LAND VAN AFKOMSTAmade M’charek

Hoogleraar antropologie Amade M’charek: ‘Het hoofd van de school had geregeld dat ik naar de huishoudschool zou gaan’

Amade M’charek.Beeld Ernst Coppejans

Van identiteitspolitiek moet hoogleraar ­antropologie Amade M’charek (52) niets weten. Haar sympathie ligt meer bij mensen die iets tegen ongelijkheid proberen te doen.

Vorige zomer, kort voordat Amade M’charek naar Tunesië afreisde, was er weer een boot gezonken. Een week later wilde ze naar het strand. ‘Toen was het zover: 83 aangespoelde lijken van vluchtelingen op één dag, het was een macaber gezicht. Ze vertrekken vaak vanuit Libië, dan spoelen ze aan in Zuid-Tunesië.’

In maart bevond M’charek zich weer in Tunesië, voor haar project over de forensische identificatie van die aangespoelde vluchtelingen. Als hoogleraar Antropologie van de wetenschap aan de Universiteit van Amsterdam heeft zij forensische antropologie als een van haar specialisaties. ‘Bij forensische identificatie denkt iedereen aan dna, maar dat is lastig. Nadat ze lang in het water zijn geweest, krijgen ook zwarte mensen een witte huidskleur. Via hun kleding of sociale media kun je de identiteit proberen te achterhalen. Het is vrij moeilijk, dit spoorzoeken. Toch denk ik dat we het moeten doen.’

Amade M’charek

Amade M’charek (Tunesië, 1967) doet als hoogleraar antropologie van de wetenschap aan de Universiteit van Amsterdam onderzoek naar de rol van ras in forensische wetenschap en de rest van de samenleving. Ze is de oprichter van Stichting DMC, die zich inzet voor een begraafplaats voor verdronken migranten in Zuid-Tunesië. In februari won M’charek de Emma Goldman Award, een internationale prijs voor onderzoek naar ongelijkheidskwesties in Europa.

Waren er in maart veel coronabesmettingen in Tunesië?

‘In het hele land was één besmetting zeker, van een migrant die was teruggekomen uit Italië.’

Voelde het raar om weer naar Nederland te gaan?

‘Het was haast surrealistisch, maar mijn dochter is 15 maart jarig, dus op 14 maart kwam ik terug. In Tunesië was corona vooral onderwerp van grapjes, hier kwam ik thuis in een lockdown. Daar weten ze: als het komt, zijn we verloren. In Tunesië hebben ze de middelen en de capaciteiten niet om een uitbraak te managen. Tot nu toe houden ze het met een strak regime in de hand.’

Veertig jaar eerder was Amade M’charek van Tunesië naar Nederland verhuisd. ‘Mijn vader was vanuit ons stadje naar de hoofdstad van Tunesië gegaan, hij zou buschauffeur worden. Hij werd getipt door een kennis: ze zoeken mensen om in Europa te werken, jij bent sterk en ziet er goed uit, ze willen je vast hebben.

‘Mijn vader ging naar die rekrutering, de Nederlandse minister van Economische Zaken was er ook bij. Van Holanda had mijn vader nog nooit gehoord. Een jaar later kwam hij terug, in een zwarte Mercedes. Het was niet zo slecht, dat Holanda. Eerst werkte hij in een kippenslachterij, later bij de Hoogovens. We woonden in Haarlem.’

Hoe was dat?

‘Mijn zus en ik kwamen aan in een weekend, twee dagen later gingen we naar de Floraschool, tegenover ons huis. Na twee maanden spraken we vloeiend Nederlands. In Haarlem woonden weinig Tunesiërs, dat hielp. Een Hollands kind wordt benaderd als een individu, met een eigen biografie en persoonlijkheid. Een migrantenkind wordt gezien als deel van een groep. Daar had ik niet zo’n last van, omdat er geen groep was.

‘Het enige probleem kwam in de zesde klas. Ik was een ijverig kind, ik wilde studeren en dokter worden. Het hoofd van de school, meneer De Westerveer, had voor mij geregeld dat ik naar de huishoudschool zou gaan – dat was goed voor mij, want ik zou toch trouwen en dan kon ik voor mijn man zorgen. Ik zei dat ik dokter wilde worden, daarvoor moest ik naar een andere middelbare school. Het was niet makkelijk, ingaan tegen het hoofd van de school. Ik was 12 en woonde pas een jaar in Nederland.’

Moest u het zelf regelen?

‘Ik ondertekende mijn eigen schoolrapporten, mijn ouders konden niet lezen en schrijven. Nu zijn ze apetrots op wat ik heb bereikt. Op dat moment begrepen ze er niets van. In de families van allebei mijn ouders was ik de eerste die ging studeren. Dokter worden was iets concreets, daar konden ze zich iets bij voorstellen, alleen werd ik uitgeloot. Daarna koos ik voor sociale wetenschappen, dat was ongrijpbaar voor ze. Als ik bij McDonald’s was gaan werken, had ik ze toen blijer gemaakt.’

Beeld Ernst Coppejans

U loopt sinds 1987 rond bij de Universiteit van Amsterdam. Is er veel veranderd?

‘De studentenpopulatie is sterk veranderd, de universiteit is nu veel internationaler. Ook de Nederlandse studenten zijn diverser geworden. Bij de docenten is sekse de grootste verandering. Toen ik studeerde was er bij de sociale wetenschappen niet één vrouwelijke hoogleraar. Die verandering heeft een lange geschiedenis. In de jaren zestig en zeventig was er een vakgroep vrouwenstudies, we zijn hier al een tijdje mee bezig. Het leeft niet bij iedereen even sterk, maar er is voldoende draagvlak voor.

‘Racisme en postkoloniale verhoudingen zijn een ander verhaal. Ook op de universiteit hoor je het soort taal dat we kennen uit Den Haag: kom op, het is tweehonderd jaar geleden, waarom moeten we hier nog over praten? De universiteit is een institutie, waar ze lang gewend zijn de dingen op een bepaalde manier te doen. Wanneer er iemand komt die tegen een hoofddocent of professor zegt: hier zie je iets over het hoofd – dat wordt lastig. Op de universiteit wordt niet snel gezegd: we gaan het volgend jaar totaal anders doen. Maar racisme en de koloniale geschiedenis staan nu wel hoog op de agenda.’

M’charek ziet een scherp contrast tussen deze constateringen over de cultuur binnen een universiteit en identiteitspolitiek. ‘Zowel extreem-rechts als extreem-links hanteert een simplistische benadering van identiteit. Het is fictie die ze vervolgens voor waar nemen. Aan beide kanten is het een politiek instrument. Mijn sympathie ligt meer bij mensen die iets tegen ongelijkheid proberen te doen. Maar alles afmeten aan huidskleur of afkomst is echt te simplistisch.

‘Ik ben van Tunesische afkomst, ik ben Nederlander en voel me een Amsterdammer. En ik hoor bij de universiteit en bij zoveel meer. Ik dacht dat ik een agnost was, maar na 9/11 werd ik weer tot moslim gemaakt. Als ik met mijn moeder over straat loop, word ik aangezien voor Marokkaans. In mijn eentje kan ik Mexicaans zijn, of Turks of Israëlisch. Wanneer ik mijn dochter ophaal, ben ik de oppas. Op een congres werd een keer door een Britse linguïst aan me gevraagd: M’charek, are you Irish? In die tijd was ik net The Dubliners aan het lezen, daar komt die naam ook in voor.’

Nederlands

‘De vrijheid die ik voel als ik door de stad fiets en om me heen kijk.’

Tunesisch

‘Mijn familie. De begraafplaats voor verdronken migranten die we daar aan het bouwen zijn. Door mijn onderzoek voel ik me weer meer Tunesisch.’

Partner

‘Een Duitser. We hebben interessante en diepgaande gesprekken, daar gaat het mij om, niet om zijn afkomst.’

Wit of blank

‘Wit natuurlijk. Blank heeft een koloniale geschiedenis.’

Land van afkomst

Robert Vuijsje interviewt voor de Volkskrant Nederlanders over de rol die afkomst speelt in hun leven. Hij spreekt onder anderen nog met tv-presentatoren Catherine Keyl (Joods) en Ajouad El Miloudi (Marokkaans).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden