InterviewHerman Finkers

‘Ik vind het leven niet erg, maar je moet er geen gewoonte van maken’

Beeld Marc de Groot

Ja, Herman Finkers (65) is ziek, en nee: hij wil het er niet over hebben, want daar gaat het niet om. Waar het wel om gaat: taal, kunst, overlevering en de Latijnse mis waarmee de cabaretier in alle ernst zes keer per jaar volle kerken trekt.

Er ligt een medicijnendoosje naast zijn cappuccino en de dag voor het gesprek moest hij nog in het ziekenhuis zijn, maar gevraagd naar zijn toestand sinds de diagnose lymfatische leukemie, zegt de Tweantsen grappenmaker, schriewer, zanger en veurvechter van ’t Twents: ‘We gaan het toch niet de hele tijd over mijn ziekte hebben, hè?’

Waarom voelt u zich daar ongemakkelijk bij?

‘Omdat het zo goed gaat met mij, relatief gezien. En ik ken zoveel mensen bij wie dat niet zo is. Mensen die dezelfde aandoening veel later kregen dan ik en inmiddels zijn overleden. Mijn beste vriend, die 40 was toen hij overleed aan een hersentumor. Dan denk ik: niet zeuren, je loopt nog rond en je kunt van alles. Daarbij is het een kwestie van pure mazzel dat het zo goed gaat, dus dan vind ik het ronduit beschamend om over infusen zus en onderzoeken zo te praten.’

Doet me denken aan muzikant Thé Lau. Die kreeg in 2013 keelkanker, was in 2014 uitbehandeld, maar in 2015 leefde hij nog steeds. Hij citeerde toen bluesgitarist Wilko Johnson van Dr. Feelgood: ‘If I live another year, it will be fucking embarrassing.

‘Ja precies. Dat ze naar je gaan kijken met zo’n blik van: ‘Je had toch beloofd dood te zijn?’ Nee, het gaat allemaal goed. De zorg die ik krijg is fantastisch.’

Heeft u het idee dat dokters u anders behandelen omdat u Herman Finkers bent?

‘Totaal niet. Mijn vorige hematoloog, hij is inmiddels met emeritaat, zei wel meteen dat hij cabaretliefhebber was. ‘Maar niet van jou,’ zei hij daarna. Haha! Hij was fan van Jeroen van Merwijk. Dat is een vriend van me, dus hij vroeg elke keer: ‘Hoe is het nou met Jeroen?’

Maakt u het mee dat mensen u níét kennen, dat ze geen idee hebben wie Herman Finkers is?

‘Nou, dat is wel grappig: een tijd terug gaf ik een gregoriaanse les op een gymnasium in Leeuwarden en toen de vroeg de leraar: ‘Wie van jullie kent Herman Finkers?’ Dat bleek de helft te zijn. Maar eigenlijk alleen via de ouders. Dus dat verdwijnt snel.’

Vindt u dat jammer?

‘Nee, dat hoort zo. Er was een leerling bij die Margot heette. Dus ik zeg: ‘Er is leuk liedje over jou gemaakt: Margootje.’ ‘Ja,’ zegt ze, ‘dat zei laatst ook al iemand, maar ik ken het niet.’ Dus ik zeg: ‘Dat is van Wim Sonneveld.’ Waarop zij zegt: ‘Van wie?’ Toon Hermans, had ze ook nog nooit van gehoord. Dat verbaasde me wel. Koos Speenhoff, Willy Derby, dat zijn toch grote namen.’

Daarna, verbaasd: ‘Ken jij die ook niet?’

Die laatste twee niet, nee.

Begint te zingen: ‘Ik stuur jou, een boeketje, rode rozen.’ Zegt je dat niks? Van Eddy Christiani. Kijk, precies hierom vind ik dat van elke generatie een soort canon gemaakt zou moeten worden van dichters en schrijvers en zangers en cabaretiers, die de ene generatie doorgeeft aan de andere. Zo’n Dit is een plek om lief te hebben van Toon Hermans, dat moet iedereen gewoon kennen.’

Beeld Marc de Groot

Waarom is dat van belang?

‘Omdat je anders elke keer op nul begint! Als je elke keer dat de mens iets moois opbouwt dat afbreekt bij de volgende generatie, hou je weinig over. Dat geldt voor alles, voor muziek, voor de medische wereld, alles. Neem Almelo. De stad stond vol met oude fabrieken. Al die fabrieken, op eentje na, hebben ze gesloopt om appartementen te kunnen bouwen, met als resultaat dat de stad geen ziel heeft. Als je die fabrieken ombouwt tot appartementen, behoud je het karakter en kun je de geschiedenis lezen. Almelo was vroeger óf veel te rijk, met grote jugendstilvilla’s, of veel te arm. Neem de toenmalige volkswijk Shalderoi, een verbastering van Charleroi. Op oude foto’s zie je in elkaar gezakte huisjes, een sloppenwijk bijna. Maar het waren wél mooie, kleine vakwerkhuizen. Als je die had gerestaureerd, of in ieder geval de gevels had laten staan, zou je nu een prachtig buurtje hebben. Gerard Reve zei het al: ‘Ik ben tegen vernieuwing want zoals het is, is het al erg genoeg.’

Welke kunstuiting zou de kunstcanon wat u betreft zeker moeten halen?

‘Nou, Margootje dus, van Wim Sonneveld. Maar ook Als je overmorgen oud bent van Jules de Corte, en Mijn gezelschap van Hans Dorrestijn. En alles van Eddy Christiani. Echt jaren vijftig. Beetje tuttig misschien, maar het swingt heel erg, zeker in een tijd waarin Nederland nog niet erg swingde.’

En van uzelf? Welke Herman Finkerssketch overleeft Herman Finkers?

‘Daar ga ik niet over, maar het is wel interessant om te zien wat er telkens weer naar boven drijft. Dat zinnetje over de stoplichten in Almelo bijvoorbeeld.’

Eén stoplicht staat op rood, een ander weer op groen. In Almelo is altijd wat te doen.

‘Kijk, dat ken jíj zelfs.’

Op 10 februari gaat De Beentjes van Sint-Hildegard in première, een film waarvoor Finkers het scenario schreef en waarin hij tevens de hoofdrol speelt. De film gaat over de 65-jarige Jan, die al 35 jaar getrouwd is met Gedda, gespeeld door de Twentse actrice Johanna ter Steege. Uit het persbericht: ‘Gedda houdt zó veel van Jan dat hij het er benauwd van krijgt. Ze ziet het huwelijk als een vorm van begeleid wonen: ze bepaalt zijn kleding, vriendschappen, vakanties en al hun andere bezigheden. In een poging meer ruimte te krijgen maakt Jan dermate rare sprongen dat hij zijn huwelijk letterlijk in een gesloten afdeling ziet veranderen. Ondertussen rijst de vraag hoeveel liefde te veel liefde is.’

Beeld Marc de Groot

Diende de novelle De Laatkomer van Dimitri Verhulst, waarin de gepensioneerde bibliothecaris 74-jarige Désiré Cordier zijn vastgeroeste burgermansbestaan ontvlucht door dementie voor te wenden, ter inspiratie?

‘Nee, deze film is gebaseerd op een Tsjechisch script. Het boek van Verhulst was eerder dan dat script dus misschien hebben ze het wel van Verhulst gejat. Of ze kwamen op hetzelfde idee, dat kan natuurlijk ook. Mij maakt het niet zoveel uit, want het is niet de kern van de film. De kern is die derde levensfase waar het echtpaar voor staat. Carrière loopt ten eind, kinderen zijn de deur uit, en nu ga je samen de oude dag in: hoe doe je dat? In mijn voorstelling Na de pauze zeg ik: ‘De mens is geroepen de liefde te leven, maar gedoemd daarin te mislukken.’ Dat is eigenlijk te hoogdravend gezegd voor een relatiekomedie, maar daar komt het wel op neer. Zonder te veel te verklappen: aanvankelijk viel Jan op Gedda’s overbezorgde karakter. Hij had die symbiose nodig om uit zijn eigen ellende te komen. Zij heeft hem gered. Maar op een gegeven moment is dat redden niet meer nodig, maar zij kan niet meer stoppen. De vraag is dan: verander je mee, of blijf je wie je bent? Want zij is natuurlijk ook wie zíj is.’

In dit geval een bedillerig mens, als kijker krijg je het er benauwd van.

‘Ja? Mooi. Mooi dat dat benauwde goed is overgekomen. Maar het is liefde van haar, geen bedilzucht. En hij houdt ook van veel van haar. Daar zit hem ook net het dilemma.’

Ik zat op momenten ook naar mezelf te kijken. Dat commentaar op het verkeerde jasje, eieren die in een ánder pannetje moeten worden gekookt...

‘Haha, dat hoor ik van veel mensen, dat elke vrouw wel een Gedda in zich heeft.’

Waar staat uw eigen vrouw Hetty op de Schaal van Gedda?

‘Ergens tussenin.’

Sprak hij wijselijk.

‘Nee, nee, echt. We hebben allebei geen enkele behoefte aan een symbiotische relatie. Je hebt van die mensen die áltijd samen ergens naar toe gaan, altijd dezelfde smaak hebben, waarvan de een doodgaat en die ander een uur daarna. Wij hebben dat niet. Nou ja, dat laatste kan nog gebeuren natuurlijk.’

Heeft u dingen uit eigen huwelijk gebruikt in de film?

‘Dat is privé.’

Ach, kom.

‘Oké, van dat eierpannetje, dat hebben wij ook. Volgens Hetty zet ik ’m altijd op het verkeerde pitje, op de grootste, en dat heeft geen zin, want dan gaan de vlammen eromheen. En ze stopt me ook ongevraagd een kauwgumpje in mijn mond. Het grappige is dat wij elkaar leerden kennen in een studentenhuis in Hengelo. Zij kon niet koken. Ik wel, want mijn vader was ooit banketbakker. Dus ík heb haar leren koken. En toen ze het eenmaal kon had ze er zoveel plezier in dat ik het niet meer mocht. Dus zitten we elkaar niet in de weg. Het is wel zo dat die paar keer dat ík kook, zij niet in de keuken mag komen want daar kan ik niet tegen, dat ze me dan dingen uit handen neemt. Of ik kook, óf zij, niet allebei.’

Door die traditionele man-vrouwpatronen is de film herkenbaar, maar op momenten ook een tikkie on-modern.

Verbaasd: ‘Ja, vind je? Dat Tsjechische script was inderdaad heel erg Jan Klaassen & Katrijn, maar in de film is Gedda veel gelaagder.’

Jawel, maar het is ook rolbevestigend: de vrouw zit weer te zeuren.

‘Dat ben ik niet met je eens. Ik vind Gedda veel sterker dan Jan. Hij is toch een beetje een slappe zak, die de kool en de geit wil sparen. In het Twents zeggen we: ‘Het is nen köttel.

Beeld Marc de Groot

Een flapdrol.

‘Ja. En zij heeft juist een man nodig die grenzen stelt, duidelijk is. Dat is hij niet. En van dat soort mannen zie je er óók veel. Al die dingen in de film die karikaturaal overkomen heb ik zien gebeuren, ook bij mannen. Bijvoorbeeld dat zij niet te hard de trap op mag lopen, want ‘daar kan zo’n trap niet tegen’. Dat is uit het echte leven. En dat het echte leven karikaturaal is, is bekend.’

In een scène zegt de moeder van Gedda, al net zo’n bedillerig type: ‘Mannen hebben geen benul van wat ze hier doen op de wereld. En wij zijn er om ze dat uit te leggen.’ Even later horen we Johanna ter Steege doceren dat gescheiden mannen bijna vier jaar korter leven, dat ze twee keer vaker in het ziekenhuis belanden en negen keer meer kans hebben op een depressie.

‘Dat is echt waar! Komt doordat veel mannen toch een vrouw willen die voor ze zorgt. Toon Hermans en Willem Wilmink waren zulke mannen. Die hadden allebei een vrouw nodig die ervoor zorgde dat ze een kopje koffie kregen, dat het eten op tijd klaar was. Dat moet je net willen. Ik ben niet zo. Alstublieft niet.’

Wat doet of deed Hetty?

‘Ze is wijkverpleegkundige.’

Werkt ze dus nog?

‘Nee, ze is 59 jaar en gestopt. Dat wil zeggen: ze is nu mijn secretaresse.’

Uw zus Angelique, die vijftien jaar uw impresario was voordat ze theaterdirecteur werd, zei dat jullie erg goed samenwerkten. ‘Wij hadden geen woorden nodig, maar letters.’ Geldt dat ook voor uw samenwerking met Hetty?

‘Ja, maar dat geldt vaak voor mensen uit het oosten van het land. Mensen uit het westen hebben vaak veel omhaal van woorden nodig. Bij cabaretiers zie je dat ook. Ze hebben een enorme vloed aan woorden, maar daar moet je zelf de essentie uithalen. Ik denk juist: haal alles eraf, dan hou je precies het goede over. Ik heb liever dat je eerst een tijdje niks zegt en dan, báf, het goede tevoorschijn tovert, dan de hele tijd dat geratel. Daarom bewonder ik Reve ook zo. In De Avonden ziet iemand er tegenop ergens aan te bellen. Daar kun je dan een heel verhaal van maken met allerlei geluiden erbij – dat doen cabaretiers ook vaak, geluiden – maar Reve zegt gewoon: ‘De tijd zoemt, het graf gaapt, en nergens is redding, dacht hij. Hij haalde diep adem en belde aan.’ Daar zit geen letter te veel in.  De manier waarop Reve interviews gaf, bewonder ik ook erg. Ik zie wel eens tv-interviews van mezelf terug en dan denk ik: wat zít je weer te hakkelen. Bij Reve kunt je letterlijk opschrijven wat hij zegt, dat is gewoon literatuur. Bomans had dat ook, en Carmiggelt. Dat had ik ook wel graag gewild, zo eloquent zijn.’

Is dat dan misschien het nadeel van de Twentse manier van spreken, juist omdát het zo zonder omhaal is?

‘Nee, want het is de overbodigheid die stoort, bij het toneel noem je dat ruis. Bij deze heren was alles raak, hoeveel woorden ze ook gebruikten – ze stonden allemaal goed.’

In De Beentjes van Sint-Hildegard wordt in Twents dialect gesproken en bijna iedereen die aan de film heeft meegewerkt komt uit Twente: van actrices Johanna ter Steege en Leonie ter Braak tot regisseur Johan Nijenhuis. Zelfs de figuranten zijn Tukkers. Finkers: ‘Ook degenen die niks zeggen, dat had op zich niet gehoeven.’ 

Finkers woont in het oosten van Twente, in het plaatsje Beuningen, gemeente Losser. ‘Ik kreeg een keer een telefoontje van Jacques Klöters en Hans Dorrestijn, die aan het vogelen waren geweest in Duitsland: ‘We zitten nu in Nordhorn, dat is toch bij jullie in de buurt?’, zeiden ze. Ja, zeg ik, vijf minuten rijden. Dus ik geef het adres en ga vast koffie zetten. Maar tien minuten later zijn ze er nog niet. En na een half uur nog niet. Belt Hans na een uur op: ‘Het ziet er wel heel anders uit dan de vorige keer.’ Waren ze helemaal naar Beuningen bij Nijmegen gereden. Ze zijn toch nog langsgekomen, trouwens.’ 

Beeld Marc de Groot

U ijvert al heel uw leven voor meer waardering voor het Twents. Nu is er voor het eerst een film in het Twents: heeft u het gevoel dat het tij eindelijk keert?

‘Ja en nee. De waardering is groter, zowel binnen als buiten Twente, in Twente dacht men nóg negatiever over de Nedersaksische dialecten dan in het westen, dat is wel veranderd. Tegelijkertijd wordt er steeds minder Twents gesproken, en zeker niet door kinderen. En dat is het einde: als je kinderen niet in je eigen taal opvoedt, houdt die taal op te bestaan. Het is alleen ook niet zo dat die kinderen dan Nederlands spreken. Sterker, er ontstaat een nieuw Nederlands dialect waar je niets aan hebt omdat het noch het een, noch het ander is. Dat weet ik omdat ik zelf zo ben opgevoed. Mijn ouders spraken thuis Twents tegen elkaar, maar Nederlands tegen ons. Alleen was dat niet hetzelfde Nederlands als dat ze tegen de dokter spraken, want dat voelde veel te formeel.’

Dat Nederlands werd dus een rommelpotje.

‘Ja, ik ben er al mijn hele leven mee bezig om dat uitelkaar te houden. En dit geldt niet alleen voor het Twents, hè. Door het standaardnederlands wordt steeds meer Engels geknoeid. Zinnetjes als: ‘ik heb iets van’, of: ‘een soort van’. Dat komt uit het Amerikaans: a sort of. Als ik naar Eva Jinek kijk of ik lees columns van sommige moderne columnisten, vooral bij die van Saskia Noort, dan moet ik elke keer het woordenboek erbij pakken. En zo'n column wordt er niet beter op. Een single heeft nu een date, maar wat is er mis met een vrijgezel die een afspraakje heeft? In dat laatste zit toch veel meer gevoel?’

Is dat niet een kwestie van smaak?

‘Nee. Ik ben geen puritein, maar ik vind schoonheid in taal essentieel. Er zijn ook woorden van buiten die ik zelf niet mooier kan bedenken, zoals rock-’n-roll, en fingerspitzengefühl. Die moet je behouden. Maar veel Engelse woorden maken de taal alleen maar lelijker. Uitdrukkingen als eat your heart out, vreselijk. Als je door Amsterdam loopt hoor je dat ook voortdurend, een soort jip-en-janneke-Engels. Het is in ieder geval niet het verfijnde Oxford-Engels. Of, als je het met het Nederlands vergelijkt, het Nederlands van Annie M.G. Schmidt, waarin je heerlijke, kleine nuances voelt. Als je écht een goed werkende internationale lingua franca wilt hebben, zul je je eigen taal goed moeten beschermen. Anders knoei je alles door elkaar en heb je uiteindelijk niets meer.’

Ook in dat opzicht heeft u het tij mee, want wereldwijd gaat het debat momenteel over het belang van de eigen identiteit.

‘En nergens vind je die identiteit zo terug als in taal. In Almelo hadden we vroeger een Italiaanse melkboer. Hij was getrouwd met een Almelose en sprak Twents. En niet Nederlands met een Twents accent, nee, Twents dialéct. Waardoor hij een echte Nederlander werd. Dáár moet je je identiteit in zoeken, niet in Zwarte Piet en dat soort onzin. Hetzelfde geldt voor Turkse ouders die hun kinderen goed Nederlands willen leren. Ze kunnen ze beter goed Turks leren. Want als zij die kinderen zélf Nederlands leren, wordt dat weer dat mengelmoesje dat we nu ook zien in Twente, een soort tweederangs Nederlands. En je moet eerst één taal helemaal beheersen, wil je de volgende kunnen leren.’

Omdat daarmee het fundament wordt gelegd.

‘Juist.’

Beeld Marc de Groot

Actrice Leonie ter Braak, die uw dochter speelt in De Beentjes van Sint-Hildegard, vertelde dat ze toen ze van TV-Oost naar Goedemorgen Nederland ging meteen spraakles nam. Tot ze u tegenkwam en u zei: ‘Waarom spreek jij ineens zo mal?’ Waarna zij zich zo betrapt voelde dat ze sindsdien haar Twents accent weer omhelst.

‘Nee, dat is niet waar.’

Wat?

‘Het was omgekeerd, daar heb ik haar nog mee gecomplimenteerd. Ik zei: ‘Wat ontzettend goed dat je Nederlands spreekt met je eigen tongval. Zij gebruikt geen -rj.’

Zet een geaffecteerde stem op: ‘Vaderj, moederj’. En zij zet ook geen -w achter de o, wat in het westen gebruikelijk is: Almeloow. Of een -j achter de -e: ‘weej-ceej’. Probeer maar.’

Verdomd.

‘Merk je het? Jij hebt niet die -rj, maar wel die -w. Je doet het zonder dat je het in de gaten hebt. Als studenten uit Twente naar Amsterdam of Utrecht gaan en zich schamen voor hun tongval nemen ze dat als eerste over. Overnemen, nog zoiets. Jullie laten de -n weg. ‘Oow-verj-neej-me’. In Twente zeggen ze gewoon wat er staat: overnemen. Met een -n op het eind. Maar ik ben de laatste om te zeggen dat ik vlekkeloos spreek hoor. Ik ben ook maar een stuntelaar en een hakkelaar. Dat wil niet zeggen dat ik er niet van hou. Hoe Drs. P de taal gebruikte – fantastisch. Hij had het niet over een erectie, maar over ‘enige genitale mimiek’. Zonder dat het brallerig, corpsballerig werd, wat je natuurlijk ook vaak ziet. De ‘uil van Minerva’ is natuurlijk alleen maar aanstellerigheid.’

Wanneer Herman Finkers niet aan het werk is, houdt hij zich bezig met uitslapen (‘Ik ben geen matineus type’), met lezen (momenteel Schuld en Boete van Dostojevski) en met gregoriaanse zang, zowel in de kerk als in zijn eigen kelder, waar hij een kapel heeft gemaakt. Samen met het a capella kwintet Wishful Singing organiseert hij zes keer per jaar het Missa in Mysterium, een gezongen Latijnse mis. En dan zit het vól, geen sinecure in kerken als de Sint-Janskathedraal in ’s-Hertogenbosch of de Sint-Plechelmusbasiliek in Oldenzaal, waar makkelijk achthonderd belangstellenden in passen. Finkers: ‘Ook als je niet religieus bent, heb je er wat aan, hoor ik van veel mensen. Omdat het meditatief is, je kunt het ondergaan.’

Verwachten de mensen dan niet telkens een grap en een grol tussen het zingen door?

‘Daar was ik in het begin wel bang voor, maar dat bleek niet zo te zijn. Het is ook een andere sfeer. Mensen zijn echt geraakt, wijzelf ook, het raakt kennelijk een snaar die al lang klaar lag om beroerd te worden.’

Welke snaar raakt het in u?

‘Moeilijke vraag. Overgave, denk ik, aan het ritueel, erdoor opgenomen worden, erin verdwijnen. Er wordt ook niet gesproken tussendoor. Er is wel een preek, maar die staat afgedrukt in het boekje. Dat is bedoeld om elke persoonlijkheid uit het ritueel te halen. Als je een voorganger hebt, die iedereen welkom heet, fijn dat u er bent, staat die persoonlijkheid tussen jou en God. Hier lost ook de priester op in het ritueel. En ik zelf sta bijna onzichtbaar ergens achter op het priesterkoor.’

Ik begreep dat u inmiddels goeie contacten heeft in Rome?

‘Ikke?’

Meer specifiek met de rechterhand van de paus, die het allemaal reuze interessant vindt wat u over de bedrijfsvoering van de kerk te berde brengt?

Lachend: ‘Van wie heb je dat? Ik ben er weleens geweest op uitnodiging van Vaticaankenner Stijn Fens, die introduceerde me inderdaad bij een aantal prelaten. Eéntje appte mij toen: zullen we samen de mis doen? Prima, zei ik. Toen hij me van het hotel ophaalde dacht ik nog, hij zal me wel naar een huisaltaar brengen. Maar we gingen de Sint-Pieter in, en aan een van de zijaltaren hebben we toen de eucharistie gedaan. Dat is natuurlijk een cadeautje.’

Beeld Marc de Groot

Maar hoeveel invloed heeft u?

‘Geen.’

U maakt hen wel duidelijk wat u van de kerk vindt.

‘Ik vertel ze dat de kerk naar mijn mening te klerikaal is. Het gevoel van: wij moeten de mensen wat leren. Maar er is ook een weg terug. Zoals mijn publiek mij wat kan leren, zo kan de kerk ook leren van leken. In veel kerken gebeurt dat al wel, maar...’

Uiteindelijk kijkt men naar de paus, en die doet het niet.

‘Paus Franciscus is een verbetering vergeleken met wat er voorheen was. Maar inderdaad, de kerk verandert niet snel genoeg. De maatschappij daarentegen wel, en dan wordt de kloof te groot. Komen we weer bij waar we het eerder over hadden en wat Paulus ook zegt: ‘Onderzoek alles en behoud het goede.’ Ik pleit voor een zo traditioneel mogelijke liturgie, gekoppeld aan een zo progressief mogelijke maatschappijvisie. Want de kerk kan wel degelijk iets voor mensen betekenen, met name in mystiek opzicht.’

Over mystiek gesproken: denkt u weleens na over de dood?

‘Ik kan me niet voorstellen dat je níét nadenkt over de dood. Die ken je al sinds je eerste kat doodging, als kind. Wat ik op zich nooit erg vond, want ik had vogels. De dood kan ook mooi zijn, bedoel ik maar.’

Is de gedachte aan de dood urgenter geworden sinds uw ziekte?

‘In het begin wel, in praktische zin vooral, maar dat gaat na een tijdje ook weer over. Ik denk wel na over de eeuwigheid. Daar kom je niet uit, dus dan zoek je manieren om daarmee om te gaan. Met het Missa Mysterium bijvoorbeeld, dat poogt contact te maken met alles wat buiten de tijd ligt. Zo zeggen we dat in het Twents als iemand dood is: hij is de buiten de tijd. Een eucharistieviering is een vorm om met dat mysterie om te gaan. Tegelijkertijd is het absurd. Je houdt het brood omhoog en zegt: dit is het lichaam van Christus. Eén God die uit drie personen bestaat, Maria die haar eigen schepper heeft gebaard, allemaal absurd. Zo werkt het ook met grappen: humor houdt zich ook bezig met het absurde van het leven. Dat lucht op. Hoe Hermans vroeger de zaal meekreeg, daar gebeurde iets mystieks. Waarom mensen zo lachen bij Wat ruist er door het struikgewas? Dat is niet uit te leggen. Ook dat is mysterie.’

Bent u bang voor de dood?

‘Dat niet, maar het lijkt me ook niet léúk. Sterven gaat nooit prettig. Daar moet je gewoon doorheen. Het dood zíjn lijkt me dan weer geen enkel probleem. Ik las laatst een interview met iemand die rabiaat ongelovig is. Hij stelde dat mensen er niet tegen kunnen dat het leven eindig is en dat ze daarom maar een hiernamaals verzinnen, om die angst te bezweren. Maar zo’n angstige gedachte is dat toch niet, dat het leven eindig is? Het lijkt me juist wel prettig. Het lijkt me alleen niet lógisch. Ik kan me gewoon niet voorstellen dat deze werkelijkheid waarin wij zitten, uiteindelijk de alfa en omega blijkt te zijn.’

En reïncarnatie?

‘Nee, daar moet ik niet aan denken, dat het hele gesodemieter weer van voor af aan begint. Ik zeg altijd maar zo: ik vind het leven niet erg, maar je moet er geen gewoonte van maken.’

CV Herman Finkers

9 december 1954 Geboren in Almelo

1979 Op Zwart Zangzaad

1979 Tweede prijs Cameretten

1982 De terugkeer van Joop Huizinga

1983 De Diana Ros Show

1985 EHBO is mijn lust en mijn leven

1987 Het meisje van de slijterij

1990 De zon gaat zinloos onder, morgen moet zij toch weer op

1992 Dat heeft zo’n jongen toch niet nodig

1995 Geen spatader veranderd

1998 Kalm aan en rap een beetje

2000 Trekt zich terug uit het theater

2005 Acteur in de Twentse soap Van Jonge Leu en Oale Groond

2007 Comeback: Na de pauze

2012 Bundeling De cursus ‘omgaan met teleurstellingen’ gaat wederom niet door

2015 Carnavalssingle Koo wit de floo in Almelo

2015 Oudejaarsconference Een uur Herman ­Finkers

2019 Heruitgave De cursus ‘omgaan met teleurstellingen’

2019 Blijvend Applaus Prijs

2020 Film De Beentjes van Sint-­Hildegard

Herman Finkers is ­getrouwd met Hetty Finkers en woont in ­Beuningen.

Beeld Marc de Groot
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden