Achter het boekMarilynne Robinson

‘Ik hou van ideeën die ik niet helemaal begrijp’

Hoe schrijft de schrijver? Marilynne ­Robinson, een van Obama’s lievelingsauteurs, dacht dat ze nooit meer zou schrijven over Jack, de verloren zoon uit haar Gilead-reeks. Nu is hij de titelheld van haar nieuwe roman. Misschien juist doordat ze hem niet kan doorgronden.

Marilynne Robinson: ‘Ik geloof niet in de eenvoud van oorzaak en gevolg.’ Beeld Alex Soth / Magnum / HH
Marilynne Robinson: ‘Ik geloof niet in de eenvoud van oorzaak en gevolg.’Beeld Alex Soth / Magnum / HH

Ze wordt genoemd als kandidaat voor de Nobelprijs voor Literatuur en is een van de favoriete schrijvers van de Amerikaanse oud-president Barack Obama – die háár in 2015 interviewde voor The New York Review of Books, en niet andersom. Marilynne Robinson (77) maakte naam met haar romans over Gilead, een fictief dorpje in Iowa in de jaren vijftig. Daar volgt ze inwoners als dominee John Ames, zijn vrouw Lila, vriend en collega Robert Broughton en diens kinderen. Het nu vertaalde vierde boek in de reeks, Jack, draait om Roberts ‘verloren zoon’. Hij is Robinsons variatie op de man uit de bijbelse parabel van Jezus. De naam Gilead is al net zo’n verwijzing: in de Bijbel is het een nederzetting ten oosten van de Jordaan, de naam betekent iets als ‘heuvel van getuigenis’.

Na de publicatie van de tweede Gilead-roman, Home (2008), liet u weten dat u zich niet verder in het personage Jack zou verdiepen. Waarom bent u van gedachten veranderd?

‘In de loop van mijn schrijverschap heb ik gemerkt dat sommige romanpersonages die ik heb geschapen ook na voltooiing van een boek in mijn gedachten blijven voortleven. Daar ontwikkelen of onthullen ze zichzelf. Als dat het geval is, wacht ik af of er details in me opkomen die op een of andere manier essentieel lijken. Die maken het vervolgens mogelijk om het personage verder uit te werken. Nog belangrijker is dat ik vaak zinnen krijg ingegeven die het personage typeren, of dat ik in mijn hoofd een intonatie hoor die ik herken als zijn of haar stem. Met Jack duurde dit even, maar uiteindelijk is het er, tegen mijn verwachtingen in, toch van gekomen.’

Jack, die ook al voorkwam in de eerste twee Gilead-romans, heeft zich ontpopt tot iemand die niet wil (of kan?) deugen. Hij maakt een meisje zwanger, laat haar en haar kind in de steek, blijft twintig jaar weg en laat zich zelfs op de begrafenis van zijn moeder niet zien. Als Jack in 1956 terugkeert, blijkt hij getrouwd met een zwarte vrouw, de vrome lerares Della. De twee zijn t naar Gilead gevlucht, omdat gemengde huwelijken niet geaccepteerd zijn in St. Louis, waar ze elkaar hebben leren kennen. 

In Robinsons romans maakte Gilead ooit deel uit van de Underground Railroad, het netwerk van witte en zwarte Amerikanen die slaven uit het zuiden naar het noorden smokkelden, waar ze vrij zouden zijn. De auteur grijpt daarbij terug op de geschiedenis: Ulysses S. Grant, president en oud-generaal van de noordelijke troepen, noemt Iowa niet voor niets ‘de ster van het midwestelijke abolitionisme’. Jack en Della merken al snel dat het in Gilead niet meer zo veilig is als voorheen.

In alle Gilead-romans speelt de burgerrechtenstrijd een belangrijke rol.

‘Burgerrechten vormen altijd een probleem in Amerika, hetzij omdat ze worden uitgebreid, hetzij omdat ze moeten worden uitgebreid. Elke groep die bij wet of door gewoonte wordt benadeeld, heeft het recht te worden gehoord op grond van zijn burgerrechten: vrouwen, immigranten, minderheden, enzovoort. De term burgerrechten wordt vooral geassocieerd met de status van zwarte mensen, omdat hun aanspraken op gelijke rechten geen gehoor vonden en vinden, of zelfs op verzet stuiten. Dit is het trieste en beschamende mysterie van de Amerikaanse natie.

‘Het is op dit moment in de mode om het onze erfzonde te noemen. Dat begrip verwerp ik, omdat de gevolgen van de erfzonde in de Bijbel eeuwigdurend en onontkoombaar zijn. Aan de rechtenschending van de burgerrechten van zwarte en andere mensen moet een einde komen. Een deel van het probleem is dat we bij de term burgerrechten specifiek aan zwarte mensen denken, terwijl hun rechten slechts onderdeel zijn van een veel grotere ongelijkheid. Alleen is het probleem bij zwarte mensen nóg dwingender.’

In de Bijbel eindigt de parabel over de verloren zoon met het welkomstfeest. Uw roman geeft daaraan een intrigerend vervolg.

‘De parabel is bijzonder complex. Het is mooi dat de vader zijn verloren zoon welkom heet en omhelst, nog voordat het thema vergeving ter sprake komt. Tegelijk schuilt er volgens mij iets droevigs in het feit dat noch de verloren zoon, noch zijn jaloerse oudere broer de liefde van hun vader begrijpt en waardeert. De verloren zoon komt thuis omdat hij honger heeft en gaat ervan uit dat hij niet langer als zoon van zijn vader kan worden gezien.

‘Zijn oudere broer, die al die jaren met zijn vader heeft samengeleefd en alles met hem heeft gedeeld, vindt dat hij onheus wordt bejegend. Want het feest is voor zijn jongere broer, en niet voor hem. Een van de belangrijke betekenissen van deze parabel lijkt me niet alleen dat vaderliefde volmaakt is, maar ook dat die in feite onbeantwoord blijft. Dit geldt niet alleen voor veel intermenselijke relaties, maar ook voor de relatie tussen mens en God. Genade echt accepteren, dat is de grote moeilijkheid.’

U werkt als auteur met een relatief beperkt aantal personages en locaties. Wat zijn de voordelen van deze aanpak?

‘Ik wil dat alles in mijn boeken de aandacht krijgt die het verdient. Dat geldt zowel voor mensen als voor plaatsen. Alles wat ik opschrijf, is rijk aan details, al zien veel lezers dat over het hoofd.’

De personages in de Gilead-romans keren telkens terug, maar het vertelperspectief verschilt per boek. In Gilead (2004) is de hoofdpersoon dominee John Ames. Het is 1956, Ames is 76. In het besef dat zijn einde nabij is, schrijft hij een brief aan zijn 7-jarige zoon, die hij nooit zal zien opgroeien. Zo hoopt hij na zijn dood toch een vorm van contact te hebben met het kind en hem de gelegenheid te geven zijn vader te leren kennen.

De tweede roman Home beschrijft deels dezelfde gebeurtenissen, maar nu vanuit het perspectief van Glory. Zij is de jongste dochter van Ames’ beste vriend en collega-geestelijke Robert Broughton. Haar broer is de alcoholistische Jack, die de lezer al kent uit Gilead.

In Lila (2015) komt de 25 jaar jongere echtgenote van Ames aan het woord, die tot dan toe een wat mysterieuze figuur was, maar hier een verleden krijgt en uitgroeit tot een fascinerend personage. Het boek graaft in de geschiedenis en confronteert de lezer met morele en religieuze vraagstukken, niet aan de hand van heftige gebeurtenissen (‘de literatuur kent genoeg walvisjachten en zwaardgevechten’, aldus Robinson), maar door het weergeven van menselijke zieleroerselen en ingetogen handelingen – en door het stellen van vragen.

U beschouwt uw Gilead-romans als een ‘constellatie’ in plaats van een ‘serie’. Gebruikt u die term om te benadrukken dat er niet één waarheid is, maar verschillende versies of interpretaties van de waarheid?

‘Iemand vertelde me ooit over het ‘drielichamenprobleem’. Daarmee wordt bedoeld dat het effect van de zwaartekracht op drie of meer lichamen onvoorspelbaar is. Dat vind ik een intrigerende gedachte. Ik hou van ideeën die ik niet helemaal begrijp. Dit lijkt me een glimp van iets ongrijpbaars dat ver uitstijgt boven de alledaagse, voorspelbare werkelijkheid zoals we die denken te kennen. De krachten – invloeden en reacties – tussen mensen onderling zijn onvoorspelbaar, al zijn er natuurlijk de beperkingen van cultuur, verwachtingen, temperament, enzovoort.

‘Ik geloof niet in de eenvoud van oorzaak en gevolg. Ik geloof dat we met elkaar verbonden zijn door zaken als geheugen en wederzijdse affiniteit, maar dat het gewicht daarvan per geval verschilt. Dit probeer ik in mijn werk te onderzoeken.’

Marilynne Robinson: ‘In Iowa heb ik geleerd net boven de horizon te kijken. De prairie is een droom­landschap, als je maar goed kijkt.’ Beeld Alec Soth / Magnum
Marilynne Robinson: ‘In Iowa heb ik geleerd net boven de horizon te kijken. De prairie is een droom­landschap, als je maar goed kijkt.’Beeld Alec Soth / Magnum

Hoe essentieel is het landschap, vooral dat van Iowa, in uw romans?

‘Ik kwam van het bergachtige Idaho naar het grotendeels platte Iowa om daar les te geven en merkte dat ik in een landschap was beland waarnaar ik niet op de juiste manier wist te kijken. Niet alleen was ik gewend aan bergen en kusten, ik had – zoals de meesten van ons – geleerd te denken dat er weinig te zien was in de ruimte tussen bergen en zeeën in: het platteland, de prairies.

‘De inwoners van Iowa legden me uit dat je net boven de horizon moet kijken. Als je er goed naar kijkt, is de prairie een droomlandschap van stille rijkdom. Ondanks dat het weer hier extreem kan zijn, oogt het landschap alsof het voor de mens is bedoeld. Het is subtiel en aangenaam golvend, het bloeit, is groen en vruchtbaar en biedt eindeloze ruimte.’

In uw werk maakt u volop gebruik van bijbelse beelden. Worden die aspecten van uw boeken vandaag de dag voldoende begrepen?

‘Om onbegrip te voorkomen, probeer ik de essentie van mijn verhalen voldoende onafhankelijk te maken van de bijbelse toespelingen. Ik denk niet dat ze een obstakel vormen voor lezers.’

Een lange en cruciale scène in Jack speelt zich af op een kerkhof, geïnspireerd op het 127 hectare grote Bellefontaine Cemetery. Waarom koos u voor deze locatie?

‘Ik ging er kijken tijdens een bezoek aan St. Louis. Het is een opmerkelijke plek, eigenlijk een stad op zichzelf. En het gaf me de mogelijkheid om Jack en zijn latere vrouw Della voor een lange tijd samen te brengen, buiten de beperkingen die de maatschappij hun zou opleggen omdat hij wit is en zij zwart.’

Het is een vrij algemeen aanvaarde gedachte dat deugdzame mensen in de literatuur minder interessante personages opleveren dan ‘slechte’. U bent het daar niet mee eens.

