COLUMNAaf Brandt Corstius

Ik kan niet meer zo goed tegen de stad, want hij voelt zo ongebruikt

Deze herfst volgde ik een onlinecursus interieurontwerpen – ik weet het, dat is krankzinnig, dat is wat 2020 met je doet. Maar ik leerde wel een paar belangrijke lessen van Rita Konig, grote Engelse interieurontwerper, waaronder: ‘Een kamer die amper gebruikt wordt, gaat doods aanvoelen.’

Misschien zei zij het net anders, in haar keurige Engels, met haar zijden blouse in exact de juiste kreukels, niet vies van een beetje klassedenken. (Over timmerlieden die jouw ontwerpplannen bekritiseren: ‘Waarom zou je iemands mening over design serieus nemen als je een enorm stuk van zijn bilspleet kunt zien?’)

Dat van de ongebruikte kamer is waar. Hetzelfde heb ik nu met de stad. Ik kan niet meer zo goed tegen de stad, want hij voelt zo ongebruikt. Mijn eigen buurt gaat nog wel, daar gebeurde toch al niet veel, het is altijd een rustige buurt geweest zonder toeristen, studenten of dagjesmensen.

Maar als ik de buurten in fiets waar het al die jaren wel gebeurde, rond de grote musea en in leuke straten met veel café’s en restaurants, dan overvalt me het gevoel van de ongebruikte kamer. Hier staat een ongebruikte stad. Tuurlijk, de winkels zijn nog open, want die gaan ze geloof ik nooit meer sluiten, maar alles wat leuk was en levendigheid gaf, is weg.

Ik vind dertig mensen die op Black Friday de Taft bestormen niet levendig.

Daarom veer ik altijd op als ik zie dat mensen de maatregelen een klein beetje naar hun hand zetten, met als enige, goeiige doel om toch weer iets sociaals te doen.

Dat gebeurt in het weekend bij mij om de hoek, als op de sportvelden voetbal- en hockeywedstrijden worden gespeeld. De ouders mogen niet meer naar hun kinderen kijken bij de wedstrijden, dus gaan ze op het fietspad vlak achter de sportvelden staan, gebroederlijk naast elkaar, en dan turen ze door het struikgewas naar hun sportende kinderen. Dat ontroert me. Het toont tevens de onzinnigheid van sommige regels aan.

En zaterdagavond reden we in de auto door het ongebruikte centrum van de stad, en zagen we opeens een café waar iets gebeurde. Buiten stond een bord met het woord ‘glühwein’, en op de stoep stonden en zaten mensen met glaasjes glühwein in hun handen. Ze praatten met elkaar.

Mensen die zaten en praatten: er ging een schok door me heen, mocht dit, kon dit, maar dat kon me meteen ook niets schelen, ik keek er alleen maar gebiologeerd naar terwijl we er langzaam voorbijreden, ik wilde erbij gaan staan, of eigenlijk hoefde dat niet eens, ik zag mensen gezellig doen met elkaar en dat was genoeg.

Het was de hele reden dat ik in de stad was blijven wonen, om op een straathoek mensen gezellig met elkaar te zien doen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden