Interview Roxane van Iperen

‘Ik heb me nooit gerealiseerd dat veel mensen wél fluitend door het leven gaan’

Roxanne van Iperen Beeld Anne Claire de Breij

Met haar oorlogsvertelling ’t Hooge Nest over haar eigen huis scoorde Roxane van Iperen een ongekende hit. Maar dat wil niet zeggen dat haar eigen verleden nu ook op straat komt te liggen, hoopt de schrijver.

Halverwege het gesprek worden er vanachter het toegangshek buiten foto’s gemaakt. Een stel van middelbare leeftijd tuurt naar binnen. Roxane van Iperen zit achter haar keukentafel, eet schuimtaart en haalt haar schouders op.

Meermalen per dag gaan het huis en zijn bewoners ongevraagd op de foto. Boektoeristen, die weleens willen zien waar de Joodse familie Brilleslijper tijdens de Duitse bezetting nou precies woonde. De locatie kan niet missen: een wit bordje met ’t Hooge Nest hangt blinkend aan de gevel van het opmerkelijke huis. Rijzig, met een rieten dak, donkerrode luiken en een halvemaanvormige dakkapel.

En dat terwijl Van Iperen ‘helemaal nooit’ had gedacht van een bestaan als schrijver te kunnen leven. Ze begon haar werkzame bestaan als advocaat, bij het prestigieuze Zuidas-kantoor Nauta Dutilh, en werkte daarna als jurist in het bedrijfsleven. Zelfs toen in 2016 haar debuutroman Schuim der aarde verscheen (‘volledig in de avonduren en de schoolvakanties geschreven’), bleef schrijven – vooral serieuze, journalistieke analyses voor titels als NRC, Vrij Nederland en De Correspondent – iets voor erbij. ‘Ik heb altijd met één been in het bedrijfsleven gestaan. Ten eerste omdat dat mijn financiële zekerheid was, maar ook omdat het me boeit. Bovendien gaf het me een voorsprong in het schrijven van opiniërende stukken: ik ben geen honderd procent toeschouwer, ik weet hoe het eraan toegaat op de werkvloer.’

En toen werd het 15 november 2018 en verscheen haar boek ’t Hooge Nest. Haar – aanvankelijk particuliere – onderzoek naar de geschiedenis van het vrijstaande huis in de bossen tussen Naarden en Huizen dat zij en haar gezin zes jaar eerder hadden gekocht. Het huis waar opmerkelijk veel luiken, kruipruimtes en opbergplekken in hadden gezeten. Waarin ze oude pamfletten hadden gevonden, en bladmuziek. Of, zoals de boekomslag samenvat: ‘Het waargebeurde verhaal van twee Joodse zussen in het verzet, een onderduikvilla in ’t Gooi en het onvermijdelijke verraad.’

Er verschijnen jaarlijks nog altijd veel boeken over de Tweede Wereldoorlog en zeker nu, in de aanloop naar 75 jaar bevrijding. Dus wat zou ze ervan verkopen? ‘Een paar honderd, misschien duizend, dachten we.’ Het liep anders. ’t Hooge Nest staat inmiddels ruim een jaar onafgebroken in De Bestseller top-60, verkocht 70 duizend keer in print en 30 duizend e-books. De onlangs verschenen Engelse vertaling (The Sisters of Auschwitz) prijkte ook meteen in Britse top-10-lijstjes en er werden deals gesloten met Duitse, Zweedse, Italiaanse, Spaanse en Finse uitgeverijen. Man Up, de productiemaatschappij van Halina Reijn en Carice van Houten, kocht de filmrechten, in de theaterwereld wordt er nog om gevochten.

In ’t Hooge Nest werd veel gemusiceerd, kinderen speelden er gewoon in de tuin. Tegelijkertijd hing er altijd de angst voor ontdekking. Die kwam in juli 1944, toen Jodenjagers – op jacht naar premies en uit onversneden Jodenhaat – binnenvielen en alle onderduikers afvoerden. 

Beeld Anne Claire de Breij

Is het niet beladen geworden om hier te wonen, nu je weet wat er zich heeft afgespeeld? 

‘Voor mij niet, die zware lading past wel bij mij. Bovendien word ik er, nu ik die geschiedenis ken, steeds weer aan herinnerd hoe moedig de mensen zijn geweest die hier woonden. Dat stimuleert om niet achterover te leunen in zo’n huis. Na de lezingen die ik over het boek geef, zijn er altijd mensen die zich hardop afvragen wat zíj zouden hebben gedaan in zo’n situatie. Vaak zeggen ze dan: ‘Ja, maar ja, ik heb kinderen!’ Janny en Lien, de zussen Brilleslijper, hadden óók kinderen. Dus hoe kan het dat, waar de meerderheid zich conformeerde en het hoofd boog voor autoriteiten, Janny haar nek uitstak ten behoeve van zowel naaste familie als wildvreemden – niet één keer, maar voortdurend, dagelijks, in de aanloop naar de bezetting, tijdens de bezetting en zelfs nog in de concentratiekampen?’

Nou? 

‘Omdat ze luisterde naar haar innerlijk gebod; dat je jezelf niet ontrouw kunt zijn. Janny stond onverschrokken in het leven. Op belangrijke momenten reageerde ze primair. Als er moest worden gevochten, deed ze dat. De Italiaanse schrijfster Franca Magnani zei het ooit treffend: ‘Hoe meer mensen met moed een land telt, des te minder helden dat land nodig zal hebben.’’

De eerste aanwijzingen voor de nog ongeschreven geschiedenis van de Joodse verzetszussen Brilleslijper en hun steeds wisselende groep onderduikers vond Van Iperen in het Shoah-archief van filmregisseur Steven Spielberg. Op haar werkkamer ligt de originele foto: Joodse kinderen, spelend op het gras voor het theehuisje dat nu nog in de tuin staat.

Onder historici die zich in de Jodenvervolging verdiepen, waren de zussen Brilleslijper al bekend: zij waren de vrouwen die met Anne Frank en haar zus Margot in concentratiekamp Bergen-Belsen zaten, en hen daar uiteindelijk zelfs begroeven.

In het boek Kopgeld van Ad van Liempt wordt ’t Hooge Nest ook al vermeld, als de plek waar de beruchte Jodenjager Eddy Moesbergen een van zijn grootste vangsten deed. Zeventien ondergedoken Joden, die het achttien maanden hadden volgehouden midden in een bruine buurt. Uit ’t Hooge Nest: ‘In ’t Gooi wemelt het van de fascisten. Met name in de villawijken van Naarden en Bussum zijn ze oververtegenwoordigd: het dubbele aantal van het landelijke gemiddelde.’

Niet iedereen in ’t Gooi is even blij met Van Iperens uiteenzetting: onlangs nog stond een nazaat van een met naam en toenaam genoemde NSB’er plotseling in haar woonkamer om verhaal te halen. ‘Hij wilde dat ik zijn familienaam uit de volgende drukken van het boek zou laten verwijderen, maar dat doen we niet. 

‘Verder zijn de reacties eigenlijk allemaal positief. Ik krijg brieven, lange mails, dagboeken, foto’s en na publieke optredens word ik altijd aangesproken. Vaak door mensen bij wie op hoge leeftijd na het lezen van mijn boek iets is opengebroken, waardoor ze hun kinderen alsnog zijn gaan vertellen wat ze hebben meegemaakt. Ik had me nooit gerealiseerd dat dit verhaal ook voor andere mensen nog zoveel waarde zou kunnen hebben.’

Het leverde haar bovendien ‘een nieuwe familie’ op: de nazaten van de zussen Brilleslijper. Liens dochters Kathinka (inmiddels 78) en Jalda (68), Janny’s zoon Robbie (80). Binnenkort schuiven Kathinka en haar man voor het kerstdiner aan bij Van Iperen, haar man Joris en hun drie kinderen.

Als een van de zussen voor het eerst het bureau ziet waaraan Van Iperen haar familiegeschiedenis documenteert, wijst ze de auteur erop dat ze dat precies doet boven het luik waar haar vader nog snel persoonlijke eigendommen verborg toen de Jodenjagers in de tuin stonden. ‘Realiseer je je dat je ons verhaal weer tot leven brengt op de exacte plek waar zij hun bestaansrecht probeerden uit te wissen?’, vroeg ze me. Tijdens de verbouwing waren wij dat luik wel tegengekomen, maar hebben we er toch vrij achteloos een houten vloer overheen laten leggen en heb ik er mijn werkkamer ingericht. Maar voor haar had die plek daardoor een heel symbolische betekenis.’

Het brengt verantwoordelijkheid mee, zegt ze, dat de door haar ontrafelde geschiedenis van de verzetszussen zo veel onbekenden blijkt te raken: ‘De meerderheid van de verhalen uit de oorlog zullen we nooit kennen, omdat het grootste deel van de Joodse gemeenschap niet is teruggekeerd. Maar dat vergroot de waarde van de verhalen die er wél zijn. De samenleving waarin wij zijn opgegroeid borduurt voort op de oorlog en de naweeën daarvan. Na de oorlog kwam de wederopbouw, er werd keihard geknokt om er bovenop te komen en een van de mechanismen daarin was je mond te houden over wat er is gebeurd. Dat leek destijds logisch, maar het heeft er wel voor gezorgd dat veel mensen compleet ontwricht zijn geraakt.’

Een voorbeeld daarvan zag ze naast zich voltrekken, aan de talkshowtafel van De Wereld Draait Door. Van Iperen hoort Robbie, de zoon van Janny, tegen Matthijs van Nieuwkerk zeg dat hij er de schuld van is dat zijn moeder werd afgevoerd. Van Iperen: ‘Ik was stomverbaasd, had dat nooit eerder van hem gehoord. Maar zo werkt het dus: je huppelt als kind van 5 vooruit naar het huis waar jullie onderduiken en waar op dat moment net de Jodenjagers zijn binnengevallen. Janny zag dat het niet goed was, maar koos er toch voor haar kind achterna te gaan, in plaats van te vluchten. En daarna heeft Robbie een levenslang trauma omdat hij vindt dat het zíjn schuld is dat zijn moeder werd gedeporteerd, 28 kilo wegend terugkwam en nooit meer de oude is geworden. Ik schrok daar erg van. Wij realiseren ons niet half hoe getraumatiseerd veel mensen om ons heen zijn.’

Je beschrijft tot in detail de gruwelijkheden die Janny en Lien gedwongen ondergingen in Westerbork, Auschwitz en Bergen-Belsen. Overweeg je weleens een boek te schrijven over hoe het ze is vergaan nadat ze waren teruggekeerd?

‘Veel mensen vragen dat, maar ik denk niet dat ik degene ben die dat boek gaat maken.’

Je vraagt je na lezing van jouw boek weer af hoe mensen kunnen leven met een geschiedenis van zoveel vernederingen en leed. 

‘Nou, niet dus. De meesten komen daar nooit meer overheen. Ik hoor het vaak van lezers, wiens ouders de kampen weliswaar overleefden, maar daarna nooit meer op gevoelsniveau aanspreekbaar zijn geworden. En daar groeien die kinderen dan dus ook weer mee op. Waar ik zelf woedend van word, is de kille ontvangst die de teruggekeerden in Nederland kregen. De manier waarop de samenleving zich na de oorlog opnieuw heeft afgewend van de fractie van de Joden die wél overleefden. Onder het motto: ‘Weten jullie hoe ellendig wíj het hier in de Hongerwinter hadden?’ Het totale gebrek aan loutering, de onwil om naar ons eigen aandeel te kijken. Dat vind ik choquerend.’

Beeld Anne Claire de Breij

Jij begon pas rond je 40ste met schrijven. Waarom eigenlijk? 

‘Omdat ik eerst lang bezig ben geweest bestaansrecht voor mezelf te creëren. Ik denk dat ik daarom in eerste instantie de gebaande paden heb bewandeld. Een studie, daarna een vaste baan met zekerheid.’

Waarom moest je naar dat bestaansrecht op zoek? 

‘Ik heb altijd gedacht dat ik niet zoveel kon en niet zoveel voorstelde.’

Dat had je niet van huis uit meegekregen? 

‘Nee. Totaal niet. Dat je ergens goed in zou kunnen zijn, is een idee dat ik niet kende. Misschien heb ik daarom voor een rechtenstudie gekozen en ben ik de advocatuur in gegaan. Het had een vorm van aanzien, dus bestaansrecht, én het maakte me financieel onafhankelijk van anderen. Ik heb wel altijd hoog proberen te mikken.’

Zowel in Schuim der aarde als ’t Hooge Nest beschrijf je verschrikkelijke gebeurtenissen op een bijna afstandelijke, feitelijke manier. Jildou van der Bijl, hoofdredacteur van Net5 en jouw bijna-buurvrouw, zegt: ‘Ik heb me afgevraagd wat je zelf moet hebben meegemaakt als je op die manier over zulke gruwelijke gebeurtenissen kunt schrijven.’ 

‘Alles wat ik heb meegemaakt verbleekt bij een echte oorlog, maar ik weet wel wat het is om een in een micro-oorlog te leven. Om je permanent onveilig te voelen. Daar word je fysiek een ander mens van. Je bent altijd alert, je altijd bewust van gevaar. Dat kun je niet alleen op je achtergrond gooien, er komt ook karakter bij. Maar toch: ik realiseer me voortdurend wat er allemaal zou kunnen misgaan.’

De Volkskrant schreef over Schuim der aarde dat het was ‘getoonzet in het zwartste zwart’. Je beschrijft hoe in Brazilië een meisje als een varken aan het spit wordt geroosterd boven een vuur, hoe prostituees als ze een kind krijgen tijdens het baren op hun baby gaan zitten, zodat het nekje breekt. ‘Het wemelt van de rotheid en de bedorvenheid’, aldus een andere recensie. 

‘Weet je dat ik me rotschrok toen ik dat las? Eigenlijk eerder al, toen niemand het boek wilde uitgeven. Iedere uitgever wees het af met als argument: ‘Dit is te heftig, dit kan écht niet.’ Daar moest ik dus verdomme 40 voor worden, om erachter te komen dat niet iedereen de wereld ziet zoals ik dat doe.’

En hoe is dat precies? 

‘Ik denk zoals allebei mijn boeken in elkaar zitten. Ik ervaar het leven niet in pasteltinten. Ik heb redelijk veel conflict en heftigheid meegemaakt. Daardoor heb ik me nooit gerealiseerd dat veel mensen wél fluitend door het leven gaan. Terwijl ik overal moed voor moet verzamelen, zelfs om even naar de supermarkt te gaan.’

Ze staat op, loopt de moderne keuken in en zegt streng: ‘Kunnen we het nu alsjeblíéft weer over werk hebben?’ Even later, terug aan tafel: ‘Ik heb altijd om mijn achtergrond heen gedanst, omdat ik niet wilde dat mijn werk over míj ging. Ik wilde eerst aantonen dat ik daadwerkelijk iets kan. Daarom heb ik in interviews nooit iets over mijn eigen geschiedenis willen vertellen.’

Nog steeds komt het er gefragmenteerd en onder protest uit. Geboren in Nijmegen, daarna zo vaak verhuisd dat ze de tel kwijt is. Gewoond in België en Spanje. Haar ouders gingen vlak na haar geboorte uit elkaar, ze groeide op bij haar moeder en haar nieuwe echtgenoot. Samen kregen die na Roxane en haar zeven jaar oudere zus nog drie kinderen. Haar broertje heeft het syndroom van Down. Roxane is 15 als ze in Spanje uit huis wordt gezet en teruggestuurd naar Nederland. Ze komt terecht in Sint-Michielsgestel, waar haar vader woont en ze om de hoek naar het gymnasium gaat. Ze wordt er, als buitenstaander, met de nek aangekeken en geadviseerd naar de scholengemeenschap verderop te vertrekken (‘Achteraf denk ik dat het een bepalend moment is geweest dat ik me daar niet heb laten wegsturen’).

In het Brabantse dorp ontmoet ze ook Joris, tegenwoordig gynaecoloog, die ze in het dankwoord van ’t Hooge Nest haar ‘eerste, en hopelijk ook laatste liefde’ noemt. ‘Hij zat op kostschool in België en kwam in het weekend naar het dorp waar zijn ouders woonden, en ik kende daar niemand. We hebben nooit uitgesproken dat we twee dolende zielen waren die elkaar vonden, maar we voelden allebei wel dat we niet op gewone pubers leken.’

Inmiddels zijn ze bijna dertig jaar samen, al ging dat niet zonder strijd: ‘Als je drie kinderen krijgt, zijn er lange periodes waarin je elkaar kwijtraakt. Maar desondanks zijn we altijd blijven waarderen wie wij voor elkaar zijn. We hebben elkaar intuïtief en dierlijk gevonden in een periode waarin we allebei in de overlevingsstand stonden. Dat dierlijke, maar ook het kinderlijke en speelse is al die tijd gebleven.’

Kun je iets concreets zeggen over hoe jouw jeugd eruitzag? 

‘Nee, omdat ik geen individuen wil beschadigen. Wat ik erover kwijt wil, is dat het zeer onveilig was. En dat het bepalend is geweest voor mijn latere leven. Mensen vragen zich weleens af waar het vandaan komt dat ik – zo’n blond vrouwtje in zo’n mooi Goois huis – met zoveel felheid schrijf over thema’s als vrouwenrechten, ongelijkheid, het belang van financiële onafhankelijkheid. Nou, dat is dus geen geleende thematiek, ik wéét waarover ik praat.’

Was het thuis zowel emotioneel als fysiek onveilig? 

Kortaf: ‘Ja.’

Met haar volle zus heeft ze geen contact meer (‘dat kon niet anders, daarom ben ik in staat me erbij neer te leggen’), haar moeder ziet ze heel soms. Weer staat ze op, diep zuchtend. ‘Hoe zijn we nou hier terechtgekomen? We zouden het hebben over één jaar ’t Hooge Nest en opeens sta ik in mijn blote kont!’

Hoe is het dan om een boek te schrijven over twee zussen en hun zeer hechte familie als je zelf uit een ontwricht gezin komt? 

‘Het heeft ervoor gezorgd dat ik enorm let op mijn eigen gezin. De meeste mensen stichten binnen een soort vanzelfsprekendheid een familie en zijn daarmee niet de hele tijd bezig, maar ik ben me er voortdurend van bewust. ‘Gaat het goed met Joris en mij? Zijn wij een stabiele basis? Kunnen we als het nodig mocht zijn mórgen onze spullen pakken – en zijn we dan met z’n vijven oké?’’

Je man zei: ‘Roxane is erop gebrand om het beter en anders te doen dan hoe ze het zelf heeft meegekregen.’ 

‘Ik wil onze kinderen een simpele, veilige en overzichtelijke wereld bieden. Ik heb nog nooit ergens zo lang gewoond als in dit huis, maar dat komt omdat ik wil dat zij zich nooit hoeven af te vragen waar ze volgend jaar naar school gaan. Zolang je ze niet al te beschadigd aflevert op hun 18de, heb je het als ouder best goed gedaan. Zodat ze in elk geval met een niet al te grote achterstand de wereld in kunnen.’

Beeld Anne Claire de Breij

Zoals jij zelf. 

‘Ja, ik heb er vanaf mijn 18de zeker tien jaar over gedaan om een soort nulpunt te bereiken. Aan de ene kant is dat zonde, tegelijkertijd heeft het ervoor gezorgd dat ik niet kapot te krijgen ben. Stamina, noemen we dat: taaiheid, incasseringsvermogen.’

Een besliste blik, de blauwe ogen op standje stellig. Nu weer over op de favoriete Van Iperen-onderwerpen graag.

Gelijkheid voor vrouwen: ‘Als je vrouwen die wel kunnen werken maar het niet doen steeds weer uitmaakt voor verwende prinsessen of balanstrutten, kom je er niet. Eerst moet het eeuwenoude systeem dat achter die keuze zit worden doorbroken.’

Grootschalige fraude in het bedrijfsleven: ‘Daar speelt ook een vorm van wegkijken. Het collectief is verantwoordelijk, dus niemand voelt zelf nog morele verantwoordelijkheid.’

Haar pleidooi tegen consumentenactivisme: ‘Als een peloton George Bush-soldaten bezigen ze simplistische oorlogsretoriek, die ‘de ander’ (die nog wel vlees eet, vliegt of bij de Primark winkelt) automatisch in het foute kamp plaatst.’

Mensen in belangrijke posities die niet voorbij hun status kijken: ‘Je hoeft echt niet elke dag bij de Voedselbank te gaan helpen, maar doe íéts met de slagkracht die je hebt. Denk tenminste een klein beetje verder dan zelfbehoud en eigenbelang.’

En ‘een van de hardnekkigste theorieën die ons westerse denken beheerst: als je maar hard genoeg werkt, dan kun je alles bereiken. Om mij heen zie ik hoe vanzelfsprekend mensen succes vaak vinden en dat vertalen in het omgekeerde: als je níét succesvol wordt, ben je dus een loser. Terwijl ik mede dankzij mijn broertje met Down weet dat je echt wel anders piept, als je een kind krijgt dat iets mankeert. Dat was binnen ons gezin the least of our problems, maar dan oordeel je dus nooit meer op die manier over andere mensen.’

Als haar 14-jarige dochter binnenkomt, met een grijns: ‘Hé Josephine, ik zit weer op mijn oude feministische stokpaard, over vrouwen die niet werken!’ Meteen daarna: ‘Je kunt je kinderen wel elke dag naar honderd sporten rijden, maar zij worden wie jij bent. Dus dat worden dan óók weer moeders die hun kinderen naar honderd sporten rijden.’

Hoe zorg jij eigenlijk dat jouw kinderen de wereld anders bezien dan jij doet? 

‘Iedere ouder weet dat er met de geboorte van je eerste kind ook een soort doodsangst meekomt. Om daarmee in het reine te komen, moest ik eerst leren omgaan met mijn eigen angsten. Als ik er nu zo over nadenk, ben ik zelf normaler geworden door het opvoeden van mijn kinderen. Vroeger stond ik altijd in de vechtstand. Maar om een gezond gezin te creëren, heb je ook mildheid nodig. Je kunt kinderen in een wereld die eigenlijk hartstikke veilig is ook niet opvoeden met het idee: iedereen is erop uit je te pakken te nemen. Daartoe moest ik mijn eigen shit loslaten. En praat ik er vervolgens ook liever niet over. Dat is misschien wel des Janny’s, dat ik dacht: niet te veel over jezelf miepen. Dat haalt de aandacht weg bij verhalen die veel belangrijker zijn dan de mijne.’

In het nawoord van ’t Hooge Nest schrijf je: ‘Je gedurende langere tijd onderdompelen in de details van de Holocaust verandert een mens wezenlijk.’ 

‘Ik wist zelf al wel hoe donker de mens kan zijn, ik dacht ook dat ik de kelder redelijk kende. Maar als je tot in detail nagaat wat er in de concentratiekampen gebeurde, weet je dat er geen enkele grens is aan het kwaad dat mensen bereid zijn anderen aan te doen. Begin 1943 waren Janny en Lien jonge twintigers uit Amsterdam; anderhalf jaar later moesten ze zien te overleven in de Poolse kou, zonder onderbroek, onder de luizen, tussen de lijken en ontdaan van alle menselijke waardigheid. Dat heeft me nederiger dan ooit gemaakt. Het enige dat ertoe doet is mijn gezin en mijn werk. Ik verzin ook geen excuses meer voor al die dingen waarvan ik vond dat ik eraan moest meedoen, om de schijn van normaliteit op te wekken. Ik houd niet van borrels of socializen en om geestelijk gezond te blijven, heb ik veel rust nodig. Daarvoor schaam ik me niet meer. En de angst om te vallen negeer ik zoveel mogelijk. Sciencefictionschrijver Philip K. Dick zei het ooit mooi: ‘I’m not much, but I’m all I have.’ Dat geldt ook voor mij.’

Roxane van Iperen

1976 geboren in Nijmegen

1990-92 Engelse middelbare school in Málaga

1992-95 gymnasium Beekvliet

1996-2001 studie rechten, Universiteit van Amsterdam

2001-2004 beroepsopleiding advocatuur

2001-2005 jurist, Nauta Dutilh

2005-2006 consultant, Van Dooren

2006-2011 juridisch en strategisch adviseur, Tendris

2011-nu zelfstandigenpraktijk ‘De Pleitschrijver’

2014 begint in de journalistiek als columnist van glossy magazine Jackie, daarna freelancer voor onder meer Vrij Nederland, Het Financieele Dagblad, Het Parool, De Morgen, De Correspondent, Follow the Money

2015-nu voorzitter Raad van Advies SIDN-fonds

2016 gastcorrespondent Brazilië voor De Correspondent, debuutroman Schuim der aarde, winnaar Beste Debuutroman (Hebban)

2017 Winnaar VOJN Award voor Beste Journalistieke Opinie 2017 (met artikel en videocolumn over de koolstofbubbel en de macht van de fossiele industrie.

2018 ’t Hooge Nest verschijnt

2019 winnaar Opzij Literatuurprijs, houdt Cleveringa-lezing

Roxane van Iperen is getrouwd met Joris Lenglet. Samen hebben ze een dochter en twee zoons. Ze wonen in Naarden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden