column Peter Buwalda

Ik was bang dat de man, zoals in een David Lynch-film, onze koffers zou besnuffelen en goedkeurend zou ontdekken dat ik slechts damesspulletjes bij me had

Vorige week, toen Nederland nog over een keurige Eerste Kamer beschikte, zat ik in de trein te writen. Mijn deadline lag precies in Brussel, daar moesten we eruit. Ik writen en writen, we kwamen bijna aan, tikkerdetik, brei er godverdomme een mouw aan! Sneller! Doe een open einde! – Jet stond al gepakt en gezakt in het gangpad. Ik hechtte de zaak slordig af en probeerde de krant te mailen.

Tráág internet. Bélgisch internet. Het sissen van deuren. Gá verdomme!

Hij ging. Heerlijk. Soms lijkt verzenden op iets ­anders, niezen of zo.

Vervolgens was het béng, laptop dicht, jasje aan, echte jas aan, sjaal om, rolkoffer uit het bagagerek, kop omlaag, als een stormram naar de uitgang.

Het was al een uur later, ik had mijn koffer achter me aan door de grote Brusselse stationshal getrokken, hem in een taxi gezet, er weer uit getild, en nu stonden we in een soort douanehokje van het Belgische mediapark – of ik mijn paspoort kon laten zien. Gehurkt ritste ik mijn bagage open.

Wat ik zag: een pleerol. ‘Huh’, zei ik, ‘waarom heb ik een pleerol bij me?’

‘Ja’, zei Jet, ‘en waarom een bh?’

Alsof het een grote kever was, liet ik de koffer los. Ik staarde ernaar met ogen die, hadden ze niet vastgezeten aan kabeltjes, eruit waren gerold. ‘Niet...’, stamelde ik, ‘van... mij.’

Ik was het nog niet verleerd. Drie jaar had ik veilig in een rolstoel zonder wielen aan mijn bureau gezeten, een heerlijke periode waarin ik nooit ­ergens iets liet staan, noch te laat arriveerde of mijn auto in de sloot reed. Maar nu, nog maar net op vrije voeten, had ik een koffer ­gestolen en reisde mijn eigen koffer verkleed als terroristisch pakketje naar Parijs. Slechts in de verte leek het ding op die van mij: hij was nieuwer, had een aluminium handvat, ritsen op vreemde plekken en er hing een felroze armbandje aan.

Voer voor Victor Mids.

Gelukkig moest ik meteen op de Vlaamse buis, heel relaxed, met lopende camera’s op je harses voel je niks van verwisselde koffers. Erna wel, helaas: op weg naar ons hotel kwam de Schmerz hard opzetten, er zaten toevallig wel mijn wapentjes in ten ­behoeve van de verovering van gans Pajottenland. ­Lenzen, mondwater, Brylcream, nette veterschoenen – you name it.

We gaven onze dameskoffers af bij een hotelier die gecast leek door David Lynch, alsmede zijn complete hotel, een naar stoffig pluche geurend art deco-paleis waarin het eenvoudigste dialoogje zwanger werd van bevreemdend onheil.

‘Geeft u de koffers maar aan mij’, zei de oude man zalvend, ‘dan kunt u op uw gemak de maaltijd gaan gebruiken.’ Hij was vaak nagetekend door Gummbah, viel me op, maar nu zag ik hem aangekleed, hij droeg een okerkleurige corduroy tot onder zijn ­oksels, spencer van het fijnste lamswol, zijn gerimpelde hoofd was groot als een dinosaurusei.

Zeer bekwaam en betrouwbaar, zo kwam hij over – toch was ik bang dat de man, zoals in een David Lynch-film, onze koffers zou besnuffelen en goedkeurend zou ontdekken dat ook ik slechts damesspulletjes bij me had. Grinnikend zou hij zich hullen in een jurk, waarna hij geparfumeerd en met de make-up dik op zijn oude ei ons als zijn eigen zus weer zou ontvangen – gereed voor iets engs, zonder dat we het doorhadden, want ik herken mijn eigen jurken niet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden