Zinvol levenKatrien Schaubroeck, filosoof

‘Hoe je iets doet, is belangrijker dan wat je doet’

Katrien SchaubroeckBeeld Jitske Schols

Na zijn serie over de zin van het leven gaat Fokke Obbema dit jaar in een nieuwe reeks op zoek naar het antwoord op de vraag: wat is voor u een zinvol leven? Vandaag aflevering 1.

‘Hoe komt het toch dat we bij uitstek jaloers zijn op onze vrienden? Waarom kunnen we niet altijd oprecht blij zijn wanneer een ander die ons zo na is, gelukkig is of succes heeft?’

Het is het soort praktisch-filosofische vragen waar de Vlaamse Katrien Schaubroeck zich het hoofd over breekt. Haar antwoord: onze vrienden zitten in dezelfde sociale groep als wij en die nabijheid maakt hun succes soms moeilijk te verteren – want waarom hebben wij dat zelf niet? Haar advies: realiseer je dat je bovenal de vriendschap wilt, dan wordt het wellicht mogelijk de jaloezie in bewondering om te zetten. Ze is ervan overtuigd dat nadenken over dit soort kwesties ‘ons kan helpen bij onze morele zelfontwikkeling’.

Bijna 40 jaar is ze, moraalfilosoof aan de universiteit van Antwerpen. Haar jeugd verloopt min of meer rimpelloos. Ze beleeft een beschermde tijd in een Vlaams dorpje met duizend zielen, waar ze met haar zusje wordt grootgebracht door ­ouders die in de gehandicaptenzorg werken. Het ‘grootste moment in mijn leven’ noemt ze haar verhuizing naar Leuven op haar 18de, waar ze ­filosofie gaat studeren. Ze ontmoet haar man, met wie ze twee kinderen krijgt, inmiddels 4 en 1 jaar oud. Dat lijkt op een voortzetting van de rimpelloosheid van haar jeugd, in werkelijkheid wordt ze geregeld door sombere stemmingen gekweld: ‘Ik ben vatbaar voor depressie.’ Die zwaarmoedigheid overvalt haar soms, zonder aanwijsbare oorzaak: ‘Het is voor mij nog altijd een raadsel.’ Wel weet ze inmiddels dat ‘heel hard proberen’ niet werkt: ‘Ik kan mezelf niet aan mijn gedachten uit het moeras trekken.’ Contact met anderen vormt de sleutel tot weer opveren: ‘Anderen kunnen me eruit wegtrekken, vaak zonder het zelf te beseffen.’ Maar juist dat contact valt haar niet mee – ze doet haar relaas vrijwel zonder oogcontact te maken: ‘Ik wil het wel, maar het valt me zwaar.’

De meest intieme vorm van contact, de liefde, speelt in haar werk een hoofdrol. In haar proefschrift schrijft ze over de Amerikaanse moraalfilosoof Harry Frankfurt die self-love, de liefde voor jezelf, als de hoogste vorm van liefde ziet – een mens behoort in zichzelf af te dalen om te achterhalen ‘waar hij werkelijk om geeft’. Haaks daarop staat Iris Murdoch, die navelstaarderij verafschuwt. De mens dient bovenal de wereld in te gaan, meent de Britse filosoof en schrijver. Dat spreekt Schaubroeck aan, omdat het aansluit bij haar eigen ervaringen met somberte en bij het vrijwilligerswerk dat ze heeft gedaan: ‘De ­betekenisvolle momenten zijn die waarop je weggaat van je dikke ik.’

Wat is voor u een zinvol leven?

‘Liever heb ik het over de vraag: wat is een goed leven? Die stelden de oude Grieken zich al. Na de Tweede Wereldoorlog heeft zich in de filosofie een verschuiving voorgedaan van aandacht voor het goede naar het zinvolle leven. Dat laatste past beter bij een liberale samenleving, want de nadruk ligt dan op wat je onderneemt, op projecten waarmee je je ­leven vormgeeft. Bezwaar is, vind ik, dat die benadering mensen uitsluit die niet tot projecten in staat zijn, bijvoorbeeld chronisch zieken. Die zouden dan geen zinvol leven leiden. Dat probleem heb je niet, wanneer je niet de nadruk legt op wat je doet, maar hoe je het doet. Een goed leven is dan een leven waarin iemand probeert een moreel goed mens te zijn: ­iemand die deugden nastreeft als eerlijkheid, vriendelijkheid, ­altruïsme. Maar zonder zichzelf tekort te doen, ook zelfrespect is een deugd. Die benadering is niet bedoeld om mensen langs de morele meetlat te leggen, maar ze een vraag voor hun leven aan te reiken: wat zou ik moeten doen om in de buurt van een moreel beter leven te komen?’

Kunt u een voorbeeld geven?

‘Stel je ergert je in de rij bij de supermarkt aan een lastig kind. Je kan dat veroordelen door te denken: dat kind is slecht opgevoed. Maar je kunt ook een stap terug zetten en overwegen dat de ouders wellicht een moeilijke dag hebben gehad of dat het kind te weinig slaap heeft gekregen. Voor mij staat vast dat die tweede manier moreel beter is. Het vereist meer moeite, omdat we onze natuurlijke zelfbekommernis te boven moeten zien te komen. Je gaat dan niet mee in je primaire, egoïstische duiding van een slechte opvoeding, maar doet een poging tot empathie.

‘Een mooi voorbeeld van zo’n morele inspanning kwam ik tegen bij Iris Murdoch. Ze verhaalt over een moeder die haar schoondochter vulgair en kinderachtig vindt. Ze probeert wijs te zijn en vraagt zich af: wat zit er achter mijn afkeer? Misschien, bedenkt ze, heeft ze er moeite mee dat haar zoon iemand heeft gekozen die niet op haar lijkt. Dan gaat ze meer liefdevol kijken: de schoondochter wordt dan niet vulgair, maar spontaan; niet kinderachtig, maar jeugdig. De moeder doet dus een morele inspanning, een liefdevollere blik brengt haar meer kennis over de werkelijkheid bij.’

In hoeverre slaagt u er zelf in een goed leven te leiden?

‘Het gaat bij iedereen, dus ook bij mij, meer om het streven dan het bereiken, zoals de oude Grieken al zeiden – het is een activiteit, geen toestand. Op sommige momenten denk ik: nu doe ik wat een goede vriendin hoort te doen. Maar evenzeer belangrijk, en misschien nog wel nuttiger, is wanneer ik me het tegendeel realiseer. Dan probeer ik mijn gedrag aan te passen.

‘Zelf heb ik nogal last van het ­oplichterssyndroom – het idee dat ik mijn baan eigenlijk niet waard ben. Mijn beeld van studenten was lang dat van een troep wolven; gulzige monsters die ik niet genoeg kon bieden, omdat ik het niet in me had. Dat maakte dat ik soms met afhangende schouders en de moed in de schoenen een lokaal binnenstapte. Wat dan kan helpen, is de aandacht buiten jezelf op iets anders vestigen. Ik herinner me een keer een fietsongeval op straat, waardoor mijn aandacht geheel werd verlegd. Daarna ging de les prima.

‘Dat oplichterssyndroom is niet zo meisjesachtig of onschuldig als het lijkt. Het heeft ook een arrogante kant, omdat het ertoe leidt dat je het beoordelingsvermogen van anderen in twijfel trekt: ‘Ze hebben mij wel voor deze baan gekozen, maar ik ben niet goed genoeg. Dus als zij denken dat ik dit wél kan, moeten zij ook slecht zijn.’ Daar zit iets destructiefs in – het haalt niet alleen mij naar beneden, maar ook de mensen om mij heen. Dat staat op gespannen voet met de vriendelijkheid jegens anderen die me voor ogen staat. Waar het denk ik vooral om gaat, is dat je je van dit soort mechanismen bewust wordt. Als dat het geval is, leid je al het goede leven. Misschien heeft de Boeddha dat doel ooit bereikt, maar voor de meesten van ons zit het goede erin dat ze proberen het te bereiken. Meer dan een poging een goede vriend, geliefde of ouder te zijn, zit er niet in.’

Uw aandacht voor deugden heeft iets ouderwets.

‘Ja, ik realiseer me dat het een betuttelende, moraliserende indruk kan maken. Maar het mag dan ouderwets klinken, toch zie je het in series, films en literatuur nog altijd veel terug­komen. We leven mee met personages met een goed hart, die opkomen voor rechtvaardigheid en zich medemenselijk tonen in een wereld van brutaliteit en concurrentie. Dus ik voel me niet zo tegen de stroom ingaan. Alleen wordt er te weinig over gepraat – het is iets waar we onszelf meer vragen over mogen stellen.

‘In onze prestatiemaatschappij ligt vooral de nadruk op het benutten van je talenten, zelfontplooiing. Dat is zeker belangrijk, het helpt ook zin in het leven te houden. Maar mijn gevoel is dat we mensen zeer stimuleren hun talenten te ontwikkelen, maar dat we weinig spreken over de manier waarop die worden gebruikt. Voor mijn kinderen vind ik het ook van belang dat zij zichzelf ontplooien, maar nog belangrijker vind ik dat ze vriendelijk, eerlijk en aangenaam in de omgang zijn. We moeten oppassen voor een samenleving waarin die waarden niet meer lonen. Het extreme voorbeeld is iemand als Trump, die zijn talenten uiterst goed benut, maar niets met waarden opheeft. Dat je zonder die serieus te ­nemen toch president kunt worden, is nogal een slecht voorbeeld.’

Is dat gesprek wel echt nodig? Leven we die waarden en normen niet dagelijks voor?

‘Waarden en normen tonen zich inderdaad vooral door hoe je ze voordoet, ze vormen geen lesje dat je van buiten kunt leren. Maar voorleven is niet altijd genoeg. We nemen onze normen en waarden over van de ­vorige generaties, maar soms is het goed ze te bevragen. Het gesprek erover kan tot vernieuwing leiden. De MeToo-discussie is daar een mooi voorbeeld van. Die gaat over iets waarover lang niet is gesproken. Onder invloed van de publieke discussie wordt nu toch anders tegen seksuele intimidatie aan gekeken en dat leidt tot gedragsverandering.’

Staat voortdurende toetsing van ons gedrag aan normen en waarden niet onbezorgd leven in de weg? Is het niet wat streng?

‘Daar maak ik me niet zo’n zorgen over, dat onbezorgde leven doen mensen heus wel. Mijn idee is niet dat we de hele dag ons bewust zouden moeten zijn van deugd-ethiek, dat lukt niemand, want onze natuur neemt het snel genoeg over. De Schotse filosoof David Hume stelde zich ooit de filosofische vraag of we ervan uit mogen gaan dat de zon morgen weer opkomt. Vervolgens ­relativeerde hij: straks sta ik op van mijn tafel en ga beneden een kaartspel spelen, dan ga ik ervan uit dat de zon weer opkomt zonder me iets af te vragen. Zo is onze natuur, dus dat gevaar van te streng zijn, lijkt me niet zo reëel. Het gaat om strengheid naar jezelf, niet naar anderen. Te kritisch over jezelf kom ik eerlijk gezegd niet veel tegen. De meeste mensen zijn juist niet zelfkritisch genoeg.’

Bent u tot veel zelfkritiek geneigd?

‘Dat weet ik niet, ik vind het vreselijk moeilijk mezelf te kennen. Mijn ­depressiviteit is nog altijd een raadsel voor me. Het probleem van zelfkennis is dat je zowel het object als het subject van onderzoek bent. En dat je ook nog iets dynamisch onderzoekt – ik kan mezelf niet leren kennen, zoals ik een stad kan kennen. Wat we vooral willen is innerlijke rust. Daarmee bedoel ik niet een gezapig leventje, er mag vuur en gedrevenheid in het bestaan zitten, zeker. Maar je wilt een focus op wat je werkelijk belangrijk vindt. Daarvoor moet je zowel de buitenwereld opzoeken als in jezelf afdalen.’

Leestip: Down Girl van  Kate Manne

‘Dit boek laat mooi zien hoe we ons vaak onbewust in het dagelijks leven aan seksisme en ­racisme schuldig maken – het nodigt uit tot kritisch zelfonderzoek. Door dit boek kwam ik erachter hoezeer een blanke mannenfiguur voor mij autoriteit uitstraalt, waardoor een vrouw of iemand met een migratie-achtergrond een debat met een achterstand begint. Kate Manne laat de achterliggende structuren zien die maken dat we dit soort verkeerde percepties normaal vinden.’

Zin van het leven
Na een hartstilstand, die hem tussen dood en leven deed zweven, ging Fokke Obbema op zoek naar antwoorden op die aloude vraag: waartoe zijn wij op aarde? In een serie interviews sprak hij met zeer diverse beroepen en achtergronden.  

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden