ColumnNico Dijkshoorn

Ik gooide mijn laatste pijl in de dubbel zestien en riep heel hard ‘thirtyyyy andddd twooo!!’

In 1987 speelde ik mijn belangrijkste wedstrijd darts. Wie verloor moest afwassen. Toeschouwer: onze kat Miep. Ik speelde tegen mijn vijf jaar jongere broer. Steeds als ik gooide, probeerde hij mijn wil te breken door verhalen te vertellen die ik liever vergat. Ik mikte op het vakje drie keer twintig en hij stond een halve meter naast me.

‘Dus Nico komt op school, in een korte broek, en hij ziet dat niemand een korte broek draagt. Nico weet zelf ook wel dat hij rare knieën heeft. Twee knollen selderij met een vel eromheen. Nico begrijpt meteen dat hij de hele dag in die korte broek tussen meisjes moet lopen. Met die knieën van hem.’

Ik wist toen al dat het bij darts aankomt op concentratie. Al draagt je tegenstander een hawaiiblouse vol met anale seks, het gaat uiteindelijk toch om dubbel uitgooien. Mijn broer begreep dat niet. Die was te veel bezig met uiterlijkheden. Hij dacht dat je met een paar mooie knietjes klaar was, maar ik leerde hem die middag dat het leven anders in elkaar zit.

Ik vernietigde hem. Die fucker mocht dan 12 jaar oud zijn en we moesten hem optillen als hij wilde zien in welke vakjes hij had gegooid, maar dat deed er even niet toe. Ik ging deze dwerg van eigen vlees en bloed vermalen. Nog drie pijlen en dan mocht meneer twee aangekoekte schalen oud gehakt gaan afwassen. Ik gooide mijn laatste pijl in de dubbel zestien en riep heel hard ‘thirtyyyy andddd twooo!!’ Daarna keek ik op mijn gemak hoe mijn broer dit ging verwerken.

Eerst was er ontkenning. Hij deed net alsof hij een nietmachine op mijn bureau voor het eerst zag. Ik zei: ‘Je hebt verloren, kabouter.’ Hij bekeek de onderkant van mijn nietmachine. ‘Afwassen, tweede mislukte zoon’, zei ik. Hij wierp mijn nietmachine op het bed, stond woedend voor het dartbord en gooide een laatste zinloze pijl.

We keken samen naar Miep. Er stak een pijl uit haar zijkant. Ze moest het blijkbaar zelf ook nog even verwerken. Opeens begon ze korte, explosieve sprintjes door mijn kamer te trekken. Telkens stopte ze en keek achterom. Nee, hij zat er nog. Daar ging ze alweer.

Mijn broer en ik riepen tijdens iedere sprint van Miep heel hard ‘nee’ en ‘och Jezus’. Wij zagen, door jarenlang samen natuurfilms kijken, meteen dat het niet levensbedreigend was. Dit leek heel erg op wat we twee weken geleden hadden gezien. Zo ving je een zebra. Je gaat ernaast rijden in een open auto en dan schiet je een verdovingspijl in de zijkant van de zebra, omdat je aan de ogen ziet dat ze een leverziekte heeft.

Miep was kerngezond, al nam de explosiviteit van haar sprintjes wel af. Ze scheerde langs mijn bed en de pijl kwam los. ‘Ik ga mamma zeggen dat je Miep wilde doden omdat je moest afwassen’, zei ik. Mijn broer streelde Miep onder haar kop. Er kwam een tevreden geluid diep uit haar binnenste. Ze deed het nog.

Daarna nam ik Miep op schoot en ging in de keuken op een krukje achter mijn broer zitten, om te zien hoe hij met zijn nagels aan oud gehakt pulkte. Ik zei af en toe: ‘32.’ Dit kwam heel dicht in de buurt van geluk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden