ColumnPeter Buwalda

Huisdieren en waarom ik er niet aan toe ben

null Beeld
Peter Buwalda

Mike, mijn broer, had twee jonge katjes. ‘Maar Peet, luister, ze hebben geen bovendek.’

Huh? Veerboten?

‘Nee Loek, zo heet dat. Ze hebben alleen donshaar, geen echt haar.’ (Loek was een kerel die in 1982 bij ons in de rij woonde, een beetje een vrijbuiter.)Ik: ‘Geen haren in de leeszetel, Hiltrud.’ (Dat was Loeks Duitse vriendin.) Mike: ‘Precies, lieve Isabelle.’ (Loek en Hiltrud hadden een dochtertje dat Isabelle heette.)

Mike stuurde een filmpje, een zogeheten kattenfilmpje. Het zag er allemaal schattig uit, maar beter niet aan Jet laten zien, ik wist precies hoe ze zou reageren, ze zou opperen ook katjes te nemen, maar wel katjes mét een bovendek, geen flauwekul, en inderdaad, toen ik haar het filmpje uren later alsnog liet zien: ‘Zullen wij ook katjes nemen, maar met een bovendek?’

Mijn geluk is dat er honden bestaan, en dat Jet er onder geen beding een wil, ik wel, zeg ik dan, ik ben dol op honden (leugen), waarna ik zonder scrupules kan zeggen dat ik geen katten wil, zo heeft iedereen wat, yang en yin, enzovoort. Maar nu, wegens Mike, gevaarlijke ontwikkeling, legde ik een extra argument op tafel. ‘Geen gehaktballen’, zei ik stuurs, ‘geen katjes.’

Bikkelhard, ik weet het. Maar ik heb veel meegemaakt. Ik kom niet uit een gezin, ik kom uit een soort circus, een rijtjesdierentuin, vraag maar aan Loek en Hiltrud. Eerst ging het nog wel, toen hadden we alleen een hond, Astérix. Geen naam heb ik vaker uitgesproken. Tijdens het uitlaten schreeuwden we op wanhopige, dan wel woedende toon ‘Aaaastrix! Aaaastrix! Aaaastrix! Aaaaastéériiiiix!’, afgesloten met een smekend: ‘Kom?’ Voortdurend die riedel, Loek en Hiltrud konden hem wel dromen, er struinde altijd wel iemand door de buurt ‘Aaastrix!’ bulderend, ‘Aaaastrix, AAASTÉRIX!!!!’, en dan, bijna huilend: ‘Kom?’

Geen belangstelling.

In huis kakte Astérix altijd achter een deur, waardoor je er te laat en regenboogvormig achter kwam. Misschien daarom trokken mijn broertjes en ik op een inktzwarte dag langs de deuren met een (zelfbedachte) petitie tegen hondenpoep. Mijn vader tekende glimlachend, waarna we tot aan Astérix’ dood met een schepje en een krant achter hem aan moesten. (Een harde leerschool, nooit handtekeningen verzamelen, nooit tekenen, geen honden, geen schepjes, niks.)

Hardleers waren we, hardleerse mensen. Bovenop Astérix wilden we drie konijnen, leek ons leuk, mijn vader timmerde een hok, dat hij vervolgens iedere zondag met dettol stond schoon te schrobben, terwijl wij met vuilniszakken door Blerick zwierven op zoek naar paardebloemenstelen. Erna had er iemand (let wel, iemand met een BOERDERIJ) vijf enorme witte kippen over.

Mijn vader bouwde meteen een ren, gat in de schuurmuur. Waar vroeger mijn fiets stond, hing nu een stok en op die stok zaten vijf hele grote leghorns. Om 6 uur ’s ochtends kakelden ze Loek en Hiltrud wakker, en sprintte mijn vader in zijn onderbroek de tuin in, om voer te strooien.

Gratis ratten en muizen. Maar het was nog niet genoeg, nog lang niet, mijn broertjes wilden parkieten. Mike eentje, Snoop Dogg geheten, dat viel te billijken, maar Menno wilde er achttien.

‘Áchttien?’

Anders zeg ik het niet. Geen moment voor flauwe grapjes. ‘Dus timmerde mijn vader, tegen het triplexmuurtje tussen onze kamers, een volière.’ Jet: ‘En daarom wil jij geen katjes.’ Ik: ‘En daarom wil ik geen katjes.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden