Interview Peter Plasman

Hoe was advocaat Peter Plasman vroeger op school? ‘In de tweede klas werd ik kortstondig een lolbroek die kattekwaad uithaalde’

Advocaat Peter Plasman gaf altijd al weinig om wat anderen van hem vonden, en op het internaat ging hij helemaal zijn eigen gang. Zijn eigen kinderen zei hij niet te veel energie te steken in school.

Peter Plasman op zijn oude school in Venlo: ‘Wij ouderejaars hadden op de bovenste verdieping onze eigen kamers, waar we pokerden en naar muziek luisterden.’ Foto Lars van den Brink

Als Peter Plasman (66) zichzelf moet beschrijven als 12-jarige brugklasser, gaat hij eerst terug naar wat daaraan voorafging, naar de tijd dat hij met zijn vader, moeder en zijn jongere broer Robin en zusje Nannie in Suriname woonde. Fijn land, altijd zon, ouders nog bij elkaar, een bevoorrecht, onbezorgd leven: ‘Eigenlijk was het elke dag feest.’ Daar kwam een einde aan toen zijn ouders uit elkaar gingen en hij met mijn vader en broertje naar Breda verhuisde. ‘Mijn vader had razendsnel een nieuwe vrouw die meteen zwanger werd. Het was een moeilijke start. Zo ging ik naar het lyceum.’

Maakte u daar snel vrienden?

‘Ik heb, doordat mijn vader als beroepsmilitair zo vaak elders werd gelegerd, nooit de gelegenheid gehad ergens langdurig te zijn. Ik heb in mijn lagereschooltijd op vijf scholen gezeten - dan bind je je niet meer makkelijk aan andere mensen. Werd het net leuk, zei mijn vader: pak je koffers maar, we gaan weg. In Breda was er één jongen, in de tweede klas, die bleek familie te zijn, bij hem kwam ik thuis, daar vond ik wat ik miste: een warm nest. Hij had bovendien drie leuke zussen die dol op me waren. Maar voor zich dat kon ontwikkelen tot een vriendschap, verhuisden we alweer naar Duitsland.’

Kon u niet terug naar uw moeder in Suriname?

‘Dat was uitgesloten. Mijn moeder was hertrouwd met een man die zei: geen kinderen. Ik heb haar jaren niet gezien, op twee keer een zomervakantie na. Dan was het even zes, zeven weken terug naar het paradijs.’

Wat heeft u het meest gemist in die jaren?

‘Als kind neem je het leven zoals het zich aandient. Je denkt niet: wat vreemd dat mijn moeder er niet is. Pas veel later ben ik me gaan realiseren wat het ontbreken van een moederband heeft betekend. Want van je moeder leer je wat liefde is. Liefde van je moeder ontvangen, is de beste manier om aan de liefde gewend te raken, om te leren houden van een ander mens.’

Beroepspokeraar

Peter Plasman (Roermond, 13 maart 1952) is strafrechtadvocaat. Zijn studententijd was naar eigen zeggen 'een vergelijkend warenonderzoek': hij studeerde (kort) actuariaat, sociale geografie en rechten. Vervolgens werkte hij als schoonmaker en nachtportier in een ziekenhuis, later als medewerker van VluchtelingenWerk Nederland, en ambtenaar bij de gemeentelijke dienst Herhuisvesting in Amsterdam. Hij was daarnaast beroepspokeraar, tot hij halverwege de jaren 70 zijn rechtenstudie weer oppakte en in 1987 beëdigd werd als advocaat. Sinds 1989 heeft hij zijn eigen advocatenkantoor in Amsterdam. Plasman verdedigde onder andere Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh, en Ernst Jansen Steur, de arts die in hoger beroep werd vrijgesproken van het opzettelijk vaststellen van verkeerde diagnoses. Peter Plasman is getrouwd en heeft twee kinderen.

Welk jaar herinnert u zich als een goed jaar?

‘Met grote afstand: 1967, het jaar dat we naar Duitsland verhuisden. Ik was 15 en kwam terecht op de Prins Willem Alexanderschool in Zeven, waar kinderen van beroepsmilitairen die in Seedorf gelegerd waren, op school zaten. De school was klein, er waren leuke leraren, en in tegenstelling tot Breda, waar we een flatje hadden, woonden we hier buiten. Wat ook hielp: het was de beroemde zomer, de summer of love. Ik leerde mijn eerste liefde kennen, Waltraud Wegener, ze was 18 en bloedmooi. Ik wist niet wat me overkwam. Het was de eerste keer dat ik een een-op-eenband had met iemand.’

Hoe lukte het u als 15-jarige een meisje van 18 te versieren?

‘Ze woonde naast ons. Mijn broertje en ik gingen op zaterdag televisie kijken. Beat Club, een muziekprogramma. Op een dag zaten we samen op de bank en begon ze me spontaan te zoenen. Het is tot in de zomer van 1968 aan geweest. Toen kreeg ze een relatie met een 23-jarige schoorsteenveger, die overigens de pech had dat hij van het dak viel en daarbij omkwam.’

Hoe zag u er uit in die tijd?

‘Ik was al kalend, nog heel fatsoenlijk gekleed. Later werd de kleding uitbundiger, kleurrijker. En we droegen Mao-jasjes, met zo’n hoge kraag.’

Was u populair op school?

‘Normaal. In de tweede klas, nog in Breda, werd ik kortstondig een heel ander jongetje, een lolbroek die kattekwaad uithaalde. Ik ben zelfs een keer van school gestuurd omdat ik stinkbommen had gegooid. En ik weet nog dat ik een keer een opstel mocht voorlezen waar iedereen om moest lachen. Nou, dan heb je een belangrijke move gemaakt.’

Van welke docent heeft u het meest geleerd?

‘In Duitsland kreeg ik Engels van meneer Hiemstra. Hij was enthousiast over zijn vak, aimabel, zachtzinnig. Als je een grap met hem uithaalde, werd hij niet kwaad zoals veel andere docenten, maar moest hij lachen. Mensen die zichzelf relativeren, daar hou ik van. Meneer Hiemstra hoefde niet op een voetstuk te staan om serieus te worden genomen. En later, op de HBS in Venlo, waar ik de laatste twee jaar van de middelbare school deed, kreeg ik wiskunde van meneer Halferkamps. Hij was een paar jaar ouder dan wij, maar een echte docent. Hij gaf zó goed les: zelfs als je geen talent had voor wiskunde, snapte je het.’

Deed u uw best op school of liep u de kantjes ervanaf?

‘Ik deed genoeg, maar niet meer dan dat. Leren ging me gemakkelijk af, maar ik heb nooit gedacht: ik kan een zeven halen, maar eigenlijk moet het een acht zijn. Sterker, later heb ik mijn kinderen altijd voorgehouden: als je voor dit vak meer haalt dan een zes, heb je er te veel energie in gestopt. Cijfers zijn niet het belangrijkst. Je moet het in het leven hebben van andere kwaliteiten. Ik ben bijvoorbeeld heel jong zelfstandig geworden. Al lag dat misschien ook aan de omstandigheden, met een moeder in Suriname en een vader die zich weinig met ons bemoeide. Op mijn 16de ging ik samen met mijn broer naar een internaat in Venlo, daar kon ik helemaal alles zelf beslissen: of ik mijn best deed op school, waar ik geld aan uitgaf. Ik liep wel in de pas, hoor. Ik deed geen rare dingen.’

Was er nooit een volwassene aan wie u raad vroeg?

‘Nee. Nooit gedaan. Nooit problemen voorgehouden aan anderen, advies gevraagd, never nooit niet. Ook niet aan leeftijdgenoten trouwens. Terugkijkend heb ik me vanaf mijn 11de weinig aangetrokken van wat anderen vonden.’

Wat deed u na schooltijd?

‘Op het internaat kon je volledig je eigen gang gaan. De paters waren heel relaxed, die letten er alleen op of je je huiswerk bijhield. Wij ouderejaars hadden op de bovenste verdieping onze eigen kamers, waar we pokerden en naar muziek luisterden.’

Zijn er leerlingen ontspoord?

‘Het liep op het internaat eigenlijk zonder gezag gedisciplineerd. Er waren geen ruzies, geen dronken toestanden, er werd, ook al was het in die tijd ruim voorhanden, niet geblowd. Je moet het ook in de tijd zien. 1968, iedereen was aardig en lief en geweldig, en er was wel oorlog in Vietnam, maar dat was aan de andere kant van de wereld. En de Koude Oorlog was dreigend, maar tegelijkertijd ook zo ongrijpbaar. Daar konden we niks mee.’

Wie waren uw beste vrienden?

‘Het was meer één grote club waarmee ik omging. Ik vond het op een gegeven moment nodig om een ijskast te kopen. Daar bewaarde ik cola, bier en snoep in en dat verkocht ik aan de andere jongens. Anders moesten ze de stad in, dus het was wel zo makkelijk. Die ijskast stond op de kamer van Gerard Klaphake, want die maakte zo veel lawaai - daar kon mijn winkeltje ook nog wel bij.’

Wat is de lp van uw jeugd?

‘Dat zijn er twee. Electric Ladyland van Jimi Hendrix Experience, en Wheels on Fire van Cream. Mijn gouden bezit. Niet alleen omdat Jimi Hendrix en Eric Clapton van Cream heel goede gitaristen waren, maar omdat het in 1968, toen ze uitkwamen, voor iemand van mijn leeftijd totaal overdonderend was zoals zij de muziek te lijf gingen. Tot die tijd bestond de popmuziek vooral uit liedjes van drie minuten. En hier stonden lange nummers op, die ook nog eens heel afwisselend waren.

'Ik heb in mijn jeugd voor heel veel geld lp's gekocht. In die tijd werd er maanden uitgekeken naar een nieuwe lp van The Beatles, als die uitkwam vroeg je je niet af of hij goed was, die moest je gewoon hebben.’

U bent op het internaat ook met pokeren begonnen. Wat voor speler was u?

‘Een onvoorspelbare speler. Ik blufte omhoog en omlaag. Het was de kunst zo sterk af te wisselen in je spel, dat de anderen geen vat op je kregen. Ik was ongrijpbaar, en niet alleen in het spel. Ik deed wel gezellig mee hoor, maar het was voor anderen lastig om mij echt te leren kennen.’

Wist u in die tijd al wat u wilde worden?

‘Ik ben heel lang richtingloos geweest. Ik had totaal geen beeld bij mijn toekomst. Ik heb in het eindexamenjaar een keer geroepen dat ik Russisch wilde studeren, maar dat was meer recalcitrantie, bedoeld om consternatie te veroorzaken. Want Rusland was net Tsjechoslowakije binnengevallen en iedereen dacht dat het daar niet bij zou blijven, dat ze bij wijze van spreken morgen Europa zouden binnenvallen. De paters hebben mijn vader meteen gebeld: uw zoon wil Russisch studeren. Kon natuurlijk niet. Mijn vader heeft toen een beroepskeuzetest geregeld. En daar kwam uit: actuariaat – de saaiste studie denkbaar, dan word je iemand die premies berekent voor verzekeringsmaatschappijen – en Russisch. Toen wist ik dat ik die test niet serieus hoefde te nemen.’

Als uw kinderen vroeger wilden weten hoe u op school was, wat vertelde u dan?

‘Mijn zoons leven wat meer in het heden dan in het verleden. Wat ik aanmoedig. Maar als ik vertelde over school, dan ging het meestal over mijn tijd in Suriname, op de katholieke school. Daar hadden we een Chinees-Javaanse meester die zo zijn methoden van mishandeling had. Hij kwam elke ochtend op een grote motor het schoolplein opgereden, en dan gaf hij gas en moest je wegwezen, want hij ging voluit tussen al die spelende kindertjes door. Of je moest voor straf aan de deurpost hangen. Stoel ervoor, handen aan de deurpost, stoel weer weg, en als je dan naar beneden viel, wat natuurlijk altijd gebeurde, want zo sterk waren we nog niet, werd je behoorlijk geslagen. Hij was een een sadist, ja. En dit werd een van mijn eerste ervaringen met onrechtvaardigheid.’