Honkvaste reizigers

Dit jaar wordt de Woonwagenwet afgeschaft, die Nederland sinds 1918 heeft gekend. De woonwagen-bewoners worden geheel afhankelijk van de gemeenten, en die bouwen liever nieuwbouw-wijkjes....

WAAR vind je dat nog, een dochter die op haar 54ste onder het toeziend oog van vader en moeder woont?' Slechts een vier meter breed terras met tuinameublement scheidt Leny Terpstra van haar ouders. 'En hier naast mij woont een broer', zegt ze, lopend door het straatje van het woonwagenkamp. 'Daarnaast nog een broer, daar mijn zus, daar een oom, hier op de hoek mijn zoon.' En zo kan ze nog even doorgaan.

Het is één grote familie op woonwagenkamp de Egelshoek bij Hilversum. Eigenlijk twee families, maar de Terpstra's en de Jillings trouwen al generaties met elkaar. Slechts twee van de 38 woonwagens, met samen 91 personen, worden bewoond door andere gezinnen.

De Egelshoek, gelegen in een bosrijke omgeving tussen Hollandse Rading en sportvliegveld Hilversum, is een van de oudste woonwagenkampen in Nederland. Vlak na de Tweede Wereldoorlog vestigden zich de eerste 'reizigers' op het terrein, eigendom van een Hilversumse barones. En zoals alle woonwagenbewoners in den lande leven ook de Terpstra's en de Jillings in voortdurende oorlog met de gemeente en andere overheden.

Rust zal ze ook nooit gegund worden, want overheden en woonwagenbewoners liggen elkaar niet. Het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft nu weer iets geheel nieuws bedacht. De uit 1968 stammende Woonwagenwet, die net als de wet van 1918 bedoeld was om deze leefvorm te ontmoedigen, wordt nog dit jaar afgeschaft. Daarmee wordt volgens staatssecretaris Tommel een einde gemaakt aan de uitzonderingspositie van de 30 duizend woonwagenbewoners. Voortaan heeft iedere Nederlander het recht in een woonwagen te wonen.

Wat krijgen we nou? Van ontmoediging naar aanmoediging? Leny Terpstra weet wel beter. Met de Woonwagenwet werd het tegendeel bereikt van wat de overheid wilde. 'We moesten in die tijd, tegen onze wil, zo nodig in grote kampen worden samengebracht. Zodat er betere voorzieningen konden komen, zoals scholen, en we brave burgers zouden worden. Maar doordat we niet meer konden reizen, kwamen de wagenjongens geen wagenmeisjes meer tegen. Ze trouwden steeds vaker met burgers. Zo'n woonwagenkind gaat nooit in een rijtjeshuis wonen, nee de burger trekt dan bij ons in, altijd. En tachtig procent van de huwelijken is al met burgers.' Kwaadaardig lachend: 'Sindsdien zijn we verdrievoudigd'

'Burgers' worden niet-woonwagenbewoners nog steeds genoemd, en van de zonderling die een huis betrekt, wordt gezegd dat hij of zij 'gaat wonen'. Toch gaan de twee groepen steeds meer op elkaar lijken, althans aan de buitenkant. De Egelshoek is een keurig wijkje geworden, met alle voorzieningen van dien, autootje voor de deur, en verharde straten waarin de bewoners zelf verkeersdrempels hebben aangebracht. Het autokerkhof wordt aan het oog onttrokken door een rij werkloodsen.

De chalets (met ligbaden en parketvloeren) die er staan, lijken in niets meer op woonwagens. Bezworen wordt dat er altijd wielen onder zitten - bij Leny Terpstra zelfs het landingsgestel van een vliegtuig - maar die gaan verborgen achter houten of stenen omheiningen die rond de kruipruimtes zijn aangebracht.

Leny's generatie had zelfs een voorkeur voor nepbaksteen. Haar 'wagen' en een vijftal andere op het terrein lijken daarmee het 'ideaal' van een burgerhuisje te benaderen. Leny: 'Helemaal niet. Dat plaatbaksteen heb ik genomen omdat het gewoon oersterk is.' Maar het vier bij vijftien meter grote bouwwerk plus aangebouwde erker is toch ook met geen dieplader meer te vervoeren? Leny: 'Onzin. Die wagens zijn hier toch ook eens gekomen. En die aanbouw kan zo weer los.'

Niettemin zijn de 'reizigers' inmiddels 's lands meest honkvaste inwoners. Misschien komt het door hun eeuwige strijd voor een plekje en door de vele gedwongen verplaatsingen die zij meemaakten. In elk geval verhuizen zij thans minder dan de gemiddelde Nederlander. Net als de burgerman trekt de kamper er 's zomers met zijn caravan op uit. Leny: 'Zeg maar gerust in de lente, want dan krijgen wij al de kriebels. Dat reizen zit ons in het bloed.'

Bij de overbuurman staat de auto keurig in een naast de 'wagen' gebouwde garage. Even verderop worden twee standplaatsen geheel door twee meter hoge schuttingen aan het oog onttrokken. Hier wonen de jongeren, onder wie Leny's zoon. De nieuwe generatie blijkt behoefte aan privacy te hebben. Toch een teken van teloorgang van de woonwagencultuur? Achter de schuttingen bevinden zich ruime terrassen met helblauwe zwembaden.

Van enig buitenleven is op deze zomerse dag niets te merken. Leny's 80-jarige vader: 'Het is er niet beter op geworden. Zo'n klein stukje grond, en kijk eens wat een auto's allemaal voor de deur. Er is hier geen vertier meer.'

Dat is wel eens anders geweest. Toen er 's avonds nog kampvuren waren met accordeon- en gitaarmuziek. Leny vertelt er nostalgisch over. De woonwagenbewoners waren een nijver volkje. Zij reisden al een eeuw geleden het land af op zoek naar werk, lang voordat de moderne ondernemingsgewijze productie de mobiliteit van de werknemer tot geloofsartikel verhief. Alleen werd die nijverheid hun niet altijd in dank afgenomen. Aanvaringen met gemeenten, burgers en politie waren schering en inslag, en zijn er ook nu nog vaak.

De Terpstra's hebben gereisd zolang zij zich heugen. Vader Adrianus Terpstra weet nog dat zijn grootouders al met kermissen meetrokken, grootvader van moederskant als muzikant en grootmoeder van vaderskant met een galanteriekraam. Hij werd zelf op de kermis geboren, in 1917 in Laren. Zijn vader had een schiettent, een werptent en een touwtrekkerij.

Terpstra, in tweedelig pak met pantoffels eronder, is sterk vermagerd en praat moeizaam sinds hij vijf jaar geleden aan zijn slokdarm werd geopereerd ('K' zegt hij schuchter). 'We reisden het hele land door, Enschede, Hengelo, Delden, Goor, Laren. Mens, wat was het zwaar. Op mijn vijftiende heb ik eens in m'n eentje 's nachts de vrachtwagen met een aanhanger van zes meter van Het Loo bij Apeldoorn naar Marialust gereden. Wel vijf, zes kilometer. Want mijn vader was ziek. Je had dan drie kermissen achter elkaar. Die moest je 's nachts afbreken, verplaatsen en weer opbouwen. Dan had je drie dagen geen slaap in de ogen.'

Enkele jaren voor de oorlog stierf zijn vader en moesten ze van armoe alles verkopen. 'Toen was het afgelopen met de kermis. Er was geen geld voor een auto en met paarden had ik niet leren omgaan. We moesten in een kleinere woonwagen, waarmee we in kampen in de buurt van Hilversum bleven staan. Met een oud stuk fiets ben ik zakhandel gaan doen, met galanterieën langs de deur, zoals elastiek, garen en zeep. Of ik ging bij mensen de tuin doen.'

0 N de oorlog trouwde hij. Woonwagenbewoners werden door de bezetter in grote kampen bijeengedreven. Zijn zus heeft nog in Westerbork gezeten. Na de oorlog, toen het een keer zulk mooi weer was als nu, zegt hij, kreeg hij het weer op zijn heupen en besloot hij toch maar een 'hitje' (van Hitlander, een klein taai, trekpaard) te kopen. Als stoelenmatter reisde hij door het land.

Dochter Leny herinnert zich uit die tijd vooral die keer dat zij van de brug bij Loenen kwamen en de rem van de wagen het begaf. 'Sammy, ons paardje heeft toen het hele huisgezin gered. Hij zette zich schrap en we gleden langzaam die brug af. Toen we in de berm tot stilstand kwamen had hij geen hoeven meer over.' Leny wil met het verhaal weerspreken dat woonwagenbewoners zo slecht met hun paarden omgingen. 'Mijn vader zei toen: dat paard heeft ons gered en hoeft nóóit meer te werken. Nou, Sammy heeft zijn rustige ouwe dag gekregen, ook al vroegen mensen waarom we 'm niet afmaakten, voor het vlees. We hebben hard gewerkt om een ander paard te kunnen kopen.'

Toen de overheid in 1968 besloot dat de woonwagenbewoners in vijftig grote regionale kampen moesten worden samengebracht, was het afgelopen met het reizend bestaan. Vader Terpstra: 'Ik heb hier in de Egelshoek nog een poosje in de autosloop gezeten. Alles met een bijltje kapot slaan. Je werkte je gek voor een droge boterham. Toch heb ik het altijd een leuk leven gevonden. We hopen het tot de dood toe vol te houden.'

De woonwagencultuur in Nederland ontstond in het voetspoor van de Oost-Europese zigeuners die in vroeger eeuwen in deze contreien neerstreken. Zigeuners, wier oorsprong vermoedelijk teruggaat tot het Indiase subcontinent, hebben altijd maar een klein deel van de woonwagenbevolking uitgemaakt - tegenwoordig zo'n tien procent. De Hongaarse ketellappers (die gaten in ketels repareerden) en Bosnische berenleiders (die beren kunstjes lieten doen) waren de eersten die met paard en wagen in familieverband door Nederland trokken. De zigeuners werden tijdens de Duitse bezetting niet gespaard; 210 werden vergast in Auschwitz.

Volgens Mensen van de Reis van de historici Cottaar, Lucassen en Willems stammen de Nederlandse woonwagenbewoners af van arme boeren en arbeiders, vooral in het noordoosten en zuiden des lands. Zij moesten trekken om in hun levensonderhoud te voorzien. Ze kwamen bijvoorbeeld uit veengebieden, waar het turfsteken voorheen de belangrijkste inkomstenbron was geweest. Ook woningnood kon een motief zijn om te gaan reizen. Zij begonnen matten, manden, zwavelstokken, schoenen en pantoffels te maken en brachten die in de wijde omgeving aan de man. Ook seizoensarbeid bij boeren werd meestal door woonwagenbewoners verricht.

Van handkarren en wagens die door honden werden getrokken, waaronder 's nachts werd geslapen, ontwikkelde zich langzaam via de huifkar de door een paard getrokken woonwagen. Kermisreizigers hebben altijd een aparte kaste gevormd en keken neer op andere wagenbewoners. Zij waren tijdens het seizoen, van Pasen tot Leidens Ontzet op 3 oktober, overal welkom, hadden hun vaste route, en konden van het verdiende geld vaak overwinteren. Tegenwoordig woont de helft van de kermisexploitanten in een huis.

De stoelenmatter, scharensliep, marskramer en andere reizigers hadden het moeilijker. Zij kwamen bij het kiezen van standplaatsen of wegens het venten zonder vergunning vaak in conflict met de gemeente. Met boeren kregen zij het aan de stok doordat zij hun paarden in de wei lieten grazen, kreupelhout sprokkelden, kippen pikten of aardappels voor eigen gebruik rooiden. Zij gingen ook 'schooien', zoals dat in hun eigen bargoens heet, bedelen om brood, spek en groenten, vooral in de winter.

De eerste Woonwagenwet (die ook voor woonschepen gold) stamt uit 1918. Voor het bewonen van een woonwagen was voortaan een vergunning nodig, die werd gegeven als het bouwsel aan bepaalde eisen voldeed. Gemeenten werden verplicht standplaatsen aan te wijzen. Die kwamen vaak in de buurt van vuilstortplaatsen, kerkhoven of spoorlijnen.

In 1968 kwam er een nieuwe Woonwagenwet. Aan de wildgroei van kampjes moest een eind komen en de bewoners moesten worden aangepast aan de maatschappij. De bedoeling was vijftig grote regionale kampen op te zetten, buiten de gemeente, voorzien van kampschool, clubhuis en welzijnswerkers. Reizen werd praktisch onmogelijk gemaakt.

Rinus van Wanrooy (56) wordt nog emotioneel als hij eraan terugdenkt. 'Dat is de grote klap geweest. Ik had op mijn kampje in Heiloo een autosloperij die net florerend begon te worden. Ik werkte er van zes uur 's ochtends tot twaalf uur 's avonds. Toen kwam de overplaatsing naar het regionale kamp Vroneroord bij Alkmaar, compleet met slagboom en politiepost. Daar zit je dan met dertig scharensliepen, twintig stoelenmatters en twintig slopers op een hoop. Allemaal analfabeet of half analfabeet en zonder opleiding. Ik kreeg er later wel een perceeltje toegewezen voor m'n werk, maar m'n klanten was ik kwijt. M'n auto's heb ik voor oud ijzer verkocht. Mijn vader was zijn sierkippen kwijt, dat mocht niet op het centrum. We konden rechtstreeks de bijstand in.'

Ook Van Wanrooy woont tegenwoordig in zo'n keurig ingericht bungalowwijkje, naast een park aan de rand van Alkmaar. Alleen de harde popmuziek uit een van de 'wagens' verstoort de rust. En ook hij woont er temidden van zijn familie. Z'n moeder woont er, twee kinderen, een zus, een broer en ook hun kinderen. Van de vijftien wagens worden er tien door directe familieleden bewoond en vijf door 'indirecte', zoals hij het noemt.

Andere broers, zussen, zijn zwager en de schoonouders zijn vijf kilometer verderop terechtgekomen, op een kampje bij Heerhugowaard. Want het regionale kamp Vroneroord is al lang weer verleden tijd. Nog geen tien jaar na het grote-kampenbeleid draaide de overheid 180 graden en moesten de woonwagenbewoners weer verspreid worden over kleine kampen van tien tot vijftien standplaatsen. Integratie diende nu bereikt te worden door de kampen zo dicht mogelijk tegen woonwijken aan te bouwen.

'Dat heeft mij enorm gekwetst als persoon, dat er zo over me gedacht werd', zegt Van Wanrooy, die uit een van Nederlands oudste reizigersfamilies stamt en voorzitter is van het Nederlands Platform Woonwagenbewoners en Zigeneurs. 'Nog nooit heb ik zo'n staaltje huichelarij gezien in de politiek. We hebben jaren tegen die overplaatsing gevochten, maar hebben ons uiteindelijk niet verzet. Ons angstbeeld was dat dan de Mobiele Eenheid met groot geweld zou binnenvallen. Er waren veel gezinnen met jonge kinderen en van andere voorbeelden wisten we hoe traumatisch een dergelijke ervaring voor een kind is.'

Het beleid om de woonwagenbewoners weer te verspreiden, was een gevolg van de totale mislukking van het grote-kampenbeleid. De kampen, die meestal op geïsoleerde plekken buiten de bebouwde kom lagen, brachten het tegendeel van aanpassing aan de maatschappij. De nieuwe bewoners werden vaak collectief in de bijstand geplaatst. Sommige kampen werden ondoordringbare broedplaatsen van criminaliteit, waar de politie alleen nog met groot machtsvertoon durfde op te treden.

Een van de beruchtste kampen was de Huppeldijk bij Utrecht. Het weekblad Vrij Nederland wijdde er in 1984 een kleurenbijlage aan. Jongeren vertelden ongegeneerd hoe zij auto's gingen stelen in de stad, met messen vetes uitvochten en hoe zij een van de twee boeren aan de rand van het kamp wegpestten. Toen de boer eenmaal 'in het gekkenhuis' was beland, roofden ze zijn huis leeg.

Van vroeger bekende verhalen over woonwagenbewoners die onwetende burgers een poot uitdraaien, werden treffend geïllustreerd door een 16-jarige jongen die er nog het oude vak van scharensliep bedreef. 'Als ze het vragen, kost het vijfenhalve gulden. Anders sla ik er een slag naar, zes knaken, een geeltje. Dat ze dat betalen, dat snap ik ook niet. Dan zeg ik: hij is verhard, ik heb 'm moeten ontbramen en polijsten.' Na twee bekeuringen voor venten zonder vergunning ging ook hij stelen.

De clubgebouwen met opbouwwerker, maatschappelijk werker en kampbeheerder werden in veel regionale kampen het doelwit van vandalisme. Zo ook op de Huppeldijk. De school hield nog tien jaar stand, maar werd in 1984 met de grond gelijk gemaakt; volgens de daders omdat de jongerenwerker met vakantie was gegaan en hij het deels herstelde, tot disco omgebouwde clubgebouw had afgesloten. Vervolgens moest ook de disco eraan geloven, want de moeders waren zo razend op de jongens die de school hadden gesloopt, dat zij uit wraak de disco in puin sloegen.

De Huppeldijk en veel andere regionale kampen zijn inmiddels opgedoekt of ingekrompen. Met het nieuwe spreidingsbeleid kwam intussen ook het laatste 'reguliere' woonwagenberoep in de knel, want in de kleine kampjes mogen geen autosloperijen meer komen. Blijkens recente grote drugsprocessen vond een aantal woonwagenbewoners nieuw emplooi in de hasjhandel. Kobus L. ('de Zigeuner'), Johan V. ('de Hakkelaar') en Lambertus K. werden grote jongens in de handel in softdrugs.

Woonwagenbewoners praten niet graag over dat soort dingen. Leny Terpstra zegt dat de politie nog altijd als eerste bij hen komt als er weer eens ergens een auto is gestolen. 'Maar laat ze eerst naar de burgers kijken. Er zijn nog nooit zoveel auto's door burgers gestolen als nu.' Dat zij de Amsterdamse onderwereldkoning wijlen Joop de Vries goed kende, vervult haar met trots. 'Ik heb hier als enige de hele wereld afgereisd, want Jopie wilde niet dat zijn vrouw alleen op vakantie ging en zelf hield hij niet van reizen.'

Ellen Jansen, die als maatschappelijk werkster al twintig jaar met de Egelshoek te maken heeft, bevestigt het beeld dat het kamp, ondanks zijn relatieve grootte, in bijna niets meer van een 'gewone straat in Hilversum' afwijkt. 'Alleen is het met een woonwagenkamp nog steeds zo, dat als er een gearresteerd wordt, het hele kamp erop aangekeken wordt.' De laatste grote politie-inval dateert van tien jaar geleden. 'En die ging eigenlijk om niets, ik geloof een caravannetje dat er illegaal stond. Het was aan de voorkomendheid van enkele woonwagenbewoners te danken dat het niet op vechten uitliep. Sommige ME'ers hadden dat graag gewild.'

0ORIGE maand werden de resultaten bekend van de eerste van een reeks periodieke onderzoeken die het kabinet laat instellen naar de sociale positie van woonwagenbewoners. Hun situatie bleek slechter dan die van allochtonen. Tweederde van de bewoners leeft van een werkloosheids- of bijstandsuitkering. Woonwagenkinderen komen viermaal zo vaak als burgerkinderen in het beroepsonderwijs terecht. Het aantal justitiële veroordelingen was driemaal zo hoog als gemiddeld.

Toch vielen de resultaten in zekere zin mee. Het aantal uitkeringen was een kwart minder dan de 'meer dan 90 procent' waarop de overheid het voorheen schatte. Speciaal op woonwagenkinderen gerichte beroepsopleidingen beginnen vrucht af te werpen en er wordt ook vaker gekozen voor de zo verachte loondienst. En hoewel het schoolverzuim nog hoog is en het onderwijsniveau laag, wordt de leerplicht steeds meer gerespecteerd. 'Het is echt niet leuk dat je wordt uitgelachen als je anderen vraagt iets voor te lezen', zegt een 36-jarige man die in de Egelshoek onder de motorkap van een auto staat te sleutelen. Hij kan lezen noch schrijven, maar dat zal z'n kinderen niet overkomen.

Met het verdwijnen van de Woonwagenwet komt het voor wagenbewoners zo cruciale afstammingsbeginsel in gevaar. Dat bepaalt dat kinderen van woonwagenbewoners en hun partners recht hebben op een standplaats. Staatssecretaris Tommel wil het aan de gemeenten overlaten wat zij hiermee doen. Maar de gemeenten staan niet te trappelen om nieuwe standplaatsen in te richten. Er is nu al een wachtlijst van twee- tot drieduizend rechthebbenden.

De huizenmarkt is voor gemeenten veel aantrekkelijker. Het is ook de vraag hoe lang de woonwagenbewoners zelf de concurrentie met de huizenmarkt kunnen overleven. De afschrijvingskosten van een wagen zijn door de korte levensduur zeer hoog. En er zijn gemeenten die alleen voor een standplaats al bedragen vragen die de huur van een woningwetwoning benaderen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden