De eenzame uitvaart vanMevrouw van G.

Iedereen was gek, behalve mevrouw Van G.

Beeld Merel Corduwener

Mevrouw Van G. sprak niet over de kinderen en de partner die ze nooit had, hoort schrijver Joris van Casteren, coördinator eenzame uitvaarten in Amsterdam. Was het een ongelukkige liefdeservaring? Een gelofte, of een kuisheidsideaal?

Poule des doods

Schrijver Joris van Casteren doet verslag van zijn wederwaardigheden als coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Daarbij leest een dichter, ­aangesloten bij de zogenoemde Poule des Doods, een gedicht voor de gestorvene voor. Vandaag het ­relaas van mevrouw Van G. 

De melding komt op maandagmorgen, het betreft de 82-jarige mevrouw Van G. Een week eerder is ze gevonden in haar woning op de tiende verdieping van een flat in Amsterdam-Noord.

Mevrouw Van G. was ongetrouwd en kinderloos. Sinds augustus 1976 woonde ze in de flat, met haar vader en haar moeder, overleden in 1993 en 2004. Broers of zussen had ze niet, het bevolkingsregister maakt geen melding van familieleden.

Van Bokhoven en Rosenberger van Team Rampendienst, Uitvaarten en Pension (TRUP) van de gemeente Amsterdam dachten niet dat het een eenzame uitvaart zou worden. Ondanks afwezigheid van nageslacht en bloedverwanten leek mevrouw Van G. midden in het leven te staan. Ze was eigenaar van een kapsalon geweest, had nog behoorlijk wat geld op haar bankrekeningen staan, kwam niet voor in systemen van hulpverleners. Zo iemand heeft toch vrienden en kennissen?

De agenten die haar woning betraden vonden sieraden, contanten en een tamelijk riante uitvaartpolis. Een wilsbeschikking leek er niet te zijn, in het Centraal Testamentenregister konden Van Bokhoven en Rosenberger ook niets vinden. Misschien lag ergens in de woning toch een of ander document, een adresboek desnoods, met gegevens van vrienden en bekenden. In de hectiek van het moment konden de agenten dat makkelijk over het hoofd hebben gezien. Ze hadden gezocht (‘Eindelijk weer eens een schoon huis!’, lees ik in Van Bokhovens rapportage), maar niets kunnen vinden. TRUP-chef Bert Kiewik vindt het maar een vreemde zaak, hij besluit nogmaals te gaan kijken.

***

Het waait op de galerij, Landsmeer is zichtbaar in de verte. Kiewik prutst aan het provisorische slot (‘Aangebracht door de firma Beunhaas’, schrijft Van Bokhoven) als de deur van de naastgelegen woning opengaat. Een oude man, krom van reumatiek, vraagt of we bij hem binnenkomen. Hij heeft mevrouw Van G. gekend, jazeker. Zijn woning is smetteloos: beige vloerbedekking, eikenhouten meubilair, ingelijste stadsgezichten, een wandklok met gewichten.

De buurman draagt een geruit hemd, hij loopt op sloffen. Zijn vrouw is een jaar geleden gestorven, hij voelt zich eenzaam maar heeft twee zoons die hem soms bezoeken. Hij was banketbakker, werkte tot zijn pensionering bij krokettenfabrikant Kwekkeboom. In de jaren negentig betrokken zijn vrouw en hij de flatwoning, de vader van mevrouw Van G. was toen al dood. Mevrouw Van G. was wispelturig: lief en vriendelijk, plotseling onredelijk en boos. Na het overlijden van haar moeder werd het erger, de vrouw van de buurman had er genoeg van. Waren ze jandorie niet naar haar moeders schaars bezochte uitvaart geweest? Hadden ze haar de dag ervoor niet naar het mortuarium gereden waar de vrouw lag opgebaard?

Op een keer waren ze ziek. Rond elf uur ’s ochtends ging mevrouw Van G. naar het winkelcentrum, dat was vaste prik. Kon ze dan misschien een brood meenemen? Nee, zei mevrouw Van G., jullie hebben toch je kinderen? Voor de vrouw van de buurman was het toen afgelopen. Maar hij had medelijden, voor haar was er niemand. Soms schoof mevrouw Van G. het sportkatern van de krant voor hem onder de deur door, zijn vrouw beviel het niets.

***

Met een andere buurman, inmiddels verhuisd, was ruzie ontstaan. Volgens haar was hij in de lift handtastelijk geweest, niemand op de galerij geloofde het. Iedereen was gek, behalve zij. Een paar jaar geleden reed de buurman haar voor een bepaald onderzoek naar het ziekenhuis, zonder dat zijn vrouw het wist. Hij zag dat ze haar voordeur met drie sloten vergrendelde. Hij vroeg: wat als er brand uitbreekt? Dan zouden ze de ramen wel inslaan, ze wilde zich veilig voelen.

Twee weken geleden zag hij haar voor het laatst, ze liep moeizaam. Ze zei dat ze nooit naar een verzorgingshuis zou gaan, hij zei dat hij dat ook niet wilde. Ons krijgen ze hier niet weg, riep ze. Vorige week kwam hij thuis, parkeerde in de garage. Bij de ingang aan de Loenermark zag hij drie politiewagens staan. De agenten moesten bij hem op de verdieping zijn.

Hij mist haar wel, nu is er niemand meer van vroeger. Ze was een opvallende verschijning, elegant gekleed, het haar zorgvuldig opgestoken. Hij vertelde het bij de groenteboer, de slager en de bakker, die haar, vanwege het opgestoken haar, Het Knotje noemden. Ze zeiden: het was geen makkelijk mens, maar we schrikken er wel van.

***

Met Kiewik ben ik in de woning. Mevrouw Van G. verzamelde handbeschilderde beeldjes van porselein, ze staan opgesteld in glanzende vitrines. Overal antiek: tinnen potten, koperen ketels, vergulde kandelaars, een ouderwetse stoof, met messing ingelegd. Op de salontafel ligt Het bittere kruid van Marga Minco opengeslagen, in een kast werken van Haasse, Couperus en Bomans. Vanuit haar stoel aan het raam kon mevrouw Van G. de bomen in het Vliegenbos zien, het knipperende lampje op de Rembrandttoren.

Een dressoir met ingelijste foto’s. Mevrouw Van G. als klein meisje, in een witte jurk, tussen haar ouders in. Haar moeder draagt een hoed die op een fruitmand lijkt. Haar vader, op de foto in kamgaren pak, werkte als expeditieknecht bij transportbedrijf Brasch & Rothenstein, gevestigd aan de Hoogte Kadijk. Daar kom ik later achter, met hulp van het Stadsarchief.

In de oorlog, lees ik in een oud politierapport, deed hij aangifte van ‘vermissing van twaalf dozijn potloodstiften, die vanuit een vrachtwagen, rijdende van het Goederenstation Plantage Doklaan naar Hoogte Kadijk moeten zijn ontvreemd’. Uit de persoonskaart van de grootouders blijkt dat haar ouders broers en zussen hadden. Met hun kinderen, haar neven en nichten, was blijkbaar geen contact.

Kiewik bladert door een fotoalbum. Zwart-witafbeeldingen van naamloze mensen. We zien vrolijke bijeenkomsten, opgewekt gezelschap. Mevrouw Van G. en haar ouders maken er als vanzelfsprekend deel van uit, op dat moment lijkt alles zo gewoon. Een mapje met kleurenfoto’s van twee wintersportvakanties (‘Sleinach 1985’, ‘Embach 1986’) levert ook geen aanknopingspunten op. Wie zijn de mensen met wie ze skiën? Wanneer spraken ze elkaar voor het laatst? Foto’s van een pluizige hond. Hij ligt hier op het balkon, een zomer aan het einde van de jaren tachtig. Nog een hond: een kleine witte. Mevrouw Van G., het haar nog blond, drukt hem op de galerij tegen zich aan.

***

Voor de testamentair-executeur met wie TRUP  werkt, wordt het nog een heel gepuzzel. Als hij geen erfgenamen kan vinden worden waardevolle stukken van de inboedel geveild. De opbrengst van die verkoop komt met de financiële tegoeden in beheer bij het Rijksvastgoedbedrijf. Twintig jaar blijft het daar staan, opeisbaar door nabestaanden, mochten die alsnog opduiken. Daarna gaat alles naar de staat.

Het bed in de slaapkamer is ruw opzij geduwd, het lichaam van mevrouw Van G. lag ernaast. De huisarts kwam en stelde vast dat sprake was van natuurlijk overlijden. Aan de muur in de slaapkamer hangt een houtskoolschets. Een jeugdige mevrouw Van G., in 1973 vervaardigd in Parijs door een zekere Dragan.

We kunnen geen adresboek vinden, Kiewik pakt de telefoon en drukt op de herhaaltoets. Let op, zegt hij, een oude truc. De telefoon gaat driemaal over, een mevrouw neemt op. Kiewik, die zelf ook een beetje schrikt, zegt dat hij van de gemeente is. De mevrouw woont in de flat hiertegenover. Ze weet dat mevrouw Van G. is overleden. Ze kan nu niet lang praten.

***

Als ik de overbuurvrouw (76) spreek, zegt ze dat ze schrok toen Kiewik belde, omdat haar telefoon aangaf aan dat het mevrouw Van G. was. Ze dacht even dat ze gek werd, was mevrouw Van G. weer tot leven gewekt? Ze had niet lang contact met haar, pas sinds oktober. Ze kende haar wel van gezicht, zag haar op straat en in het winkelcentrum. Mevrouw Van G. liep steeds moeizamer, ze was altijd alleen. Een heel gesjouw met boodschappen.

Ze maakte een praatje, noemde haar naam. In de eerste week van oktober moest mevrouw Van G. naar het ziekenhuis, ze wilde met haar Canta gaan, een rood autootje dat beneden in de garage staat. Ineens werd ze niet goed, zo kon ze zelf niet rijden. Dus belde ze de overbuurvrouw op, die in de telefoongids staat. De overbuurvrouw bracht haar, vanaf dat moment belde mevrouw Van G. haar vaker.

Ze vertelde over de kapperszaak en over de Pontanusstraat, waar ze tot de verhuizing naar de flat met haar ouders woonde. Na de dood van haar vader knipte ze niet meer, alleen nog haar eigen haar en dat van haar moeder. Ze vertelde niet waarom ze thuis was blijven wonen, sprak niet over de kinderen en de echtgenoot of partner die ze nooit had. Was het een ongelukkige liefdeservaring? Een gelofte of een kuisheidsideaal? Ze wilde geen contact met familieleden, zei ze op een keer. Na de dood van haar moeder zou een neef over geld zijn begonnen.

Aan het einde van oktober was ze duizelig, ze durfde niet meer naar buiten. Ze belde de overbuurvrouw, zei dat ze al een week rijstepap at. De overbuurvrouw ging meteen boodschappen doen. Vorige week maandagavond belde mevrouw Van G. haar op, het laatste gesprek dat ze voerde. De volgende dag rond twee uur zou de overbuurvrouw haar boodschappen komen brengen. Van tevoren zou ze bellen, dan kon mevrouw Van G. op haar gemak naar de deur schuifelen en de sloten alvast losmaken.

Toen de overbuurvrouw om twee uur belde, nam mevrouw Van G. niet op. De huisarts zou langskomen, had ze verteld, misschien was hij nog met haar bezig. Om half drie nam mevrouw Van G. nog steeds niet op. De overbuurvrouw belde de dokter, die zei dat ze niet had opengedaan.

***

Donderdagochtend, tien uur, begraafplaats Sint Barbara. Vanwege de tamelijk riante uitvaartpolis wordt mevrouw Van G. onder het zogenoemde hoogtarief begraven. Gewoonlijk is de kist van eikenprint, mevrouw Van G. heeft de ‘grijs-wax’ uitvoering gekregen, het bloemstuk is ook groter.

De overbuurvrouw is niet gekomen, ze was bang dat ze bij de Coentunnel in de file zou komen te staan. De buurman had al aangegeven dat zijn reumatiek het hem belette.

Ik laat eerst Blue in Green van Miles Davis voor mevrouw Van G. spelen, in haar woning lagen jazzplaten. Lp’s van Herman van Veen waren ook aanwezig, dus laat ik van hem het nummer Praat dan wat klinken. Tot besluit het adagio van een op cello uitgevoerde altvioolsonate van Rebecca Clarke, want mevrouw Van G. hield ook van klassiek. Acht dragers nemen de baar op hun schouders. Met Anneke Brassinga, die voordroeg na Miles Davis, loop ik achter hen aan naar buiten.

Was u eenzaam, of had u lief de rust? Het mooie

uitzicht, het fijne antiek, de spulletjes dierbaar,

en foto’s van doden die nu vergeten gaan worden,

mee met u wegvloeiend in de regen van de tijd.

De teddybeer, de lappenpop, het keteltje – er is veel,

heel veel dat reliek wordt in de loop van leven:

van al de levens die bijeen zich hielden in

dit ene, dit van u. En, in tot voor kort (nog maar

vijftien jaar geleden) dat van de moeder

met wie u deelde ’n heden bijna ’n halve eeuw

lang, op tienhoog samen omringd door almaar meer

‘toen’: de trouwe hond die nog een beeldje is

van klei, de tegeltjes met spreuken, het kristal.

De buren kenden u als lief en dan soms bits en

boos. Zoals ik zelf ook uit mijn slof vaak schiet,

tot nijdas word ineens. Als dat het ergste was ...

dan komen u en ik elkaar straks tegen in de hel,

gezellig, dan bespreken we de vraag: leven –

is het vol als uw kamers of leeg als de lucht?

Anneke Brassinga

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden