Column Ibtihal Jadib

Ik ga mezelf voortaan Truus noemen, dan kom ik tenminste nog ergens

Beeld Valentina Vos

Die naam van mij is erg vermoeiend. U heeft waarschijnlijk ook al drie keer moeten kijken in een poging er iets van te maken, waarna u, zo stel ik mij voor, uiteindelijk maar de schouders heeft opgehaald met een ‘het zal wel’.

In het Arabisch klinkt mijn naam als een romantisch gedicht dat met zijn sierlijke klanken de oren kietelt en de mondhoeken aangenaam omhoog krult. In het Nederlands klinkt mijn naam alsof iemand in een grabbelton wat letters heeft gegraaid en na het zien van de oogst dacht: nou, dan maar zo.

Ik zal u niet vervelen met een uitleg over de juiste uitspraak, laten we het weekend leuk beginnen. In de loop der jaren heb ik verschillende technieken ontwikkeld om de gedupeerden die mijn naam moeten uitspreken zo veel mogelijk te ontzien. Vroeger sprak ik mijn naam alvast vernederlandst uit als ik mijzelf voorstelde, dan was ik het snelst van het gedoe af. De meest voorkomende uitspraken waren ieptjel, iptjal en iptiehal, dus dan koos ik een van die drie. Dat ging me op den duur tegenstaan, want diep van binnen kromp ik iedere keer ineen bij het horen van die lelijke klanken die niets van doen hebben met mijn eigenlijke naam. Bovendien wekte ook de Nederlandse uitspraak verwarring op want als er iemand bij ons thuiskwam, hoorde die mijn moeder iets heel anders roepen. Menig vriendin legde mij dan het vuur na aan de schenen: ‘Zeg, hoe héét jij eigenlijk?’

Dat bracht mij op het gebruik van afkortingen. Ook daar heb ik een verzameling van: iep, ip, ibbie en iebbie. Die afkortingen zijn prima, zolang ik me niet in een formele setting bevind. In dat geval kom ik er soms mee weg alleen mijn achternaam te noemen, maar als er naambordjes in het spel zijn valt die optie in het water. Zo kreeg ik eens tijdens een cursus een preek van de trainer over hoe ik mezelf ‘moest neerzetten’ en van de ander mag verwachten, zelfs eisen, dat die de moeite neemt mijn naam goed uit te spreken. Het klonk allemaal leuk en aardig, dat gelul over assertiviteit en ‘voor jezelf durven staan’, maar soms wil je gewoon dóór met het gesprek.

Afijn, laatst was ik het helemaal beu, want toen stond ik in het Koninklijk Paleis op een halve meter afstand van koning Willem-Alexander. Nu denkt u vast: hoe ben je daar nou weer terechtgekomen? Nou dat is heel simpel: u moet een column schrijven voor de krant en dan gaan mensen ineens denken dat u bijzonder genoeg bent om bij heel deftige dingen aanwezig te zijn. Ik dacht eerst dat het een vergissing was, maar neen, op de uitnodiging stond toch echt Ibtihal Jadib en aangezien ik niemand anders ken met zo’n rare naam, ben ik maar naar het paleis gegaan. Daar reikte onze koning de Erasmusprijs uit aan Barbara Ehrenreich, een Amerikaanse journalist met een indrukwekkende staat van dienst. Terwijl ik eeuwig zit te peinzen over het leven, dóén dat soort helden tenminste iets. Na de ceremonie stond de koning te praten met mensen, gewoon zo in de zaal. En ik stond er pal naast! Naarstig vroeg ik mezelf af of ik de kans zou grijpen iets te zeggen tegen onze koning, toen ik me realiseerde dat mijn naam het gesprek genadeloos zou verpesten. Hij zou die beleefd proberen uit te spreken, ik zou oeverloos de klanken voorzeggen en ondertussen zou de koning een lakei wenken om mij naar de deur te leiden, aangezien hij wel wat beters te doen heeft dan rare namen te oefenen van mensen die hij toch nooit meer ziet. Ik ga mezelf voortaan Truus noemen. Dan kom ik tenminste nog ergens.

ibtihal.jadib@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden