Interview Ian Buruma

Ian Buruma: ‘Als schrijver word je snel in een bepaalde hoek gezet, van intellectueel en dus moeilijk’

Ian Buruma verrast met zijn memoires over de tijd dat hij in Japan aan de filmacademie studeerde – ze geven de intellectueel een rauw randje. Over die Japanse jaren, Trump en de hysterie rond #MeToo.

Ian Buruma in Amsterdam, 2018. Foto Marie Wanders

Neeee, zegt Ian Buruma (66) sussend: een relnicht was hij nou óók weer niet. ‘En ik hoop niet dat mijn andere boeken saai en droog zijn. Als schrijver word je snel in een bepaalde hoek gezet, van intellectueel en dus moeilijk.’

De vraag – meer een opmerking – was dat Buruma’s nieuwe boek Tokio mon amour, over zijn jaren als filmstudent in Tokio in de jaren zeventig, behoorlijk verrassend is; óók omdat het het ietwat statige beeld dat van Buruma bestaat - een van ’s werelds belangrijkste intellectuelen, winnaar van de Erasmusprijs, jaren hoogleraar mensenrechten en democratie in New York en nu hoofdredacteur van The New York Review of Books – een leuk, rauw randje geeft.

Maar dat beeld van statige intellectueel is dus eenzijdig, zegt Buruma. ‘Mensen praten elkaar na, zo werkt dat met meningen. Als iemand een mening over iemand heeft, praat hij meestal een mening van een ander na. Dat is één ding. Een ander ding is dat de Nederlandse cultuur lang confessioneel is geweest, op een heel protestantse manier. Toen ik nog student was, las ik de interviews van Bibeb in Vrij Nederland. Meestal stond er een kop boven als ‘Ik moest dagenlang grienen’, of ‘Ik stond doodsangsten uit’. Zij lokte dat natuurlijk ook uit, ze probeerde mensen op die manier het onderste van hun ziel te laten zien. Ik heb daar altijd moeite mee gehad, het is misschien mijn Engelse kant, maar goed, ik heb een ontzettende hekel aan dat soort interviews. En dan denken mensen: hij zal wel ontoegankelijk zijn.’ Milde glimlach: ‘Of wijs.’

In Tokio mon amour schrijft Buruma over zijn leven in Tokio van 1975 tot 1981, toen hij aan de filmacademie van de Nihon-universiteit studeerde en bevriend was met de Amerikaanse schrijver en filmjournalist Donald Richie, aan wie het boek is opgedragen. Het waren duistere jaren, in de letterlijke betekenis, want een belangrijk deel van zijn dagen bracht de jonge Buruma (‘mijn naam klinkt in het Japans als ‘meisjesonderbroek’’) door in donkere bioscopen waar onder meer romanpornofilms werden vertoond. Romanporno is net zoiets als softporno, licht Buruma toe: ‘Maar niet één grote lange neukpartij, zoals in het Westen, het waren wel echte verhalen. Jonge regisseurs begonnen vaak met dat soort films, zo leerden ze het vak.’

Hij verkeerde veel in het gezelschap van homovrienden die hij in zijn boek ‘seksuele bannelingen’ noemt, afkomstig uit puriteinse Angelsaksische landen waar ze vroeger vanwege hun seksuele voorkeuren in de gevangenis konden belanden. Zelf was Buruma ‘niet echt een seksuele banneling’, schrijft hij; wel een zoeker, ook seksueel. En vooral wilde hij ontsnappen aan het veilige en saaie milieu van zijn Haagse jeugd, ‘een wereld van tuinsproeiers, clubdassen, partijtjes bridge en het geluid van tennisballen in de zomer’.

Buruma, die eerder in Leiden Chinees had gestudeerd (‘het klonk boeiend en ik hield van Chinees eten’), was al jong geïnteresseerd geraakt in film dankzij de kleurrijke verhalen van zijn oom John Schlesinger, bekend filmregisseur en de broer van zijn Engelse moeder. Uit Tokio mon amour: ‘Hij was ook openlijk homoseksueel, en zijn entourage van acteurs, kunstenaars en musici maakte de sfeer van raffinement die ik opzoog nog aantrekkelijker.’

De fascinatie voor Japan ontstond toen hij in het Mickery Theater in Amsterdam een optreden van de Japanse toneelgroep Tenjo Sajiki bijwoonde. De sfeer van die voorstelling – buitenissig, pervers, erotisch en volslagen onbegrijpelijk – vond hij in Tokio terug.

Twee jaar geleden schreef u over de liefdesbrieven van uw grootouders, nu over uw studententijd; komen er meer memoires?

‘Nee! Ik sta niet te popelen om over mijn leven te schrijven, je moet een verhaal hebben, en die periode in Japan is zo’n verhaal. Ik wilde er al heel lang over schrijven, maar op de een of andere manier vond ik de vorm nooit. Een paar jaar geleden had ik een contract om een boek te schrijven over de geschiedenis van Nagasaki, als de plek waar Japan en het Westen in elkaar verstrengeld zijn geraakt sinds de 16de eeuw. En terwijl ik dat zo aan het researchen was, dacht ik: ik kan dit allemaal wel bij elkaar zetten en het wordt misschien best een aardig boek,  maar ik heb er niks oorspronkelijks aan toe te voegen. Misschien is mijn eigen verhaal over de confrontatie van een westerling met Japan veel spannender. Dat was natuurlijk een bijzondere, vormende ervaring.’

Buruma’s beschrijvingen zijn opvallend gedetailleerd. Gesprekken, geuren, kleuren. Toch heeft hij nooit dagboeken bijgehouden. ‘Dit is hoe het in mijn hoofd zit. Het enige wat in je geheugen blijft hangen, zijn juist details. En vaak niet de belangrijkste, meer flarden: stukken van conversaties, kleuren.

‘De truc van een memoir is eigenlijk een beetje hetzelfde als de truc van het schrijven van fictie; dat je van al die dingen die in je hoofd zitten, een sluitend verhaal moet maken. Terwijl het leven zelf nooit sluitend is, laat staan je geheugen. Ik heb niks verzonnen, maar ik ben me er heel goed van bewust dat het geheugen volstrekt onbetrouwbaar is, je stelt het de hele tijd bij. Het geheugen is als een film in je hoofd die telkens opnieuw wordt gemonteerd.’

Ian Buruma in Amsterdam, 2018. Foto Marie Wanders

U omschrijft uzelf in het begin als een zoekende geest, iemand die nog helemaal moet worden wie hij is; een buitenstaander vooral, en daardoor een toeschouwer. En eigenlijk blijft u dat die hele periode.

‘Dat is ook zo, maar je bent natuurlijk niet alléén maar toeschouwer. Je doet ook van alles.’

Maar in hoeverre is de jongen aan het einde van het boek dan toch anders dan de jongen van zes jaar eerder?

‘Dat kan ik niet in een of twee zinnen samenvatten.’

Hoeft ook niet, we hebben bijna drieduizend woorden.

‘De verandering is meer… het is niet toevallig dat het boek ook over theater gaat. Voor elke jonge man – en jonge vrouw waarschijnlijk ook  is een van de manieren waarop je jezelf leert kennen, dat je een soort theaterstuk opvoert van jezelf. Of anderen imiteert. En de vrijheid die het leven als buitenlander in Japan mij gaf, was om op allerléí manieren toneel te spelen. In het dagelijks leven, maar soms ook letterlijk, in toneelgroepen en in films. Ik werd me heel sterk bewust van – om het pretentieus te zeggen – wat authentiek was en wat niet, en hoe relatief die begrippen zijn. En van mijn eigen optreden. Te midden van mensen met een heel andere historische en culturele achtergrond kun je niks voor vanzelfsprekend aannemen. 

‘Als je nooit weggaat uit de stad of het land waar je geboren wordt en samen met de mensen met wie je opgroeit ouder wordt, hoef je niet zoveel na te denken over jezelf. Je staat er minder bij stil dat een hele hoop dingen die voor jou normaal zijn, misschien helemaal niet zo normaal zijn. Maar iedereen die er om de een of andere reden een beetje buiten valt, of die reden nou seksueel is of etnisch of wat dan ook, wordt gedwongen over zichzelf na te denken. Zeker iemand die ook nog last heeft van discriminatie. Je wordt zelfbewust, in die zin dat je je heel erg bewust wordt van wie en wat je bent, hoe je doet, hoe je overkomt. 

‘Neem het feit dat veel kunstenaars een andere seksuele geaardheid hebben dan de meeste mensen. Een van de redenen is misschien dat ze geen kinderen hebben en daardoor over meer tijd beschikken. Maar een andere reden is wat ik net zei: dat je door dat anders zijn gedwongen wordt over jezelf na te denken, en over je positie in de maatschappij. En ook dingen te verzinnen, misschien als een soort vlucht.’

Kwam u er in Japan uiteindelijk wel achter wie uw echte ik was?

‘Die bestaat misschien niet. Ik denk niet dat er binnen je geest een soort essentieel zelf is; je verandert de hele tijd. Ik ben nu niet degene die ik was toen ik 23 was, al is dat wel een deel van mijn geschiedenis. Maar in een absolute authenticiteit die onveranderlijk is en essentieel geloof ik niet zo. Het is veel vloeiender. Al die rollen die je speelt; dat doe je gedachtenloos en ze zijn allemaal een deel van jezelf. Die maskers, die ben je óók.' 

Wat opvalt in uw beschrijvingen van de Japanse films en het theater in die tijd is de wreedheid en hardheid, met levende kippen van wie de koppen worden afgebeten, vrouwen die steeds maar worden vastgebonden en ruw genomen…

‘Dat is een van de redenen waarom ik me aangetrokken voelde tot de Japanse cultuur. Het punt is niet dat Japanners bij uitstek zulke wrede fantasieën hebben, maar meer dat ze  in het fantasieleven althans – veel minder moeite hebben de zwarte, duistere kant te laten zien die in ieder mens zit. Daar zijn ze veel opener over.’

U schrijft over de ‘vaak melancholische rol van vrouwen’: het loopt ook in de films meestal slecht met ze af.

‘Agressie van mannen naar vrouwen zie je overal, maar misschien vooral in maatschappijen waarin de moeders een grote rol spelen en waarin allerlei sociale restricties zijn die voor frustraties zorgen.’

Heeft #MeToo Japan al bereikt?

‘Een beetje. Maar minder dan in het Westen. In tegenstelling tot de VS heeft Japan natuurlijk een oude cultuur, die veel meer hecht aan traditie en gewoonte dan aan rechtspraak. Dat maakt het moeilijker voor vrouwen om via de rechtspraak hun positie te verbeteren. Aan de andere kant: het percentage vrouwen dat een studie afrondt, is in Japan hoger dan het percentage mannen.’

Afgelopen voorjaar had de Franse krant Le Figaro een groot stuk over schrijvers die niet meer vrijuit durven schrijven, uit angst politiek dan wel cultureel incorrect te worden gevonden. U bent nu een jaar hoofdredacteur van The New York Review of Books. Maakt u zich zorgen over het nieuwe puritanisme?

‘Jawel. Het is wel erg generatiegebonden, dat merk ik bij The New York Review of Books, waar overigens alle redacteuren jonger zijn dan ik. Een van de grote verschillen tussen mijn generatie en de nieuwe is dat het er voor ons om ging zo veel mogelijk regels te breken en steeds meer vrijheid te krijgen, te kijken hoe ver je kon gaan. Mensen die nu in de 20 zijn, willen weer regels.

‘Ik heb overigens absoluut sympathie voor #MeToo. Tot niet zolang geleden was het belangrijker dat een vrouw er leuk uitzag dan wat ze te berde bracht. Inmiddels is het volkomen vanzelfsprekend dat vrouwen werken, en als je gelijkheid wilt hebben, professionele gelijkheid, kun je niet hebben dat mensen zich gedragen zoals in de jaren vijftig. Maar vooral in Amerika, waar een sterk puriteinse traditie is, wordt het debat snel hysterisch. En wordt ook gekeken of wat mensen in hun privéleven doen wel in orde is. Dat gaat veel verder dan professioneel gedrag.’

Noem eens een voorbeeld?

‘De voormalige literair redacteur van de Paris Review, Lorin Stein, een uitstekend redacteur, had allerlei avonturen met mensen binnen zijn werk en daarbuiten en moest zijn baan opgeven. Hij is ook vertaler, uit het Frans; hij heeft een heel goeie vertaling gemaakt van een roman van Edouard Louis. Een van zijn uitgevers begon zich serieus af te vragen of ze zijn vertaling nog wel konden gebruiken. Of er niet een nieuwe moest komen. Dat is natuurlijk volslagen waanzinnig.

‘Ongetwijfeld hebben mannen die de mogelijkheid hadden hun machtspositie misbruikt om vrouwen dingen te laten doen die ze misschien niet wilden. Aan de andere kant zijn seksueel gedrag en seksuele begeerte niet los te zien van macht. Dus is macht voor sommige mensen juist aantrekkelijk. Maar dat kun je ook niet meer zeggen. Laatst opperde iemand dat we Lolita van Nabokov nu ook met andere ogen moesten zien, namelijk door de ogen van het meisje. Ik was verbijsterd. Ik zei: wat bedoel je dan? Het is FICTIE. Het is een roman!

‘En het geval van Woody Allen is heel interessant. Hij wordt ervan beticht dat hij zich heeft vergrepen aan zijn destijds 7 jaar oude pleegkind en dan gebruiken mensen als argument daarvoor – want er is helemaal geen bewijs – dat hij films heeft gemaakt waarin hij als man van in de 40 viel op een meisje van 17.’

Wat vaker voorkomt.

‘En er zijn ook meisjes van 17 die iets willen met een man van 40. Maar dat mag je niet zeggen, je moet hier heel voorzichtig mee zijn, mensen worden snel boos.’

Hier hadden we de kwestie rond het thema van de Boekenweek, dat ‘De moeder de vrouw’ is, terwijl het essay en het geschenk worden geschreven door twee mannen.

‘Dat zou in Amerika absoluut niet meer kunnen. We hebben met de Review net een fictienummer gemaakt, met daarin zes artikelen over romans. Minstens twee van die artikelen moesten van vrouwen zijn, en in elk geval een van die romans moest ook geschreven zijn door een vrouw. Maar daar heb ik niet zoveel moeite mee hoor.’

Waarom niet?

‘Omdat er toch wel genoeg goeie stukken zijn geschreven door vrouwen en ook over vrouwen, het doet geen afbreuk aan het tijdschrift. Natuurlijk is kwaliteit het belangrijkste criterium maar je wilt óók zo veel mogelijk lezers bereiken. Je moet niet met alle winden meewaaien, maar wel verschillende geluiden laten horen.’

Belangrijker dan #MeToo vindt Buruma de vraag hoe zijn blad moet omgaan met het presidentschap van Donald Trump: ‘Dat is lastig voor een blad dat tweewekelijks verschijnt. Je kunt niet om hem heen, het tijdperk Trump is een serieuze crisis, maar het is moeilijk telkens nieuwe invalshoeken te vinden die mensen aan het nadenken zetten.’

Kun je niet zeggen: we laten Trump lekker zitten, want daar zijn onze lezers het wel zo’n beetje over eens: foute boel?

‘Nee. We zijn het erover eens dat het foute boel is, maar waarom het foute boel is, wat er fout is gegaan, wat de gevaren zijn, wat de consequenties zijn voor de toekomst met een hooggerechtshof dat wordt gedomineerd door ultraconservatieven: daar zit nog heel veel stof om over na te denken. En daar kun je een bijdrage leveren. Niet om mensen ervan te overtuigen dat Trump niet deugt, daar heb je niks aan. Maar verklaringen zijn wel heel belangrijk.’

Hoe leidend is Amerika nog in de wereld?

‘Behoorlijk leidend, en in negatieve zin. Het Trump-presidentschap heeft de slechtste politieke impulsen een enorme boost gegeven. Niet alleen mensen als Poetin en Erdogan voelen zich gesterkt, allerlei potentaten in de wereld kunnen nu ook zeggen: kijk maar, ze doen het in Amerika ook! Prima! Het legitimeert de allerslechtste tendensen, dat is gevaarlijk.’

Er komt wel weer een tegenreactie.

‘Dat moet ik nog maar zien. In de jaren twintig en dertig was er in Duitsland ook een tegenreactie, alleen zette die geen zoden aan de dijk. En de mediawereld is natuurlijk helemaal veranderd. Trump praat rechtstreeks met het volk, de serieuze dagbladen hebben veel minder invloed.’

Sprak de hoofdredacteur treurig. Wat is uw ambitie voor de komende jaren? Al bezig met een nieuw boek?

‘Nee, dat kan niet meer; zolang ik hoofdredacteur van The New York Review of Books ben, kan ik geen boeken schrijven. Daar is de redactie te klein voor, we zijn met acht man, ik zit elke dag van half tien tot zeven op kantoor om alles te lezen.

‘Met het blad heb ik de ambitie om nog wat breder te worden – meer beeldende kunst, meer film – en ik wil alles doen om de studenten van nu te bereiken. Het lezerspubliek veroudert, van de papieren Review althans, die ongeveer 130 duizend abonnees telt. Online is het publiek jonger. Ik denk dat de vraag niet is hoe je meer lezers vindt, maar of de volgende generatie nog print wil lezen. En hoe je het online rendabel moet maken. Ik kan niet bedenken wat jongeren leuk vinden, dat moeten oudere mensen niet doen, ik kan alleen jongere schrijvers aantrekken. Maar ik blijf dit niet zo lang doen dat ik te oud word om zelf nog een boek te schrijven.’

Ian Buruma in Amsterdam, 2018. Foto Marie Wanders

 Ian Buruma: Tokio mon amour. Japanse avonturen. Atlas Contact; €19,99.

Boeken waar Buruma naar uitkijkt

Aangezien lijstjes als deze vaak dienen als een gelegenheid om schaamteloos het werk van vrienden aan te prijzen, zal ook ik me daaraan houden.

Ik verheug me op Alledaagse waanzin van Lisa Appignanesi. Het is een boek over de dood. Je wordt wijzer van haar boeken en kunt er bovendien plezier aan beleven, een mooie combinatie die helaas niet voor alle schrijvers is weggelegd, en dat geldt al helemaal voor boeken over de dood. (De Bezige Bij, oktober)

Arnon Grunbergs stukjes in de Volkskrant heb ik al lang met zoveel genoegen tot me genomen dat ik ze graag nog eens wil lezen in een bundel: Alle voetnoten(Nijgh & Van Ditmar, augustus)

Stefan Zweig noch Joseph Roth waren persoonlijke vrienden, helaas. Maar ik heb vooral voor de laatste een tomeloze bewondering. Vandaar dat ik niet kan wachten tot ik hun briefwisseling van 1927 tot 1938 in Elke vriendschap met mij is verderfelijk kan lezen. (Privé-domein, Arbeiderspers, januari 2019)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.