‘Ik heb het geluk dat ik veel mensen ken die leven volgens hoge normen. Niet dat ze buitengewoon vroom zijn; ik heb het over dingen als vrijgevigheid, waarheidsgetrouwheid, mededogen, loyaliteit – eigenschappen die ik stuk voor stuk mooi en lovenswaardig vind. Iemand die deze eigenschappen belichaamt en tentoonspreidt, beschikt onvermijdelijk over een groot en helder denkvermogen. Die is in staat tot zelfopoffering, discipline en geduld. Allemaal zaken waarover je niet zomaar beschikt of die je makkelijk kunt aanleren. ‘Slechte’ mensen zijn impulsief en opportunistisch, ze geven zich snel over aan hypocrisie of bedrog. Het lijdt wat mij betreft geen twijfel wat interessantere personages oplevert. Of interessantere mensen.’

Vanaf het begin van haar loopbaan toont Marilynne Robinson zich een ­auteur die geïnspireerd is door religie, die niet aarzelt om begrippen als ‘goed’ en ‘kwaad’ een rol te geven in haar werk. Ze schrijft over religie, zei ze eens, omdat ze religieus is.

Bestaat er zoiets als inherent ‘slecht’ zijn, of wordt het kwaad altijd veroorzaakt door omstandigheden? Jack houdt zich erg met die vraag bezig en als domineeszoon koppelt hij zijn eigen situatie aan het begrip predestinatie. Is Jack voorbestemd ‘slecht’ te zijn?

‘Ik weet het antwoord op deze vraag niet. Om die reden vind ik hem interessant.’

U heeft eens gezegd dat ‘liefde het eeuwige is, dat het hedendaagse doordringt’. Kunt u dit nader uitleggen? Is hetzelfde te zeggen van het kwaad?

‘Ik vind het een nuttig uitgangspunt om het goede als een staat van ‘zijn’ te beschouwen, en het kwaad als de afwezigheid van dat ‘zijn’. Eerlijk gezegd vind ik dat het kwaad niet eens recht heeft op die mate van werkelijkheid. Maar dat is eerder esthetische aversie dan onverschilligheid tegenover de aanwezigheid van kwaad in de wereld – een aanwezigheid die overweldigend kan lijken.

‘Ik heb een anonieme middeleeuwse theoloog gelezen die zegt dat er geen kwaad in de wereld is, behalve het menselijke kwaad. Natuurlijk is dat een overdrijving. Maar de gevolgen van menselijke hebzucht of boosaardigheid kunnen het goede en mooie ongedaan maken. In mijn roman is de blinde, verwoestende kracht van sociale normen daarvan een voorbeeld.’

Heeft u favoriete personages? Ik neem aan dat Jack, ondanks alles, een van uw fascinerendste, lonendste creaties is?

‘Ik voel een bijzondere belangstelling voor Jack. Dit komt voor een groot deel doordat ik hem niet kan samenvatten.’

Marilynne Robinson: Jack. Uit het Engels vertaald door Ton Heuvelmans. De Arbeiderspers; 300 pagina’s; € 22,50.

null Beeld De Arbeiderspers
Beeld De Arbeiderspers

Wie is Marilynne Robinson?

Marilynne Robinson werd in 1943 geboren in Sandpoint, in de Amerikaanse staat Idaho, in een religieus, presbyteriaans gezin. Later werd ze lid van de congregationele kerk. Ze studeerde aan Brown University (Rhode Island) en promoveerde in 1971 in de Engelse taal- en letterkunde aan Washington University, waar ze onder meer colleges volgde bij de befaamde postmodernistische schrijver John Hawkes. In 1980 publiceerde Robinson haar eerste roman, Housekeeping, die haar de Hemingway Foundation/PEN Award en een nominatie voor de Pulitzerprijs opleverde. Van 1991 tot 2016 was ze verbonden aan de University of Iowa, onder meer bij de befaamde Iowa Writers’ Workshop. Op diverse universiteiten werkte ze als gasthoogleraar en writer in residence. Robinson publiceerde essays en besprekingen in onder meer The New York Review of Books, Harper’s Magazine en The Paris Review, en een zestal non-fictieboeken met een veelal filosofisch-religieuze invalshoek. Die benadering zien we terug in haar romans: Gilead (2004), Home (2008), Lila (2014) en Jack (2020). Ze woont in Des Moines, Iowa.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden