Lammert Voos

Interview Lammert Voos

Hoe Lammert Voos zich ontworstelde aan zijn ellendige jeugd in Groningen en zijn alcoholverslaving

Lammert Voos Beeld Judith Jockel

Lebowski-uitgever Oscar van Gelderen is nieuwsgierig naar mensen die zichzelf hebben moeten heruitvinden. Hij spreekt schrijver en muzikant Lammert Voos (1962), van de novelle Malterfoske. Voos kwam zijn alcoholverslaving en ellendige jeugd te boven.

Even denk ik te hallucineren. Op weg naar het Hoge Noorden – wat zeg ik: het Hoogste Noorden – passeer ik bij pompstation Mienscheer, ter hoogte van afslag Boerakker, een weiland met daarin een dozijn dravende zwarte paardjes en twee voortsukkelende kamelen. Note to self: ik moet Lammert Voos straks vragen hoe niet alleen de mens, maar ook de kameel in deze door God verlaten streek zijn leven leeft.

Ik zet de muziek harder – Joy Division, de soundtrack van mijn leven in de jaren tachtig, want ik heb niet alleen mijn muzieksmaak met Voos gemeen, maar ook een manke vader, een verleden als alcoholist, affectieve verwaarlozing in onze jeugd, monter nihilisme en andere goede zaken des levens. Het weidse landschap glijdt voorbij als een monochroom schilderij van Willem van Althuis, of, meer recent, Jeroen Allart. Niet veel later zit ik in de woonkamer van Lammert Voos – een grote verschijning, maar niet vreeswekkend. Een thermoskan koffie staat op tafel.

Ik complimenteer Voos met zijn onbarmhartige (en prachtig vormgegeven) novelle Malterfoske, waarin de hij vele generaties vissers, klompenmakers, boeren en knechten uit zijn familie – wonend op de Groningse kleivlakten – beschrijft, door het leven geslagen en gedoemd tot drank en geweld. Voos was op zijn 14de alcoholist, zijn moeder verliet zijn gewelddadige vader toen hij 15 was en hij groeide min of meer zelfstandig op, zijn vader bivakkeerde al snel bij een nieuwe vriendin. Niet minder onder de indruk ben ik van een stuk dat hij eind januari op zijn weblog publiceerde, onder de titel De louteringsberg. Een genadeloze afrekening, in de derde persoon, met zijn ouders. Het fungeert als een spiegel voor de (familie)verhalen in de novelle.

‘Dit is geen liefde, dit is angst en haat.’

Uit: Malterfoske

Hoe wordt iemand op zijn 14de alcoholist?

‘Op al die gezellige feestjes met ooms en tantes stond altijd drank op tafel en ik dronk vrolijk mee. Ik was toen een jaar of 13, 14. Ik zoop gemakkelijk vijftien flesjes bier, ik was groot, ik kon dat wel hebben. Kun je nagaan hoe slim ik zou zijn geweest als ik dat niet had gedaan. Ach jongen, drank was bij ons zo normaal.

‘Die drank is in eerste instantie iets om losser en gezellig van te worden en in tweede instantie wordt dat iets waardoor alle rancune de vrije loop kan krijgen, waardoor alle grenzen vervagen.

‘Twee ooms van mij hadden een café hier in een dorp verderop. Mijn opoe werkte in een café van een andere oom, in Eenrum. Dat heette café Centraal, maar dat noemden wij de Magneet, en dat was beregezellig. Tot een bepaald punt, dan werd het heel vervelend. En toch, als je de kleinkinderen van opoe hoort, die dragen haar allemaal op handen. Opoe was altijd vrolijk en maakte er wat van, ondanks haar man, een bruut met losse handjes, en de kinderen die zich hebben doodgezopen.’

Lammert Voos. Beeld Judith Jockel

Drinken was dus bepaald niet iets om je voor te schamen. Was er geen moraal?

‘Ik had een oom die in Zuidlaren in een ontwenningskliniek had gezeten. Hij kwam thuis, opoe was jarig, ze zei: ‘Nou jongen, hoe is’t?’ 

‘Ja, het was niet makkelijk.’ Ze zet hem gewoon een jenever voor de neus. Heb ik met open bek naar staan te kijken. Hoe kun je het doen? Is dat dommigheid, is dat onverschilligheid?

‘Opoe had ook nergens een oordeel over. Toen ik voor Vluchtelingenwerk werkte, kwam ik een keer in Breda of daar in die buurt terecht, bij een noodopvang, die werd beheerd door een lesbisch echtpaar. De vrouw van dat echtpaar vroeg: ‘Voos: kom jij uit Eenrum?’ 

Ik zeg: ‘Ja.’

‘Ken je opoe Voos?’ 

Ik zeg: ‘Ja, dat is mijn opoe.’ 

En toen bleek dat zij ook van oorsprong uit Eenrum kwam en dat opoe haar had aangeraden uit Eenrum weg te gaan, omdat ze lesbisch was: ‘Hier zul jij het niet vinden.’

‘Mijn vader was geen alcoholist, die was een weekenddrinker, maar een aantal van zijn broers en zussen wel, en ook aan mijn moeders kant kwam alcoholisme voor. Behoorlijk wat mensen gingen zover dat ze uiteindelijk tussen zes plankjes terechtkwamen. Ook die oom van dat café, die heeft zichzelf doodgedronken.’

Alcohol en geweld waren binnen het gezin vaste ingrediënten, het is iets wat je kende, wat je normaal vond.

‘Het heeft heel lang geduurd voor ik erachter kwam dat geweld niet normaal was, voordat ik dat ook echt kon internaliseren. Er was heel veel schone schijn. Mijn vader was ambtenaar in Sneek, een keurige man, maar ondertussen fraudeerde hij en was hij heel gewelddadig, niet zozeer naar mij toe, maar wel naar de rest van het gezin.

‘Ik voelde me onveilig. Er was vooral verbaal geweld, ik hoorde ’s nachts het een en ander, want mijn slaapkamer grensde aan die van mijn ouders, en dat was niet al te fris. Ik was dromerig, ik kon eigenlijk niet goed meekomen op school. De school was sowieso trouwens een bak ellende. Wij woonden in Sneek aan de rand van een achterbuurt en dat was allemaal grof en rauw, en mijn vader haalde me van school. Zelf had hij ook zijn school niet af mogen maken.’

Oscar van Gelderen

Oscar van Gelderen (1965) is uitgever bij uitgeverij Lebowski in Amsterdam. Onlangs verscheen van zijn (en Manuela Klerkx’) hand Ontroerend goed, een boek waarin de auteurs de ‘geheel eigen taal en eigen codes’ van de kunstwereld ‘proberen te kraken’, om te stimuleren dat kunstliefhebbers meer kunst gaan kopen. Van Gelderen schreef eerder in de Volkskrant een persoonlijk stuk naar aanleiding van de verschijning van Ontwenning van Leslie Jamison, waarin hij zijn alcoholverslaving ter sprake bracht.

Mijn vader zei altijd: ‘Ik zal ze laten zien dat ik net zo goed ben als normale mensen, en liefst nog beter.’ Mensen met een fysiek stigma moeten vaak overcompenseren. Was dat bij jou ook zo?

‘Zowel mijn vader als mijn moeder hebben zich hun hele leven lang als slachtoffers opgesteld, elke vorm van kritiek was uit den boze. Mijn vader was slachtoffer van mijn moeder en van zijn afkomst, en van het feit dat hij mank was: ‘Alleen door mijn wilskracht ben ik zo ver gekomen’, dat was echt zijn liedje.

‘Mijn moeder had hem bedrogen: ze heeft me verteld dat ze wel eens ontmoetingen had met andere mannen, maar hoever dat dat ging, weet ik niet. Ik denk dat ze donders goed wist dat ze hem nodig had om daar weg te komen. En het probleem is een beetje dat ik niet weet welke gedeeltes die ze me heeft verteld waar zijn en welke niet. Maar dat is niet zo belangrijk, want het is haar beleving.

‘Mijn vader compenseerde zijn angst met geweld. Hij was best heel angstig. Ik heb dat bij mezelf ook gezien, op het moment dat ik echt bang word, dan keer ik om, dan ga ik er juist op af. Mijn vader deed dat ook.

‘Ik heb mijn vader maar één klap gegeven, dat was voldoende.’

Heb je meer empathie met je moeder dan met je vader?

‘Ik zie in mijn moeder ook het beschadigde meisje. En de inzichten wat betreft mijn vader zijn eigenlijk gekomen na zijn dood. Dat maakt dat ik daar wat vrijer over kan zijn, want ik kan hem niet ernstiger beschadigen dan hij zelf al heeft gedaan. Ik denk dat mijn moeder in de hel leeft. Ze is heel eenzaam, ik heb echt met haar te doen. De kern van mijn vader en moeders eenzaamheid was angst. Ik denk dat mijn moeder emotioneel na haar 14de niet meer is gegroeid. Ze was op die leeftijd al zwanger van mijn vader, en op haar 16de had ze twee kinderen, mijn twee zusters. Ze moest haar puberteit overslaan en later weer inhalen. Misschien dat ze daarom haar identiteit enigszins ontleende aan de mannen met wie ze tijdens en na het huwelijk met mijn vader omging, want mijn moeder was een mooie vrouw. Maar ze was ook afhankelijk van mijn vader, want in emotioneel en materieel opzicht kon ze niet voor zichzelf zorgen. Dat was met haar tweede man ook zo, dat was een verschrikkelijk autoritaire zak. Die is overleden. Toen dacht ik: nu wordt alles anders, maar nee. Binnen de kortste keren zat ze weer achter een getrouwde man aan, en toen was ze al 80 ofzo.’

Jij koesterde de stille hoop dat je nu eindelijk ook eens de aandacht zou krijgen die je verdiende.

‘Toen haar tweede man overleed, moest ik verschrikkelijk huilen. Mensen dachten waarschijnlijk dat ik verdriet om hem had: hij was een kind van een moffenhoer, uit Sneek, en hij was naar een tante of een grootmoeder gebracht en zijn moeder had hem achtergelaten, nou dat was zo’n tragisch leven – ‘Oh, oh, hij is in de steek gelaten door zijn moeder’ – terwijl ik dacht: ik zit hier, ik ben ook in de steek gelaten door mijn moeder, maar niemand die dat ooit zou erkennen. Ik moest zo huilen, godverdomme, van een ander zie je het wel, maar van mij zie je het niet.’

Hoe heb je het kunnen kantelen? Voor het leven, voor het licht kunnen kiezen?

‘Mijn vader kreeg maagkanker en hij was zo bang om de controle te verliezen, dat hij zelfs geen pijnbestrijding wilde. Pas in de nacht dat hij overleed, kreeg hij morfine. Nou, daar is hij dan ook direct aan doodgegaan. Elke keer als ik hem ten afscheid een kus gaf, want ik probeerde het echt, om samen met hem te zijn, was het: ‘Bist toch geen homo word’n!’ Hij was aan het doodgaan en toch trapte hij me weg, trapte zijn vrouw weg, trapte iedereen weg.

‘Ik vond het ook frappant dat hij maagkanker kreeg, dat hij van binnenuit werd opgevreten, dat is zo symbolisch, hij kon niet over zichzelf heenstappen, hij kon niet loslaten, hij koos letterlijk voor de duisternis.

‘Na de dood van mijn vader, twaalf jaar geleden, heb ik besloten: ik ga het anders doen. Dit wil ik niet. Ik zoek zelf ook continu dat negatieve en dat nare, dus het moet veranderen. Ik zat in een bepaald patroon, ik kwam altijd in dezelfde kroeg en ik keek om me heen, en wat ik om mij heen zag vond ik niet positief. Ik vond mezelf niet positief. En ik wilde ook echt de relatie met mijn kinderen verbeteren, dus dan moet je gewoon stoppen. Niet meer naar de kroeg gaan. Toen ging ik thuis zitten. Schrijven. Ik schreef al wel, maar toen werd dat serieuzer, ik begon poëzie te schrijven, Klaai (dichtbundel uit 2008, red.) is daar geschreven. Ik ging naar buiten, ik ging veel lopen, ik werkte bij mensen, tuinen opknappen. Ik heb een tijdje op een soort zorgboerderij gewerkt en daar kwam ik mijn huidige vrouw tegen, eigenlijk vrij snel nadat ik was gestopt met drinken. De dood van mijn vader, stoppen met drinken, serieus met schrijven aan de slag en een nieuwe liefde: ze hangen allemaal met elkaar samen.’

Hij was 49 en vond dat licht. Niet God, maar het kwam in de buurt. Zij accepteerde hem. Zij accepteerde de wond en de andere littekens. Ze waren samen. Echt samen. De rat sliep, behalve in de nacht. Maar de dagen waren beter dan ooit. Zijn lichaam was kapot, maar zijn geest heelde. Hij vergaf. Hij beklaagde zijn verwekkers. Hij vergaf zichzelf. Hij had de louteringsberg beklommen en voelde zich vrij.

Uit: De louteringsberg

Wat zoekt een kameel trouwens in het Hoge Noorden?

‘Water. Dat is hier in overvloed.’

Malterfoske, 64 blz, AFdH uitgevers (novelle)

Klaai, 48 blz, Uitgeverij De Contrabas (poëzie)

De louteringsberg, op het weblog van Lammert Voos (dewaterwolf.wordpress.com)

Hier hoort u Lammert Voos die het verhaal Adam leest, uit Malterfoske.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.