertellen dat we er 35 jaar geleden hebben gelogeerd. De jeugdherberg moet het hebben van de rugzaktoeristen. Sinds 2012 heeft de Mission amper nog klandizie. ‘Zone rouge’, zucht hij, doelend op het negatieve reisadvies dat landen afgeven voor Mali. Ook op de site van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken is het grootste deel van Mali roodgekleurd: niet reizen. Een klein deel is oranje: alleen noodzakelijke reizen. In dat deel ligt Bamako.

Tien dagen sliepen we in 1984 in de Mission Catholique. In een benauwde slaapzaal, de stapelbedden veerden amper, de muskietennetten hadden grote gaten. Avonturiers, gelukzoekers, fantasten en pechvogels waren er aangespoeld. Een Frans stelletje was er gestrand. Ze waren op weg naar Dakar in Senegal om een schip te bouwen waarmee ze de wereld wilden bevaren. Hij was geveld door dysenterie en een open beenwond waarin mieren zich hadden genesteld. Een Deen zat de hele dag op de wc, hij had amoebediarree.

Een Japanner joeg er de gasten de stuipen op het lijf met onverhoedse karatebewegingen. Hij bereidde zich voor op een tocht met twee kamelen door de Sahara van Mauretanië naar Ethiopië, van west naar oost, waar geen gebaande routes lopen. Hij ging op zoek naar een landgenoot van wie sinds 1975 niets meer was vernomen.

Het toerisme floreerde 35 jaar geleden en veel Malinezen pikten een graantje mee. ‘Krijgen we ons wisselgeld nog?’ ‘Morgen’, grijnsde de taxichauffeur en hij reed lachend weg. Toearegs spraken ons aan. ‘Pssst vriend, een goede prijs voor dit authentieke Toearegzwaard.’ Mogelijk een week eerder gesmeed van de stevige veerbladen van een Peugeot in tropenuitvoering.

Algerije.

In Restaurant Central bestelden we destijds kip met knoflook. Toen we de knoflook eraf hadden gelepeld, kwamen een karkas en twee afgekloven botjes tevoorschijn. De ober die we om opheldering vroegen legde geduldig uit dat een Malinese kip nu eenmaal niet vet was.

35 jaar later gidst Ali Ndjaye, van wie we een dag eerder een beeldje hebben gekocht, ons over de Grand Marché in het centrum van Bamako. Dat er twee westerlingen op de markt lopen is als een lopend vuurtje rondgegaan en hij heeft ons snel gevonden. Het was misschien toch niet zo’n goed idee om naar Bamako te gaan, flitst even door ons hoofd. We lopen wel erg in het zicht. Het krioelt van de mensen, het is benauwend druk.

Ali loodst ons probleemloos door de drukte. De marktgangers zijn vriendelijk, kijken hooguit verbaasd op. Kinderen komen bedelend achter ons aan. Ali regelt dat we kleingeld krijgen, zodat we ze iets kunnen geven. Het is 39 graden en de zon brandt onbarmhartig. We houden nog steeds onze ogen open voor witte 504’s. We pikken ze er zo uit tussen de handkarren en de brommers. De auto’s wringen zich door de massa. Uit de wijde omgeving komen moslims eten en kleren kopen voor het Suikerfeest, de ramadan is bijna afgelopen. Ons type 504 zien we niet; het zijn allemaal pick-ups. 

In 1984 zag je op de markt veel rugzaktoeristen. De westerlingen die in Bamako wonen, kwamen er destijds ook al niet, die stuurden iemand als ze iets nodig hadden. Uiteindelijk belanden wij in Ali’s souvenirwinkel op de tweede verdieping van een gebouw aan de rand van de markt. Veel houtsnijwerk, ‘allemaal authentiek’, grijnst hij, wetend dat we daar niet intrappen. We kopen alle twee een fraai bewerkte wc-rolhouder, waarin bij thuiskomst in Nederland geen wc-rol blijkt te passen.

Van een deel van de opbrengst van onze auto kochten we in 1984 elk een brommertje en trokken we verder naar Boven-Volta, waar zojuist de revolutie was uitgebroken onder leiding van de jeugdige kapitein en marxist Thomas Sankara. De douaniers van Mali wensten ons een prettig verblijf in Boven-Volta en waarschuwden ons voor de spertijd van 1 tot 5 uur ’s nachts. ‘Dan moet je uitkijken voor de kameraden van het socialisme’, bulderde er een. Hij nam een schiethouding aan en zei: ‘Want dan is het pang, pang, pang.’ 

Mannen noemden elkaar kameraad in Boven-Volta en jongetjes riepen ‘Het vaderland of de dood, we zullen overwinnen’ als we langs tuften. We maakten een rondje in West-Afrika (het grootste deel met openbaar vervoer, de niet-geveerde brommertjes waren we snel beu en verkochten we). Via Togo, Ghana en Ivoorkust keerden we na drie maanden terug in Boven-Volta. Dat had in de tussentijd zijn naam veranderd in Burkina Faso. Van daaruit keerden we terug naar onze vriendinnen in Nederland.

Onze driedaagse zoektocht in Bamako dit voorjaar was onvergetelijk. De hoofdstad was onherkenbaar veranderd door het dreigende geweld en de afwezigheid van westerlingen, maar de Malinezen waren onveranderlijk hartelijk en gastvrij. ‘Uit Holland? Het land van de melk en de kaas. Welkom!’ Dat onze witte 504 onvindbaar was, bleek maar een voetnoot.

Koning van Afrika

Tussen 1968 en 2006 zijn bijna 308 miljoen Peugeots 504 gebouwd. Het type staat bekend om zijn uithoudingsvermogen, daar dankt hij dan ook zijn bijnamen ‘woestijnkameel’ en ‘koning van Afrika’ aan. De Auto van het Jaar 1969 was in de jaren zeventig populair in Nederland en verdween in het begin van de jaren tachtig uit het Europese straatbeeld door massale export naar Afrika. Daar gingen de break, de familiale en talloze pick-ups als taxi dienstdoen. Dankzij de solide constructie, soepele veren en ­efficiënte aandrijving leek de 504 gemaakt voor slechte wegen. In Europa werd de productie in 1983 gestaakt. In Zuid-Amerika en Afrika is de 504 nog jaren geproduceerd. De laatste rolde in 2006 in Nigeria van de band. Het verhaal wil dat de laatste exemplaren per opbod zijn verkocht.

Terug naar de vakantie van mijn jeugd

Jarl van der Ploeg, correspondent van de Volkskrant in Rome, is verknocht aan Italië. Dat begon op zijn 8ste tijdens een zomer aan het strand, waar het zand zijn voetzolen schroeide en de ijsjes slechts twee varianten kenden. Houdt zijn liefde voor de Italiaanse strandcultuur bij een weerzien stand?

Verslaggever Bart Dirks reist terug naar het Italië van zijn penvriend. ‘De duizend-dollar-vraag is: waarom is er toen niks gebeurd tussen ons in dat hotel in Palermo?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden