HOLLANDSE ARGWAAN

Nederlanders kunnen niet echt genieten, zelfs niet in de hof van Eden, waar ze zich gedragen als kuise burgers die per ongeluk op een naturistencamping zijn beland....

MICHAEL ZEEMAN

Er is een gedicht van Judith Herzberg dat Liedje heet maar dat, voor wie eenmaal van de inhoud kennis heeft genomen, veel beter Neerlands wantrouwen had kunnen heten. Het bestaat uit vier coupletten die telkens slechts een begrip, een kleine reeks woorden van elkaar verschillen:

Het duurt altijd langer dan je denkt,

ook als je denkt

het zal wel langer duren dan ik denk

dan duurt het toch nog langer

dan je denkt

En zo verder met dat het altijd duurder is dan je denkt, dat het meer moeite kost dan je denkt en dat het, ondanks die eerste strofe, altijd toch nog weer korter duurt dan je denkt.

Zelden zal een dichter het vaderlandse onbehagen, dat misschien zelfs ons meest karakteristieke onvermogen is, eenvoudiger en nauwkeuriger onder woorden hebben gebracht. Uit die vier bijna identieke strofen spreekt onze hele natuur, ons noodlot, en die is zo simpel onder woorden gebracht dat het gedicht inderdaad net zo goed een liedje had kunnen zijn - zij het dat die titel nog een schepje bovenop de inhoud doet. Liedje maakt dat je de erin uitgedrukte observaties over onze zuinige achterdocht nog slechts als cynische constateringen kunt lezen, bijna als verwijten.

Als het klip en klaar Neerlands wantrouwen had geheten, met een openlijke verwijzing naar Neerlands welvaren, dan was het tenminste duidelijk geweest dat het ons onvermogen bezong om ons over te geven aan de grote genietingen die ons ten deel vallen. Dan was bovendien duidelijk geworden dat er naar onze diepste overtuiging wel degelijk een verband bestaat tussen ons wantrouwen en ons welvaren.

Nooit eerder in onze geschiedenis zijn wij welvarender geweest dan we nu zijn, en we kunnen van die welvaart ook nog eens genieten in een tijdperk van vrede en ongeloof. Maar, zo goed kan het ons niet gaan, of we passen ervoor het juk van de voorzichtigheid achter ons te laten en ons blijmoedig te laten gaan in het genot. Het genot op zichzelf is inmiddels toegestaan, maar het dient met mate en slechts op gezette tijden te worden geconsumeerd.

Het werkelijke hedonisme, het blijmoedige laisser passer zonder reserves van het zuiden, is ons vreemd: je kunt tenslotte niet weten. Je zult zien dat er straks een vinger uit de hemel komt die ons pardoes duidelijk maakt dat het uit is met de pret - dan komt God terug of de oorlog, de grote kladderadatsch of een onbedwingbare epidemie, je vader of de pastoor, en zijn we er niet op voorbereid omdat we onze roes lagen uit te slapen.

Er is welbeschouwd geen enkele reden om te vrezen dat het allemaal korter zal duren dan we denken: de vrede is stabiel, het ongeloof maakt weliswaar plaats voor een heel scala aan nieuwe geloofsvormen, maar ze zijn, vergeleken met de religies van brandstapel en banvloek, betrekkelijk ongevaarlijk.

Als het allemaal duurder uitvalt dan we denken, is er ook geen man overboord, want we raken eraan gewend dat de aandelen morgen nog weer wat punten hoger staan dan we vandaag al tevreden konden vaststellen, en de moeite die we zullen moeten doen kunnen we wel vrezen, maar ze neemt met het voortschrijden van welvaart en techniek zienderogen af. Wat ons verveelde en langer dreigde te duren dan we dachten, we zullen het bestrijden met een steeds gevarieerder, toegankelijker en heftiger amusementsindustrie.

We zijn welvarend, geamuseerd, gezond, verzorgd, mooi, bereisd, goed gekleed en goed opgeleid - maar zijn we er gelukkig mee? De vraag stellen is al twijfel zaaien, of liever gezegd: de twijfel oogsten die vanouds bij onze volksaard hoort. De vraag waar het werkelijk om gaat is of dat wantrouwen - niets is 'zo Hollands als de argwaan', schrijft een andere dichter -, dat onvermogen onze staat van genade te accepteren en er alles uit te halen, nog altijd bij ons hoort. 'Nooit was de tuin zo mooi', zegt een derde dichter, 'onze vereende krachten schiepen dit evenwicht van wildgroei en beteugeling', en hij heeft ontegenzeggelijk gelijk - maar hij laat dat gelijk aflopen in de noodlottige constatering dat die tuin dan wel de droom zal worden waaronder wij bezwijken.

Het is ook nooit goed. Het lijkt wel alsof die bijzonder welsprekende typering van Simon Schama, de geschiedschrijver van de meest Hollandse eeuw uit onze geschiedenis, de zeventiende, nog altijd geldt: wij worden in verlegenheid gebracht door onze welvaart.

Dat levensgevoel is altijd verklaard met behulp van het calvinisme, maar wie daar vandaag de dag even bij stil staat, moet wel tot de conclusie komen dat het nog veel dieper gaat en dat je beter het succes dat de calvinistische moraal hier in de jonge republiek van de zestiende en zeventiende eeuw ten deel viel, kunt verklaren uit de gunstige bodem waarop het terecht kwam. Het onbehagen zelf is Hollands, het werd hooguit verhelderd en gerechtvaardigd door het calvinisme. Aan die chagrijnige variant van het protestantisme zelf kan het niet werkelijk gelegen hebben, want al hebben de Hollandse katholieken vanouds minder last van dat onbehagen dan hun protestante landgenoten, ze onderscheiden zich juist weer van hun Franse, Italiaanse, ja, zelfs van hun Belgische geloofsgenoten, doordat ze in houding en levensvisie veel meer delen met hun ongemakkelijk levende protestantse landgenoten. Het schuldgevoel over zoveel onverdiende zaligheden en de verlegenheid ermee is ook hun niet vreemd.

Het zit ons blijkbaar in het bloed en het is de vraag of en waarom het daar, zoveel zuiverende injecties en transfusies van emancipatie en revolutionaire verandering later, na een halve eeuw spectaculair toegenomen rijkdom, gezondheidszorg, bewegingsvrijheid, levensverwachting en onderwijs, niet eens uit gefilterd is.

Nederland is op het oog onherkenbaar veranderd in die halve eeuw, en met het land veranderden de Nederlanders. De vraag is echter hoeveel. De veranderingen die zich gedurende die meer dan vijftig na-oorlogse jaren voltrokken in het landschap, in dorp en stad, op de weg, in de lucht en op het water, zijn groter en ingrijpender dan alles wat zich daar in de vier eraan voorafgaande eeuwen heeft voltrokken. De sociale structuren die werden gedicteerd door de rotsvaste hoekstenen van gezin en gezindte, de verhoudingen tussen een weids platteland en de erin verankerde relatief kleine steden, zijn niet langer wat ze zoveel eeuwen min of meer constant waren, en je zou mogen verwachten dat dat gevolgen heeft gehad voor levensvisie en mentaliteit.

Tot op zekere hoogte is dat ook zo. Die halve eeuw heeft een einde gemaakt aan de solide plichtencultuur, die er elke zondag door het calvinisme werd ingehamerd. Daarvoor in de plaats is vooral gedurende de jaren zestig en zeventig een rechtencultuur gesteld: onderwijs en sociale zekerheid, werk en huisvesting, ze werden toen de welvaart zich spectaculair ontwikkelde niet alleen als recht ervaren, ze werden zelfs als recht geformuleerd.

Waar voordien de sterken werd voorgehouden dat ze de plicht hadden voor de zwakken te zorgen, werd nu de zwakken minder zwak werden hun recht op bijstand van de sterken wettelijk geregeld, waarbij de anonieme en amorele staat de bemiddelende functie van de aanwijsbare, gepersonifieerde en op expliciete morele gronden opererende kerken en instellingen overnam.

Waar voordien de burger, al dan niet in georganiseerd verband, de plicht tot zorg had, zorg voor zichzelf, zijn gezin, zijn familie en zijn medemensen, nam de staat de zorg over en werd een plicht van enkelen een recht van allen. De aanspraken op die individuele rechten op een goed, autonoom en comfortabel leven namen hand over hand toe en strekten zich gaandeweg uit op het hele levensdomein van wieg tot graf, van moederbuik tot sterfbed. Ze werden gepreciseerd en uitgebreid, totdat eind jaren zeventig het eerste spandoek kon worden waargenomen waarop zelfs het recht op geluk werd uitgesproken.

Maar het tij is gekeerd. Er begon iets te knagen aan die montere en luidruchtig vertolkte levensfilosofie die zoveel rechten opeiste, en een deel van die rechten werd gedurende de jaren tachtig en negentig even snel opgegeven als ze in de twintig jaar daarvoor gecodificeerd waren. Want rechten scheppen verplichtingen, bedachten we, verplichtingen voor ouders jegens hun kinderen, voor kinderen jegens hun ouders, voor burgers jegens de staat en voor de staat jegens haar burgers. De grote zorgeloosheid werd inderdaad een droom waaronder wij dreigden te bezwijken.

Het is een ontwikkeling die niet alleen te maken heeft met een ongunstig economisch tijdperk - dat is immers alweer ten einde en maakte plaats voor nieuwe bloei - maar minstens zoveel met onze argwaan. Rechten zijn mooi, maar ze kunnen niet zonder verplichtingen. Wat we delegeerden, namen we even later weer terug: die pet past ons allemaal en de overheid, dat zijn wij.

Wij hebben het goed, maar wij wantrouwen het - wij weten in feite niet zo goed wat we ermee aan moeten. Zo rijk als we zijn, is de eerste zorg die we hebben nog altijd die voor een eigen huis. Het is het degelijkste ideaal dat we kennen en het is van een huiselijke eenvoud. We steken onze rijkdom in een huis, liefst met tuin, carport of parkeervergunning en auto, en we dekken onze financiering daarvan en passant het liefst af met een levensverzekering en een lijfrente - voor het geval dat.

Ons overtollige geld gaat in een koopsompolis, een studierekening voor de kinderen of in een extra pensioenvoorziening om straks wat eerder te kunnen stoppen met werken en dan al die dingen te kunnen ondernemen waar nu ons hart naar uitgaat. Bij alle toegenomen veiligheid van lijf, have en goed, zijn we nog steeds het best verzekerde en het uitvoerigst met pensioenvoorzieningen toegeruste land ter wereld. De welvaart die ons toevalt wordt weliswaar genoten, maar het grootste genot is toch nog altijd haar te garanderen voor onze gehele toekomst, tot en met die van onze kinderen - en dus schuiven we haar deels voor ons uit. Een appeltje voor de dorst van straks is verkieslijker dan een bacchanaal nu.

Want het paradijs mag dan aangebroken lijken te zijn, we vertrouwen het niks. We rekenen er niet mee en we passen tegelijkertijd op onze tellen en graaien er zoveel mogelijk van mee, voor het geval de poort straks weer dicht gaat. Er is geen betere illustratie van die houding dan de voorstelling die Rembrandt al in 1638 van Adam en Eva in die idyllische tuin maakte. De onbehaaglijkheid druipt er vanaf. Zijn Adam en Eva, het zijn geen kinderen van de zon en het geluk, die zich zorgeloos kunnen overgeven aan de zegeningen van een welwillend tijdsgewricht, nee, het zijn benepen Hollandse burgers, die argwanend om zich heen kijken. Ze zijn bedremmeld in hun paradijselijke staat.

Die hof van Eden is niet echt, je ziet het al aan het veelbesproken speelgoedolifantje dat erin ronddolt: een bos is voor ons Nederlanders alleen maar een boel bomen, zoals die grote kenner van de vaderlandse volksziel, Annie M.G. Schmidt, drie eeuwen na Rembrandt zou vaststellen. Rembrandts paradijsbewoners zijn geen gebenedijde kinderen van de natuur, het zijn stadsbewoners die verdwaald zijn in het park, hun naaktheid is geen vreugde en al helemaal geen uitnodiging om het er eens van te nemen. Het zijn kuise, behoedzame burgers, die door een misverstand op de naturistencamping zijn beland, en hun ogenschijnlijke genot is geforceerd. Ze kijken om zich heen omdat ze vrezen te worden betrapt, ze beseffen dat het paradijs alleen maar een uitgang heeft.

Hebben is hebben, krijgen is de kunst: je ziet het aan de toon van de contactadvertenties die al die vereenzaamde Adams en Eva's in de zaterdagse katernen van de grote kranten plaatsen. Ze streven hun levensgeluk na, maar becijferen het wel. Vijftig jaar geleden werden de verzoeken gespecificeerd met de wijze waarop de toekomstige partner geacht werd zijn vrije tijd met de verlangende instantie door te brengen, onder vermelding van de maximale afstand die deze daartoe bereid was af te leggen, 25 jaar geleden sloeg de vrijheid-blijheid toe door nadere specificatie van de wijze waarop het lichamelijk genot tot stand diende te komen.

Maar de moderne steller meldt eerst dat hij of zij alles al heeft, specificeert dat met huizenbezit, reislust en academische graad, om vervolgens van de kandidaat minstens hetzelfde te eisen. Ons geluk baseren wij op degelijkheid, niet op het avontuur, op spaarzin en behoudzucht, niet op neigingen tot wildebrasserij. '020 Jonge vrouw, 47 jaar, rooiig, Rubenstype, heeft alles (ac., fin. onafh., i.b.v. auto en eigen huis) zoekt alleen nog die ene (ac., > 1.80, < 90, lft. 40-50, n rok, d hr, sportief, omg. 020, fin. onafh., baan, etc.)'.

Het geluk ligt weliswaar niet voor het opscheppen, maar kan tot op de kilo, het jaar en de centimeter worden bepaald - en het mag in geen geval het reeds verworven geluk in de waagschaal stellen.

Het heeft ons overvallen, het maakt ons bedremmeld, en we blijven in elk geval op onze hoede - want het duurt altijd korter dan je denkt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden