Holist in z'n vrije tijd ZUID-AFRIKAANSE GENERAAL JAN CHRISTIAAN SMUTS VOELDE ZICH VOORAL WERELDBURGER

HET VLIEGVELD van Johannesburg draagt nog altijd zijn naam, wat vast niet het geval zou zijn geweest als hij Malan had geheten, of Strijdom, of Verwoerd....

Hij was al 78 toen hij zich in 1948 met zijn Verenigde Partij nog eenmaal aangordde om (voor de derde maal) het Zuid-Afrikaanse leiderschap te verwerven. Zijn geloof in een gunstige verkiezingsuitslag kun je achteraf kortzichtig of zelfs naïef noemen - misschien was hij te lang op de grote wereld georiënteerd geweest om nog het juiste zicht te hebben op wat er leefde tussen Pretoria en Kaapstad. Maar hij had het kunnen weten.

Zijn tegenstander Malan voerde campagne op basis van een simpele, ondubbelzinnige vraag: 'Is het Europese ras in de naaste toekomst nog bereid en in staat om zijn orde, zijn zuiverheid en zijn beschavingspeil te handhaven, of zinkt het langzaam weg in de zwarte zee van Zuid-Afrika's niet-Europese bevolking?'

Malans Nationale Partij had nog een ander geducht wapen: de suggestie dat Smuts' beoogde opvolger Hofmeyr een voorstander was van rassengelijkheid. 'De koers die hij voorstaat', heette het in een wijdverspreid pamflet, 'leidt tot gelijkheid, dus tot de ondergang van blank Zuid-Afrika. Stem tegen Hofmeyr, en redt Zuid-Afrika'

Smuts verloor de verkiezingen, en apartheid zou nog meer dan veertig jaar de hoeksteen van het Zuid-Afrikaanse regeringsbeleid blijven.

Zou het bij een andere uitslag fundamenteel anders zijn verlopen?

Onbeantwoordbare vraag.

Zeker is dat Smuts in de laatste paar jaren van zijn politieke carrière - hij stierf in 1950, in het 'harnas' van de oppositiebanken - heeft voorzien dat de doorgevoerde segregatie Zuid-Afrika op den duur noodlottigerwijs van de internationale gemeenschap zou isoleren, en dat was het laatste dat hij zijn land toewenste.

Hij voelde zich, en was ook in vrijwel alle opzichten, een 'wereldburger', met dien verstande dat hij een blanke wereldburger was, en eentje uit de negentiende eeuw. De 'kraal'-mentaliteit van de Afrikaander was hem totaal vreemd - dat hij een Boerengeneraal werd in de Tweede Vrijheidsoorlog tegen de Britten zou bijna toeval mogen heten. Eenmaal in de politiek werd hij de grote voorvechter van een verenigd Zuid-Afrika onder de Britse Kroon, en als haast vanzelfsprekend bepleitte hij in 1914 Zuid-Afrikaanse deelname aan de wereldoorlog - aan Engelse kant.

Zijn verwantschap met een typische imperialist als Cecil Rhodes moet een stuk hechter geweest zijn dan die met iemand als Paul Kruger. Zijn anglofilie - nog in 1945 was hij ervan overtuigd dat een nieuwe wereldvrede ondenkbaar was zonder een uitbreiding van het Britse imperium - heeft hem bij grote groepen in eigen land altijd als een bewijs van onbetrouwbaarheid achtervolgd, maar hij heeft er aan de andere kant een haast onaantastbare internationale reputatie aan te danken. Hij werd al in 1917 lid van het Engelse oorlogskabinet, hij was een van de architecten van de Gemenebest-gedachte, in 1941 werd hij benoemd tot Brits veldmaarschalk, aan het eind van de Tweede Wereldoorlog was hij nauw betrokken bij de oprichting van de Verenigde Naties.

Een unieke carrière op het wereldtoneel, maar in 1948 leek de wereld in de verste verte niet meer op die waarin Smuts was opgegroeid en groot geworden. Voorzover hij zich in z'n politieke opvattingen onderscheidde van of soms ook metterdaad afzette tegen de rigide rassenwaan onder de fanatieke blanke nationalisten in zijn land, moet daar altijd bij bedacht worden dat zijn 'ethische richting' gebaseerd was op het Kiplingiaanse geloofsartikel van de white man's burden.

Als lid van een coalitiekabinet was hij in de jaren dertig medeverantwoordelijk voor het zogenoemde naturellenkiesrecht, dat Kaapse kleurlingen stemrecht gunde via een blanke vertegenwoordiger. De gelijkberechtiging moest zich wat hem betreft in hele kleine stapjes ontwikkelen - je kunt er eigenlijk wel donder op zeggen dat ook hij een ANC-radicaal als Mandela naar Robbeneiland had verbannen. Zijn kortstondige oppositie tegen het apartheidsbeleid was in allerlei mitsen en maren verpakt, en dat moest ook wel: binnen zijn eigen Verenigde Partij werd het beginsel van de apartheid door een meerderheid geaccepteerd; het mocht alleen wat minder bruut.

In de biografie van de historicus Martin van Meurs ligt grote nadruk op het holisme dat Smuts zo niet 'uitgevonden', dan toch als eerste met die term benoemd zou hebben - en de auteur speelt een beetje mooi weer van het holistisch reveil uit de jaren tachtig (Marilyn Ferguson, Fritjov Capra), zonder er bij te vermelden dat de modebui intussen al weer goeddeels is overgewaaid.

Bladzijdenlang heeft Van Meurs het vage ratjetoe van Whitman, Haeckel, Steiner (en nog een scheutje Goethe) toegelicht waaruit Smuts zijn levensleer gaar stoomde in twee filosofische geschriften - vermoeiende lectuur, omdat de intellectuele essentie van de wijsgeerlijkheid ook op een A-viertje had kunnen worden samengevat.

De interessante vraag is natuurlijk in hoeverre het holisme een meer of minder beslissende rol zou hebben gespeeld in Smuts' politieke gedragingen, aangenomen althans dat al die hooggestemde denknevelen überhaupt 'toepasbaar' zouden zijn geweest op de harde praktijk des levens.

Van Meurs heeft voor het antwoord opnieuw diverse hoofdstukken en talrijke paragrafen nodig, zonder ook maar ergens aannemelijk te kunnen maken dat de levensbeschouwelijkheid metterdaad van invloed is geweest op het besluitvormingsproces van hetzij de Boerengeneraal, hetzij de politicus, hetzij de veldmaarschalk. Je hebt de indruk dat Smuts, hoezeer in zijn vrije tijd ook gefascineerd door de grote levensvragen, achter z'n bureau (of op het slagveld) bovenal als een pragmaticus heeft gehandeld. In die zin eerbiedigde hij als de eerste de beste non-holist de scheiding tussen theorie en praktijk - en ook in dat opzicht heeft hij zich laten kennen als zovele negentiende-eeuwse staatslieden: altijd verleid door verheven gedachten, maar even vaak bereid die even te vergeten als er een al dan niet politieke knoop moest worden doorgehakt. En het holisme - dat maakt het boek van Van Meurs vooral duidelijk - was winderig en ongearticuleerd genoeg om er alles mee te rechtvaardigen of zelfs verklaren.

Wie de praatjes van de biografie aftrekt, houdt een leerzame beschrijving over van een alleszins memorabel leven.

Martin van Meurs: J.C. Smuts, staatsman, holist, generaal.

Suid-Afrikaanse Instituut, Amsterdam; 516 pagina's; ¿ 59,50.

ISBN 90 74112 13 7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden