Hier zijn de bruggenbouwers van 2018

Deze zes mensen zoeken verbinding in tijden van oververhitte debatten

In 2017 vochten de nationalisten tegen de wereldburgers, de bewusten tegen de geprivilegieerden, de feministen tegen de macho's. Nederland leek één zwart-witte arena. Maar hier zijn de bruggenbouwers van 2018.

De bruggenbouwers van 2018. Foto Jiri Buller / Beeldbewerking: JeRoen Murre

Imara Limon (32) laat musea en het publiek nadenken over rolmodellen

In de hal van Museum het Mauritshuis, statig gelegen aan de Hofvijver in Den Haag, stond na de heropening in 2014 een beeld van de opdrachtgever: Johan Maurits van Nassau. Logisch, misschien. Maar hoe trots moet een museum zijn op de oorspronkelijke bewoner, die ook 23 duizend gevangenen als slaaf van Afrika naar Brazilië haalde? Moet het überhaupt zijn naam wel willen dragen? Imara Limon (Leiden, 1988) is kunsthistoricus, organisator en conservator in het Amsterdam Museum. Afgelopen jaar werd ze niet alleen uitgeroepen tot museumtalent van het jaar, het Mauritshuis was een van meerdere musea die haar vroegen een programma in te vullen als gast. Dat deed ze, over 'zwarte aanwezigheid' in het museum, en ze kon niet laten dat borstbeeld toch even te noemen. Waarom stond het daar? Afgelopen zomer werd het stilletjes weggehaald. Limon vond dat 'toch wel fijn', zegt ze met gevoel voor understatement.

Imara Limon. Foto Jiri Buller / Beeldbewerking: JeRoen Murre

We zijn een paar minuten in ons gesprek via Facetime, waarin Limon vanaf haar vakantieadres in Portugal met een zonnetje op de achtergrond en een ontwapenend open blik haar visie uitvouwt. Als onderwerpen op tafel komen als slavenhandel, de Republiek als roofstaat en historische selectie staat ze op scherp. Het ene dilemma roept vanzelf het volgende op. Wat vindt ze bijvoorbeeld van de gebeurtenissen in de Verenigde Staten van afgelopen jaar, waar demonstranten standbeelden van zuidelijke generaals uit de Amerikaanse burgeroorlog neerhaalden? Limon: 'Het probleem is dat mensen nu heel snel willen weten of iets goed of slecht is, maar niet goed kijken naar wat het dilemma is. Terwijl je ook kunt denken: wat zegt het? Wie bepaalde dat dit erfgoed is? En wat kunnen we ermee doen om de geschiedenis aan het licht te brengen?'

Permanente plek

Imara Limon stelt lastige vragen. Vragen die grote instituten soms niet willen horen, die ze wegwimpelen of klein maken. Van wie is de geschiedenis, en over wie gaan de verhalen in musea? Dat gebeurde al toen ze ging studeren. Toen ze minimalistische kunst in musea zag en dacht: waarom is dit goed? Waarom kost het zoveel? Nu werkt ze zelf in zo'n museum. Haar Surinaamse vader zegt soms: 'Je geeft wel erg af op de plekken waar je dingen uit haalt.' Maar ja, dat is ook haar rol, zegt ze dan. Om oplossingen te bedenken, waardoor mensen zich kunnen herkennen. Dat vereist openstaan voor de vraag wat een museum eigenlijk is.

Een museum is vanouds een plek waar mooie dingen gevierd worden. Wie geen geld had, had geen kunst om na te laten. Musea filteren zo minderbedeelden uit de geschiedenis en laten de successen de mindere kanten overschaduwen. Maar de rol van het museum verandert. Van verzamelingen werden het kennisinstituten, en van kennisinstituten worden het nu ook plekken van reflectie en debat. Het museum wordt democratischer. Daar ziet Imara Limon haar rol.

Haar eerste tentoonstelling was in 2016, Zwart in Amsterdam in het Amsterdam Museum, als gastconservator. Inwoners van de stad kozen daarin zwarte rolmodellen van ooms en moeders tot voetballers en verzetshelden. 'Ik merkte al gauw dat er een vraag onder lag: wie bepaalt wie rolmodellen zijn, wat is het instituut?' Om impact te hebben, moeten deze mensen een permanente plek in het museum krijgen.

Meerstemmigheid

Even over diversiteit: daar gaat het dus niet om, zegt Limon. Diversiteit is hip, en als je niet oppast gaan veranderingen daardoor juist langzamer. Dan is het even een projectje en weer door zoals het was: 'Pas als diversiteit een gegeven is, kun je een verschil maken.'

Het Amsterdam Museum bood haar een contract. Het heeft een lange traditie van wat 'meerstemmigheid' wordt genoemd. Ze maakten er tentoonstellingen over armoede in de 17de eeuw, over transgenders, over huisvrouwen, ze verzamelen er kunst van zwarte kunstenaars. Om dat goed te doen, moeten ook de museumprofessionals verschillen in achtergrond en aard, vindt Limon. 'Er gebeurt al veel in musea maar ik denk dat het nog wel wat sneller kan. Het is allemaal niet zo moeilijk hoor.'

Gouden Kooi

Ze ontwikkelde het programma New Narratives, rondleidingen door mensen met verschillende achtergronden om licht te schijnen op de collectie. Een theaterregisseur, een Vice-journaliste, een dichter, een rapper. Het levert geëngageerde discussies op. Zoals een rondleiding van artiest Christelle, die zich 'totaal niet herkende' in de presentaties. Op de muur bij een fictief portret van een zwarte vrouw uit de 18de eeuw, stond de vraag 'Slaaf of tot slaaf gemaakte?' Christelle nam er aanstoot aan, zegt Limon: 'Voor haar was het een uitgemaakte zaak: iemand is onvrijwillig door een ander slaaf gemaakt. Ik dacht enerzijds, je kunt het dus nooit voor iedereen goed doen, maar ik vond het ook goed dat ze dit deelde.'

Het toont ook dat het museum nog altijd wordt gezien als een instituut dat vertelt hoe het zit, zegt Limon. Dat moet anders. Neem de taalkwestie: het Rijksmuseum paste in 2016 de zaalteksten aan. Verouderde woorden als neger, indiaan en eskimo werden vervangen. Maar veel meer dan een soort banvloek op woorden te leggen, zegt Limon, moet er gepraat worden mét mensen over wie het gaat. 'Als een instituut zegt: we hebben erover nagedacht, dan denk ik alleen: wie is 'we'? Kunnen we even terug naar de tekentafel en kijken wie daaraan zat? Wat ik heb gemist in het Rijksmuseum is een publiek debat over deze kwestie.' Als het woord neger in de oorspronkelijke titel stond, en je kunt het uitleggen, dan ga je het met politiek correct verbieden niet redden: 'Het gaat vaak om context. Als we dat nu begrijpen, dan kan dat ook over het verleden. Daar zijn niet zo veel woorden voor nodig, hoor.'

Over het maatschappelijke effect van haar werk is ze relativerend: 'Kunst en cultuur zijn lang niet de enige zaken die mensen kunnen verbinden. Maar ze helpen perspectieven aan het licht te brengen. Objecten brengen de geschiedenis dichtbij.' Om terug te komen op die beelden in de Verenigde Staten: die hoeven niet weg. 'Maar ik ben ook niet tegen mensen die ze verwijderen. Als burgers protesteren, vind ik het wel weer interessant.' Glimlachend: 'Ik ben pas tevreden als musea iets doen met wat er gebeurt in de samenleving en met hun eigen geschiedenis. En daar duurzaam op inzetten.'

Kevin Heller (40) let als uitsmijter op seksisme en homofobie

Dit gebeurde 24 jaar geleden tijdens een schoolreisje naar Antwerpen: hij was met zijn klas in een of andere vage karaokebar beland. Iedereen was uitgelaten, de sfeer zat er met volle overtuiging in. Maar opeens miste hij haar. 'Ik voelde gewoon dat er iets mis was.'

Hij rende naar buiten, in de richting van hun hotel, en vond haar in een portiek. Flinke jaap in beide polsen. Met hand- en theedoeken uit een nabijgelegen restaurant bood hij eerste hulp. Naderhand bleek seksueel geweld een belangrijke rol te hebben gespeeld bij haar wanhoopsdaad. 'En dat maakte zo'n enorme indruk op mij. Dat je zover kunt gaan in je verdriet.'

Kevin Heller werkt in het uitgaansleven als uitsmijter, al ruilt hij dat belegen woord zelf liever in voor sfeerbeheerder. Zijn werkzaamheden reiken verder dan het weren of verwijderen van lastposten. De V op zijn jasje staat niet alleen voor een veilig, maar ook voor een ontspannen uitgaansklimaat: zowel voor hetero's als voor homo's, voor witten en gekleurden, zowel voor mannen als voor vrouwen.

Kevin Heller. Foto Jiri Buller / Beeldbewerking: JeRoen Murre

Macho/feminist

Toen hij een paar jaar geleden op Facebook zijn ergernis uitte over seksisme in nachtelijk Amsterdam werd Kevin Heller benaderd door Vileine, een online platform voor jonge feministen. In een van zijn columns greep hij terug naar die onthutsende gebeurtenis in Antwerpen. Het was zijn eerste besef van de hindernissen en de beperkingen waarmee vrouwen kampen. 'Ik voelde me niet op mijn gemak in mijn jongenslijf.'

Dat lijf is inmiddels een lichaam geworden, en wat voor één. We zitten in een café in Amsterdam-Noord, niet ver van zijn huis, met uitzicht op het schuimende IJ. Naast hem ligt een boek over vechtkunstenaar Bruce Lee waarin hij zich straks weer gaat verdiepen. 'Over die man en zijn filosofie wil ik alles weten.'

Na een jaar waarin vrouwen woorden tekort kwamen om de reikwijdte van een hashtag te schetsen, slaat een 40-jarige spierbundel in een zwarte kabeltrui een brug tussen de seksen. Om zijn monumentale omvang wordt Kevin Heller snel een macho genoemd. In zijn opvattingen is hij veeleer een feminist. Zelf moet hij niets hebben van zulke etiketten. Maar goed. 'Ik vind het allemaal best, zolang de boodschap overkomt.'

Gevoelskwestie

Kevin Heller studeerde in Utrecht, eerst journalistiek en daarna internationale betrekkingen. Hij strandde voortijdig. Te eigenwijs, te ongedurig. 'Ik kon er niks mee vanuit mijn persoonlijkheid. Ik ben vechtsporter sinds mijn 12de. Je moet mij niet achter een bureau zetten. Ik moet bewegen.' Al tien jaar beheert Heller sferen waarin het met de seksen alle kanten kan opvliegen, dus ook de verkeerde.

Zijn pleidooi voor een samenleving waarin iedereen in zijn of haar waarde wordt gelaten, komt voort uit oprechte verbazing. 'Ik wil er helemaal geen intellectuele discussie van maken. Het is voor mij puur een gevoelskwestie. Ik snap gewoon niet dat je superioriteit kunt ontlenen aan je sekse of geaardheid.'

Thuis in Eindhoven hadden ze een buurman die met zijn leren outfit geen geheim maakte van zijn seksuele voorkeur. Spot en hoon waren zijn deel. 'Terwijl het een superaardige kerel was.'

Huisregels

Verbazing werd weerzin. Als vechtsportinstructeur hoorde Kevin Heller de verhalen van vrouwen voor wie vechtsport lijfsbehoud was. Hij las de statistieken over seksueel geweld en stapelde daar zijn ervaringen uit het nachtleven bovenop. Voorbeeldje: mannen staan bij hem te bedelen om naar binnen te mogen. Ze bluffen over de lekkere wijven die ze bij zich hebben. 'En dat blijken dus gewoon collega's van het werk te zijn, die niet eens in de gaten hebben dat ze als handelswaar worden gebruikt.' Als iets hem tegen de borst stuit, is het de vanzelfsprekendheid waarmee dat soort dingen gebeurt. En het gemak waarmee het achteraf wordt goedgepraat.

Met zijn collega's van 't Kollektief, een Amsterdams beveiligingsbedrijf, probeert Heller het goede voorbeeld te geven. Masculiene overmoed, uitvergroot door drank of drugs, laat zich best temmen door een verstandig woord van een uit de kluiten gewassen seksegenoot. 'Heel vaak is het dan sorry, we zullen er rekening mee houden. De sfeer wordt alleen maar grimmiger wanneer wij ons opstellen als een soort kampbewaarder.'

In overleg met de clubs worden huisregels opgesteld. 'Handig om naar te verwijzen als iemand lastig doet. Voor iedereen is op die manier duidelijk dat seksisme en homofobie niet worden geaccepteerd.'

Pikkenstrijd

Hellers beveiliging gaat verder dan de uitgang. 'Als een meisje wordt meegetroond door een of andere eikel houd ik haar eerst even tegen. Hoeveel heeft ze gedronken? Is het wel veilig? Komt er geen bevredigend antwoord, dan blijft ze even binnen. Eerst maar even een cola drinken en daarna zien of ze nog steeds met die kerel mee wil.'

Bij 't Kollektief werken bijna net zoveel vrouwen als mannen. Dat scheelt. 'Met vervelende mannen beland je al gauw in een soort pikkenstrijd. Als dat er niet in zit, druipen ze vaak af.' Ook elders wint de vrouw terrein. 'Met vrouwelijke dj's en vrouwelijke programmeurs krijg je een compleet andere sfeer.' Ook dat scheelt.

'Er wordt vaak gezeurd over de millennials, maar ik ben blij met ze. Diversiteit spreekt voor die generatie veel meer vanzelf. Oudere generaties zijn bepaald gedrag van mannen als onvermijdelijk gaan zien. Maar dat hoeft het niet te zijn.'

Duidelijke afspraken

Gescheiden werelden vinden elkaar in de nachtelijke uurtjes. 'Vroeger had je exclusieve avonden voor homoseksueel publiek. Nu is het vaak gay minded, straight friendly. Alles loopt meer door elkaar met dezelfde behoefte: lekker plezier hebben.'

Uitgaan verliest zo veel van zijn seksuele lading met alle bijbehorende frustraties. Relaties worden gesmeed op internet. De dansvloer is niet langer voorbehouden aan stelletjes. 'Als de rookmachine aangaat, is het ieder voor zich en de muziek voor iedereen.' Hoe kijkt Kevin Heller dan terug op 2017, op al die openbaringen van masculien ploertengedrag? 'Ik zie het meer als de afrekening met een generatie die beweert niet beter te weten, maar dat natuurlijk wel wist. Anders was het allemaal niet stiekem gebeurd.'

Goed dat het aan de kaak wordt gesteld. 'Ik hoop dat het doorzet naar een constructieve dialoog. Wat doen we met macht en machtsposities? Er moeten duidelijke afspraken komen op de werkvloer. Niet meer als mannelijke manager apart afspreken met een werkneemster in je werkkamertje en de luxaflexen dicht.'

Stapje voor stapje

Dat moet de discussie ook breder trekken, weg van Hollywood en in het oog springende beroepsgroepen. 'Dit gaat ook over de Lidl of over Philips. Dit gaat over chefs die achter een werkneemster gaan staan en haar ongevraagd een nekmassage geven. Misschien moet het ook wel verder gaan dan sociaal bewustzijn. Misschien vereist dit wel wetgeving.'

Toch is Kevin Heller, op grond van eigen ervaringen in het Amsterdamse nachtleven, optimistisch. 'Vijf jaar geleden waren vrouwelijke dj's als headliner ondenkbaar. Daardoor krijg je zo'n andere sfeer.'

Soms moet er iets worden losgewrikt, zoals nu met #MeToo, maar uiteindelijk gaan maatschappelijke ontwikkelingen stapje voor stapje.' Wie weet verdwijnt de masculiene ploert op die manier ook uit de clubs. 'Dat we over vijf jaar zeggen: gingen we vroeger op die manier uit?'


Madelon Bino (57) brengt Joodse en niet-Joodse buren bij elkaar

Om de synagoge van de Liberaal Joodse Gemeente (LJG) in Amsterdam-Zuid staat een hek. Na aanbellen opent zich dat en daarna zijn er nog twee deuren te gaan om het gebouw binnen te komen. 'Triest, maar het kan niet anders', zegt directeur en pastoraal werker Madelon Bino-Meijers (57). 'Er hoeft maar één geradicaliseerde gek te zijn die iets tegen Joden heeft en ...' Bino maakt haar zin niet af. De veiligheidsmaatregelen zijn nodig, verder houdt ze zich er niet mee bezig. Liever steekt ze haar hand over het hek. Onder haar leiding zijn er in de synagoge volop ontmoetingen tussen Joden en niet-Joden. 'Je kijkt elkaar in de ogen en leert elkaar kennen. Iets abstracts wordt iets persoonlijks. Het is de enige manier om de angst voor elkaar weg te nemen', zegt ze.

Voor het grootste project in deze geest, Leer je buren kennen, kreeg de LJG de Brouwer Prijs voor Wetenschap en Samenleving. Volgens de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, die de prijs uitreikt, bevordert de LJG het onderling vertrouwen in de samenleving 'door mensen bij elkaar te brengen die anders niet bij elkaar zouden zijn gekomen'. Leer je buren kennen is een idee van Madelon Bino. In 2010 zag ze hoe de nieuwe synagoge in Amsterdam-Zuid verrees: een kolossaal gebouw, met dus dat hek, naast het ROC van Amsterdam met tweeduizend leerlingen. Bij de oude synagoge verderop waren incidenten geweest met roepende en stenengooiende jongeren, zo gek was dat hek niet. Maar ze dacht ook: 'Het is niet de oplossing.'

Madelon Bino. Foto Jiri Buller / Beeldbewerking: JeRoen Murre

Muren

Ruim twaalfduizend leerlingen volgden een programma dat ze met het ROC bedacht. Klassen bezoeken de synagoge en praten met Joodse docenten over hun vooroordelen, verschillen en overeenkomsten. Ook in Utrecht en Enschede draait het project en Bino bekijkt hoe het kan worden uitgebreid naar andere steden en naar groepen als basisschoolleerlingen, politieagenten en hooligans.

Naast 'Leer je buren kennen' heeft de LJG andere projecten om het contact met de buitenwereld te bevorderen. Een Dialoogcommissie organiseert bijeenkomsten met niet-Joodse groepen. Met joods Pasen wordt jaarlijks met niet-Joden gesproken over de betekenis van vrijheid. Verder zijn er veel contacten met de Al Kabir Moskee in Amsterdam en zijn er bezoeken afgelegd aan de vluchtelingenopvang in de Havenstraat.

Het gebeurt met de grootst mogelijke instemming van Madelon Bino, maar op de vraag waarom valt een stilte. Waarom is ze zo druk met de wereld aan de andere kant van het hek? Bino zit in haar eenvoudige kantoor een verdieping boven de synagoge en denkt na. Het is voor haar zo logisch. 'Ik denk dat het voor ons de enige manier is om in deze maatschappij goed te kunnen leven. Je kunt je niet achter dikke muren verschuilen. Muren bevorderen een wij-zij-houding.'

Samenleven

Maar wat voor haar logisch is, hoeft het voor anderen niet te zijn. Elfhonderd families zijn lid van de LJG in Amsterdam en zij denken niet allemaal zoals Bino. Sommige gemeenteleden zien in moslims een gevaar en zeggen: 'Ga niet met ze om.' Ze voeren er onderling debatten over, waarbij Bino uitlegt dat ze geen softe 'theedrinker' is, maar 'pragmatisch'. Joden vormen in Nederland met ongeveer veertigduizend een kleine groep. 'Met al die andere minderheidsgroepen móéten we samenleven. We moeten elkaar accepteren.'

Ze begint over het interviewproject van de USC Shoah Foundation in Los Angeles in de jaren negentig, dat veel voor haar betekende. Tienduizenden getuigenissen van Holocaustoverlevenden werden op film vastgelegd. Bino hielp mee: rond haar woonplaats Wageningen interviewde ze 25 mensen. 'Dat was zo bijzonder.' Al haar geïnterviewden hadden nooit veel over de oorlog gepraat, al helemaal niet met hun kinderen. Ze wilden niemand belasten, ze wilden na de oorlog dóór. Nu spraken ze zich voor het eerst uit en vaak gaven ze na afloop de opnamen aan hun kinderen: 'Kijk, dit is mijn verhaal. Nu begrijpen jullie mij misschien.'

Geen slachtoffer

Ook Bino's ouders lieten over de oorlog alleen flarden los. Ze wist dat haar beide grootvaders in de eerste oorlogsjaren waren weggevoerd en vermoord in kampen. Haar beide grootmoeders waren de oorlog als onderduikers doorgekomen, met haar ouders als kleine kinderen. Nooit hoorde ze het hele verhaal.

Bino werd geboren in Badhoevedorp en groeide op zoals de meeste kinderen van Holocaust-overlevenden: 'We hadden een kleine familie, waarin veel angsten leefden en vooral het gevoel dat je nooit veilig was, dat het altijd weer kon gebeuren. Als kind wilde je dat compenseren. Dat lukte nooit helemaal.' Met nadruk: 'Ik voelde me geen slachtoffer hoor, ik wist als kind niet beter.'

Ze werd verpleegkundige, daarna maatschappelijk werker en manager in de zorg, tot het interviewproject met Holocaustoverlevenden alles veranderde. Aan haar gesprekspartners vroeg ze wat ze haar eigen ouders nooit had gevraagd en ook niet meer zou vragen. Het maakte zoveel indruk dat ze besloot zich in te zetten voor de groei van de Joodse gemeenschap. In 2005 werd ze pastoraal werker bij de LJG. In 2008 kwam het directeurschap erbij. 'Een grote omslag voor mij, maar ik volgde mijn hart.'

Positieve verhalen

Vanwaar het belang dat ze hecht aan projecten als Leer je buren kennen? 'Ik voel mij snel verantwoordelijk voor de medemens. Wat ik doe, zal de wereld niet veranderen, maar ik wil mijn hele kleine bijdrage leveren. Wat er is gebeurd, mag nooit weer gebeuren. Ik ben strijdbaar. Ik neem mijn lot in eigen hand.'

Ja, antisemitisme en anti-Israëlgevoelens baren haar zorgen, ook weer na Trumps Jeruzalembesluit. Maar Leer je buren kennen stemt haar optimistisch. De leerlingen die de meeste moeite hebben de synagoge binnen te gaan - moslims - gaan doorgaans het meest enthousiast naar buiten. Ze ontdekken hoeveel overeenkomsten er zijn met wat ze kennen: besnijdenis, de rituele slacht, de armoede waarin veel Joden vroeger leefden, discriminatie. Sommigen roepen: 'We wisten niet dat Joden zo leuk waren.'

Omgekeerd leerde Bino hoeveel ze gemeen heeft met mensen met een moslimachtergrond: de gastvrijheid, het familieleven, de zorg voor elkaar. 'De meesten willen niets anders dan in vrede leven. Maar er is zoveel negativiteit over en weer, en de sociale media versterken de vooroordelen. Het is niet de oplossing. Het dehumaniseert. Echt, er zijn zoveel positieve verhalen te vertellen. Van de meeste mensen die hier komen denk ik: hé, met die kan ik prima verder.'


Gatra Peshtaz (31) helpt vluchtelingen aan onbetaald of betaald werk

Werkgevers die in hun bedrijf iets met vluchtelingen willen, stellen Gatra Peshtaz (31) soms een heleboel vragen. Kan ik die mensen wel of niet een hand geven? Moet ik een apart tostiapparaat aanschaffen voor tosti's zonder ham? Een grote Nederlandse supermarktketen wilde wel met vluchtelingen in zee, maar dan moest er extra personeel komen om ze in de gaten te houden.

Gatra Peshtaz bemiddelt namens VluchtelingenWerk Nederland tussen werkgevers en vluchtelingen met een verblijfsvergunning (oftewel statushouders). Over haar functie later meer, maar eerst dit: ze snapt niet dat veel Nederlanders zo ingewikkeld doen over vluchtelingen. 'We denken te veel in hokjes, we zitten te veel in angst. We doen alsof vluchtelingen aliens zijn. Ik zeg altijd: jongens, het zijn net mensen.'

Peshtaz ondervond het aan den lijve. Op haar 13de kwam ze vanuit Afghanistan in Nederland, waar ze werd aangemerkt als analfabeet. Eén ding wist ze zeker: zij zou de universiteit bereiken. Wat was de reactie van een leraar? 'Je mag blij zijn als je mbo2-niveau haalt.' Wat zei iemand anders? 'Zo gemakkelijk is dat niet hoor. Mijn dochter gaat ook niet naar de universiteit.'

Gatra Peshtaz. Foto Jiri Buller / Beeldbewerking: JeRoen Murre

Niet anders

In 2013 studeerde ze als cultureel antropoloog af aan de Universiteit Utrecht. Twee jaar later solliciteerde ze bij VluchtelingenWerk op haar huidige functie. Ze werd coördinator voor Midden-Nederland bij een project dat vluchtelingen aan onbetaald of betaald werk helpt. Vluchtelingen Investeren in Participeren (VIP) heet het. Peshtaz werd gekozen uit driehonderd sollicitanten.

Welkom in de belevingswereld van iemand die tot de dag van vandaag in Nederland 'vluchteling' wordt genoemd. Toen ze eens haar verhaal kwam vertellen op een basisschool vroeg een leerling aan de docent met wie ze stond te praten: 'Juf, juf, wanneer komt die vluchteling nou?' Volwassenen zeggen het zo: 'Maar jij bent anders dan al die anderen.'

Ze is niet anders dan al die anderen, niemand is dat. Dat is in het kort de boodschap die Gatra Peshtaz uitdraagt in haar werk en met succes. Ze schat dat de afgelopen twee jaar in haar regio zo'n honderd vluchtelingen aan het VIP-project hebben meegedaan, wat heel vaak uitmondde in betaald werk. 'Het gaat goed', zegt ze lachend, terwijl ze haar woorden afklopt op de houten tafel van een café in haar woonplaats Amersfoort.

'Realitycheck'

Ze past een methode toe waarbij ze werkzoekende vluchtelingen even intensief begeleidt als andere werkzoekenden. Dat begint bij het vinden van geïnteresseerde werkgevers. Hoe ze het doet? Tijdens het eerste gesprek begint ze over zichzelf, over hoe leergierig ze was. Zo is het met de meeste vluchtelingen, benadrukt ze, maar niet veel Nederlanders weten dat. Bij vluchtelingen denken ze aan een verdronken jongetje op een strand, aan zieligheid, aan anders zijn. 'Nooit denken ze aan Einstein of Steve Jobs.'

Vervolgens vraagt ze de werkgevers niet om een gunst, ze spiegelt ze de voordelen van buitenlandse werknemers voor. De onderneming wordt intercultureler, er worden meerdere talen gesproken. Hoe mooi is dat? Ze vraagt: 'Wat voor mensen zoek je? Van wie word je blij?' Dan noemt ze de naam van een vluchteling. 'Deze persoon heeft misschien een beetje begeleiding nodig, maar dan heb je wel degene die je wilt', zegt ze.

Ze wordt bijgestaan door vijftien tot twintig vrijwillige jobcoaches, die de statushouders intensief bevragen, zodat een goede match met een bedrijf kan ontstaan. Oké, iemand is tandarts of automonteur, hield dat in het land van herkomst hetzelfde in als in Nederland? De 'realitycheck' noemt ze dat. Daarna komt er een kennismaking met het bedrijf, er volgt een meeloopdag en tot slot gaat de statushouder aan het werk. Is het onbetaald, dan zegt de werkgever vaak na verloop van tijd: 'Ik moet je maar eens betalen.'

Maatwerk

En wat is er dan zo anders gegaan dan bij andere arbeidsprojecten voor vluchtelingen? Heel simpel, zegt Peshtaz: 'Ik lever maatwerk. Mensen zijn niet lukraak ergens geplaatst. Er is veel tijd gestopt in het voortraject, er is veel gepraat. Ik ben erg van de ontmoetingen.'

Het verbaast haar dat veel Nederlanders van alles over vluchtelingen beweren - ze haten het Westen, ze hebben niet onze intellectuele ontwikkeling, ze integreren niet -, maar nog nooit een vluchteling hebben ontmoet. Laatst zei een werkgever tegen haar: 'Sorry, mijn bedrijf is niet klaar voor een Mohammed.' Ze antwoordde: 'Probeer het eens! Ontmoet een vluchteling!' Hij had geen interesse.

Terwijl: 'Integreren betekent tussen de Nederlanders zijn. Wanneer ga je je als vluchteling identificeren met Nederland? Als je Nederlanders ontmoet. Als je werkt tussen Nederlanders leer je dat de directeur zijn eigen boterhammen meeneemt naar kantoor, dat je nooit alleen voor jezelf koffie haalt en dat fluisteren onbeleefd is. Dat leer je niet uit een inburgeringsboek.' Ander belangrijk effect: Nederlanders leren vluchtelingen kennen. Ze horen hun verhalen.

Dit is het verhaal van Peshtaz. Ze was niet volledig analfabeet, ze kon wat lezen en schrijven, in het Russisch. Ze groeide op in Rusland, waar haar ouders allebei geschiedenis en filosofie studeerden. In 1992 keerden ze terug naar bakermat Afghanistan, waar de Taliban aan invloed wonnen en mensen als haar ouders bestempelden als 'verraders'. Haar ouders waren communisten en ze waren tegen de allesoverheersende invloed van de fundamentele islam.

Het werd steeds gevaarlijker. Peshtaz en haar zus konden niet naar school en steeds meer vrienden van haar ouders werden vermoord. 'We woonden in een prachtig huis in Kabul, maar het was een gouden kooi', zegt ze. In 1998 vluchtte het gezin met het vliegtuig naar Nederland, waar het een jaar later een huis betrok in Nijkerk, hartje bijbelgordel. Op zondag maakten haar ouders het huis schoon, maar al gauw kwam iemand vertellen dat dat in Nijkerk niet de bedoeling was. Nooit hebben haar ouders nog één stofdoek op de heilige dag aangeraakt.

Toen haar vader werk zocht, kreeg hij te horen van een arbeidsconsulent: 'We hebben geen historici en filosofen nodig, maar er is wel een tekort aan buschauffeurs.' Haar vader weigerde. Nu werkt hij vanuit Nijkerk voor een Afghaans radiostation en schrijft hij columns in het Dari, zijn moedertaal. Zijn dochter Gatra schopte het tot de universiteit. 'Wat is je geheim?', vragen mensen haar soms. Dan zegt ze: 'Ik heb geen geheim. Het enige wat ik heb gedaan, is mijn hart volgen en in mezelf geloven.'

Nu houdt ze dat haar vluchtelingen voor. 'Jij bent de schrijver van je eigen boek', zegt ze vaak. En ze denkt erbij: 'Wat zou het mooi zijn als meer Nederlanders deze mensen aanmoedigden. Wereldwijd komen er steeds meer vluchtelingen, daar kunnen we niet omheen. We moeten elkaar zien te bereiken.'


Clara en Sjaak Sies begonnen de voedselbanken en koken nu voor armen

Het is alweer tien jaar geleden, herinnert Clara Sies zich, 2006 om precies te zijn, dat PvdA-leider Wouter Bos voor de microfoon verklaarde dat die voedselbanken in Nederland binnen een paar jaar tot het verleden zouden behoren.

In dat jaar waren ze even een politiek item - er waren gemeenteraadsverkiezingen. Minister Aart Jan de Geus van Sociale Zaken stelde zelfs een commissie in om te onderzoeken wie eigenlijk die mensen waren die gebruikmaakten van de voedselpakketten. 'Ze dachten: dat zijn allochtonen en illegalen', zegt Sjaak Sies. '70 procent was autochtoon.'

Nee, de politiek, daar moet het niet van komen. Ze hebben eens een 'informeel kennismakingsgesprek' gevoerd met minister De Geus, zijn twee keer bij Jetta Klijnsma op het departement geweest. En één keer werden bloemen bezorgd van Hans Spekman toen ze een prijs hadden gewonnen. Maar daarna hoor je niks meer.

Clara Sies. Foto Jiri Buller / Beeldbewerking: JeRoen Murre

Naastenliefde

Inmiddels telt Nederland 166 voedselbanken en leven er volgens het CBS meer dan een miljoen inwoners onder de armoedegrens. Terwijl de rijkdom zogezegd zo welig tiert. En het mag dan beter gaan met de economie, de minima krijgen 'minder meer' dan de hogere inkomens een paar euro bij hun AOW, hoogstens. De kloof wordt zo alsmaar groter. De armen, zeggen Clara en Sjaak Sies uit Rotterdam, zijn allang geen ongeschoolden in de bijstand meer, of mensen die zelfs geen uitkering hebben. Ze zien zzp'ers, en mensen die door restschulden na verkoop van hun huis in grote problemen zitten.

Zelf rooien ze het met een kaal AOW'tje: ook geen vetpot. Maar de vijf kinderen zijn de deur uit. 'En de zesde ook', zegt zij, 'want zo zien wij het.' De zesde is de voedselbank, waar zij in 2002 als eersten in Nederland mee begonnen. Nu is het allemaal te groot geworden, ze heten Vereniging Voedselbanken Nederland, hebben statuten, veel bureaucratie, aan de doelgroep zelf kom je niet meer toe. Sjaak is erevoorzitter voor het leven, en ze zouden contact houden, maar niks meer van vernomen natuurlijk.

Sjaak en Clara als bruggenbouwers? Ze doen wat ze doen uit naastenliefde, zijn christen, maar niet verbonden aan een kerk. Ze bouwen brug-ge-tjes, rechtstreeks naar de mensen toe. Mensen die hen nodig hebben, alleenstaande moeders, grote gezinnen waar politici over praten, maar weinig mee doen. 'Ze weten niet wat armoede is', zegt Clara. 'Het is een doelgroep die niet interessant voor ze is.'

Sjaak Sies. Foto Jiri Buller / Beeldbewerking: JeRoen Murre

'Plus voor Min'

Sjaak en Clara hebben zelf diep in de ellende gezeten. Ze runden tussen Charlois en Bloemhof een kleding- annex sieradenwinkel, tot het in 1986 misging. De schulden waren te hoog opgelopen. Clara: 'De winkel lag in een stadsvernieuwingsgebied. We konden kiezen uit ofwel een verhuis- of een renovatiepremie, ofwel een bedrijfsbeëindigingsuitkering. We hebben voor het laatste gekozen, zodat we tenminste eenderde van onze schuld konden aflossen.'

De familie had drie jaar lang geen inkomen. Vanwege hun reservepotje kregen ze geen uitkering, terwijl dat geld nodig was om schulden te saneren. 'We liepen onverzekerd rond en mogen God op de blote knietjes danken dat er geen gekke dingen zijn gebeurd.'

In 1991 waren ze schuldenvrij. Clara: 'We waren zo vrolijk, dat er een vijfde kind bij kwam.' Ze meldden zich bij het CWI, toen nog het arbeidsbureau. 'Ze zeiden: ga maar vrijwilligerswerk doen, want jullie zijn oud en hebben geen diploma's.' Ze riepen de stichting 'Plus voor Min' in het leven: ze zamelden eerst meubels en later voedsel in. Want wie teert op gemeenschapsgeld moet daar iets voor terugdoen, vinden ze.

Antenne

'Voor armoede ontwikkel je een antenne', zegt zij. 'Je herkent de mensen. Want zo zichtbaar is het niet, het speelt zich af achter de voordeur en gaat vaak gepaard met eenzaamheid en schaamte. Moeders die per week 40euro hebben, die raken in een isolement.'

Sjaak leverde voedsel af in zijn oude VW-bus. 'Dertig klantjes hadden we. Daar ging ik langs met groente, brood en soms wat gebak dat over was bij de bakker. Dan kom je in woningen waar een blind paard geen schade kan aanrichten.'

Clara: 'Toen hoorden we: wat jullie doen bestaat in het buitenland als voedselbank. We zijn in België wezen kijken en waren dolenthousiast. In 2002 bouwden we Plus voor Min om. We werkten vanuit een tuinkwekerskas in Berkel en Rodenrijs. Sjaak reed heen en weer.'

Bezuinigingen

Het was ook een komen en gaan van journalisten. Sjaak had er elke week wel een mee in zijn kielzog. Dat rijke Nederland met een voedselbank, dat was nieuws tot in Australië. Sjaak: 'De PvdA was aan de macht. Ze stonden voor schut, want hun armoedebeleid was niet toereikend. Wouter Bos ging de banken redden. Maar wij waren de enige bank die niet omviel.' Door de 166 voedselbanken is de armoede bespreekbaar geworden. Zelf hebben ze iets nieuws bedacht: ze runnen de 'Gaarkeuken van Rotterdam', geopend op de eerste lentedag van 2017, opererend vanuit de keuken van een Humanitas-tehuis in Rotterdam-Zuid.

Sjaak: 'Bij de voedselbank kun je maar drie jaar terecht en je hoeft maar een euro te veel binnen te krijgen of je wordt geweigerd. Ik hoorde dat er keukens van tehuizen worden gesloten.' Clara: 'Er wordt bezuinigd, bewoners krijgen drievaksdiepvriesmaaltijden.' Sjaak: 'Er staan in heel Nederland zeker honderden van die keukens ongebruikt.'

Gemeenschap

Clara: 'Vier avonden per week koken we voor bewoners, moeders met kinderen uit de wijk, alleenstaanden. Steeds zo'n vijftig tot zestig man. Sommigen betalen, anderen niet, we spelen net quitte. Laatst nodigde een moeder een tafelgenoot uit voor het kerstspel van haar zoon, iemand anders neemt wat snoep mee voor kinderen: het wordt een gemeenschap.' Het rijke deel der natie zou zich weleens wat meer kunnen bekommeren om de armoede. En die verschrikkelijk bureaucratie, daar moet wat aan gedaan worden. Mensen met schulden zakken door regeltjes en oplopende rentes steeds dieper in het moeras. Clara: 'Als iedereen omkijkt naar één ander buiten het eigen gezin, zijn we in dit land een end verder.'

Sjaak: 'Wij hebben dan misschien geen financiële genoegdoening, maar we ontmoeten heel veel dankbaarheid en dat geeft net zo'n goed gevoel.' Laatst kwam hij wethouder Maarten Struijvenberg van Leefbaar Rotterdam tegen. 'Zegt-ie: heb je nog wat nodig, Sies? Ja, zei ik: een koelwagen. Nou, die staat inmiddels hier voor de deur.'

Meer over