ColumnIbtihal Jadib

Ibtihal was in het paradijs, maar zat er toch weer tussen de norse Nederlanders

Ibtihal Jadib Beeld
Ibtihal Jadib

Nederland is een heerlijk land om in thuis te komen. Alles is bijna goed geregeld, onze lompe volksaard valt in aanwezigheid van andere Nederlanders niet meer op en zelfs het klimaat is fijn gezien de koele, muggenvrije nachten. Ja, na zo’n lange zomervakantie kan ik reikhalzend uitkijken naar de vertrouwde cadans van pendelen tussen het schoolplein en de werkplek. Het is de vraag hoelang dat gevoel zal aanhouden, maar zo’n overzeese trip haalt de mens flink op en is leerzaam bovendien.

Voor vertrek had ik nauwelijks een idee van het leven op Curaçao. Tijdens mijn studiejaren was het eiland eens voorbijgekomen in een korte paragraaf bij het vak staatsrecht, en verder heb ik menig TUI-poster bestudeerd tijdens het haringhappen. Dat laatste is te verklaren door de standplaats van mijn favoriete haringkar: recht tegenover een reisbureau. In de rij voor het visje sta je met de neus zo ongeveer tegen een etalage, waarin opvallend vaak Curaçao wordt aangeprezen. Nu zijn plaatjes van witte stranden en lachende gezinsleden uitstekend te verdragen, ze roepen hooguit verachting op voor het eigen, regenachtige bestaan, maar verder is er geen reden tot beklag.

Inmiddels kan ik de plaatjes naar waarheid beoordelen. Voor wat betreft de stranden kan ik bevestigen dat die er op Curaçao uitzien alsof iemand een Instagramfilter heeft aangezet, je gelooft haast niet dat het echt is. De lachende gezinsleden daarentegen blijken niet te kloppen, dat moeten goedbetaalde acteurs zijn geweest. In werkelijkheid lopen wij Nederlanders op een tropisch eiland rond met een blik alsof we in een azijnfabriek de stelling van Pythagoras moeten omkeren. Slechts eenmaal kwam ik een vrolijk kletsend stel tegen, maar dat bleken verdwaalde Amerikanen te zijn. De rest van het bitterbalhappende toeristenbestand sjokte lusteloos vooruit of hing nors in de strandstoel. Een merkwaardige houding gezien de vrolijke omgeving. Misschien zijn Nederlanders meer solidair met de Afghaanse bevolking dan we tot nu toe hebben laten blijken en viel het de badgasten zwaar om nog licht te zien in de verknipte wereldorde.

Curaçao zelf past ondertussen uitstekend in een wereld vol ongemakkelijke tegenstellingen. Op de Julianabrug keek ik uit over de Handelskade in Willemstad, waar uitbundig gekleurde huizen tegen een lieflijk decor van fonkelend blauw staan. Toen ik mij omdraaide naar mijn man om dat ­geweldige uitzicht met hem te delen, zag ik het pas aan de andere kant van de brug: de Isla, de olieraffinaderij van Curaçao. Een verzameling schoorstenen op een enorm industrieterrein smeerde het beeld grijs. De verouderde Isla ligt al een paar jaar stil, wat een zegen is voor het milieu en de gezondheid van de bevolking, maar economisch gezien een ramp betekent voor het eiland. Er zouden vele honderden banen terugkomen die meer dan welkom zijn. Helaas is modernisering van de raffinaderij onbetaalbaar (tenzij iemand 3 miljard uit z’n mouw kan schudden), evenals de optie om de boel te ontmantelen en op te ruimen. Het is taaie drek wat er schijnt te liggen, alleen visieloze politiek is lastiger weg te poetsen.

Gelukkig hebben mijn kinderen nog geen weet van dit alles. Zij hebben ademloos schildpadden gespot tijdens het snorkelen, dagelijks een paar leguanen ontmoet en hun buikjes rond gegeten met pastechi’s. Alleen de Curaçaose erwtensoep zo midden in de zomer, daar moesten ze niks van hebben.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden