Interview Ahmet Polat

'Ik ben geen vluchteling, maar wel gevlucht'

In Nederland was fotograaf Ahmet Polat (40) De Ander, dus verhuisde hij naar Turkije. Tot hij besefte: ook hier moet ik weg. ‘Ik ben geen vluchteling, maar wel gevlucht.’

Ahmet Polat Beeld Casper Kofi

Ahmet Polat (Nederland, 1978) was in 2015 Fotograaf des Vaderlands. De afgelopen jaren exposeerde hij onder meer in Bozar in Brussel (Imagine Istanbul), Photo London (A Bridge Too Far en Kemal’s Dream) en op de Istanbul Biënnale (The Myth of Men). 

Voor het Compagnietheater werkte hij aan de voorstelling Donkere maan. En in november opent zijn expositie Werk, bid en bewonder in Museum Dordrecht. Ook werkt hij als docent bij Aki Artez in Enschede.

De vader van Ahmet Polat was de eerste buitenlander in ­Fijnaart. ‘Halverwege de jaren ­zeventig, mijn ­vader zag eruit als John Travolta in Saturday Night Fever. Een broek met wijde pijpen, een hemd met een brede kraag en een afro. Zo liep hij de enige dancing in Fijnaart binnen, de Kopermolen. Exotisch en spannend. Mijn vader had in Istanbul gewoond, met een vrachtwagen reed hij door heel Europa. Het transportbedrijf had een hoofd-­kantoor in Klundert. Als daar papierwerk moest worden geregeld, kreeg mijn vader een paar dagen vrij.

‘Fijnaart was zo’n dorp waar ze ­zeiden: twee geloven op één ­kussen, daar slaapt de duivel tussen. Mijn moeder was katholiek, mijn ­vader moslim. Hij was geen gastarbeider. Mijn vader wilde mijn moeder meenemen naar Turkije. Voor haar was die stap te groot. Het verschil was niet: hij is Turks en zij is Nederlands. Mijn moeder kwam uit een dorpje in Brabant. Mijn vader had de wereld al gezien. Toch bleef hij in Fijnaart. De frictie tussen hem en het dorpsleven was continu. Tot de climax kwam. Zoals ik het me herinner, ging dat zo: tijdens carnaval was hij aangevallen en uitgescholden door drie dronken mannen. Ga terug naar je eigen land. Een jaar later kwam mijn vader die mannen weer tegen. Hij wilde wraak nemen en haalde thuis een machete waarmee hij ze te lijf is gegaan.’

Wat zeg je?

‘Mijn vader was niet slecht, hij deed iets slechts waar hij veel mensen verdriet mee heeft gedaan. Het heeft ons gezin voor het leven getekend. Hij zat een half jaar vast. Ook voor dat incident werden mijn broertje en ik al in ons gezicht gespuugd. Het waren twee werelden, binnen en buiten de school. We zaten op de eerste openbare school in het dorp, met de meer vrijdenkende kinderen. Daar ging ik om met vriendinnen die tegenover ons woonden. We spraken elkaars taal. Ik weet niet of het kwam doordat hun ouders niet uit Brabant kwamen. Buiten moest ik overleven. Tussen de kinderen van de katholieke school en het kamp.

‘Op de middelbare school in ­Roosendaal zag ik voor het eerst andere Turken in Nederland. Ik dacht: daar hoor ik bij. Ik was nieuwsgierig, wilde gesprekken met ze hebben. Dat is nooit gebeurd. Mijn vader legde het aan me uit: Ahmet, jij bent niet hetzelfde als de Turken hier, wij zijn anders dan de gastarbeiders. Die kwamen uit een ander deel van Turkije. De familie van mijn vader was hoogopgeleid, ze waren grondbezitters in Turkije, zijn neven studeerden in ­Oxford. Het was een andere cultuur.

‘Ik hield me bezig met twee dingen: tekenen en basketbal. Op school zeiden ze: waarom ga je niet naar de kunstacademie? Daar had ik nooit aan gedacht. Ik had al mijn hoop ­gevestigd op de St. Joost in Breda. Op de kunstacademie zag ik niemand die op mij leek, maar ik wist: hier moet ik zijn. Dat ik werd toegelaten was een moment. Shocking. Mijn moeder had ook naar de kunstacademie gewild. Als meisje kon dat niet in die tijd.

‘De ambitie om de wereld te zien is begonnen door Fijnaart te willen verlaten. Op de kunstacademie kreeg ik steeds vragen over mijn Turkse kant. Ik was er helemaal klaar mee om altijd te worden aangesproken op mijn anders-zijn. Door naar Turkije te reizen leerde ik mijn vader kennen. Ik kende het land alleen van vakanties. Van mijn familie, mensen die me graag zagen komen. Voor mij werd Istanbul wat voor andere mensen het New York van de jaren zestig was. Een jonge stad met een beginnende kunstwereld, de eerste galerieën werden net geopend. In 2004 verhuisde ik.

‘Ik zag de potentie van wat daar voor mij mogelijk was als fotograaf. In 2006 won ik een ICP Award, als eerste Nederlander. In Istanbul werd dat groot gevierd, in Nederland werd het pas een paar jaar later opgepikt. Ik kreeg een solotentoonstelling in het Istanbul Modern, maakte verhalen voor The New York Times, Paris Match, werd creative director van de Turkse Vogue. Ik ontmoette mijn vrouw. Shelley is Brits West-Indisch, een donkere vrouw. Niemand sprak ons aan op ons anders-zijn. We leefden in een internationale gemeenschap. Zij in de modewereld, ik in de kunstwereld. We trouwden, kregen een kind.’

En toen?

‘In 2012 begon ik de omslag te zien. De spanning tussen hoogopgeleide jongens en meiden en de oudere conservatieve Turken. Turkije had zich juist geprofileerd als land van de toekomst. Die jongeren waren betrokken bij het publieke debat. Ze dachten dat ze inspraak mochten hebben. Alles kwam samen in de protesten over het Gezipark in Istanbul. Daar wilden ze een winkelcentrum bouwen, de jongeren wilden het park behouden. Die protesten werden hardhandig neergeslagen door de AK-­partij. Het begin van het einde van de vrijheid van meningsuiting.

‘Ik gaf les op de Koç Universiteit. Alle faculteiten kregen een papiertje: het Ministerie van Educatie bepaalt voortaan het curriculum. Die avond zei ik tegen Shelley: als dit wordt doorgevoerd, hoe voeden wij hier dan ons kind op? Voor het eerst voelde ik dat ik niet kon zeggen wat ik dacht. Ineens merkte je: er worden kanten gekozen, ik moet nu oppassen. Zelfs mijn vrijdenkende vrienden stopten met praten. We hoopten op de ver­kiezingen van 2013. Nadat daar werd gekozen voor de conservatieve ­gedachte, was het voorbij.

‘Alles wat ik in tien jaar had opgebouwd, moest ik opgeven. In 2014 kwamen we naar Nederland. Ik ben geen vluchteling, maar ik ben wel ­gevlucht. Tijdens de verhuizing werd ik gebeld: Ahmet, we horen dat je terug bent, wil je Fotograaf des Vaderlands worden? Ik zei: te gek, maar wat is dat? In 2015 heb ik het een jaar lang gedaan, het was een groot feest. Het mooiste was dat ik weer kon zeggen wat ik dacht. In Nederland kan ik me bewegen en uiten zoals ik dat wil.’

Nederlands

‘Als ik hier niet ben.’

Turks

‘In Istanbul.’

Eten

‘Een mezzetafel met worstenbroodjes en snert.’

Partner

‘Net als ik nam zij het risico om voor de liefde te kiezen, zonder angst voor de sociale verwachtingen.’

WK voetbal

‘Ik was nooit speciaal voor Nederland of Turkije, bij ieder toernooi kies ik voor de underdog.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden