Hier legt het sterfelijk deel eens grijsaards

Het is net een oud kerkje dat ontdaan is van dak en pilaren. Als vloerplavuizen dienen grafstenen, die teruggaan tot de achttiende eeuw....

IN HET natte gras ligt een gevallen engeltje. Het gebroken linkervleugeltje heeft een verse voor in de grond getrokken. De breuk lijkt definitief.

Onwillekeurig kijk ik omhoog.

Drie meeuwen klapwieken voorbij door de wintergrijze lucht.

Met tergende regelmaat loost een hardblauwe regenton vrijwel geruisloos haar overtollige water. De stilte is even beklemmend als aangenaam. Net als de leegte.

Toch is dit het hart van Scheveningen. Een duintop die hemelsbreed pakweg vijfhonderd meter van de Noordzee-branding ligt. Die een meter of vijftien, misschien twintig uitsteekt boven het onophoudelijke verkeer van de Prins Willemstraat en de Duinstraat. Die begin vorige eeuw nog vrij uitzag op de duinrand en de Oude Kerk, en daar nu de grootste moeite mee heeft.

Het was een duintop waarop het schrijverspaar Betje Wolff en Aagje Deken graag mocht vertoeven nadat het in 1797 berooid uit Frankrijk was teruggekeerd. Misschien schuifelden ze op dezelfde wat onhandige manier over de grafstenen als ik. Zij vanwege hun leeftijd, ik vanwege leren zolen en glibberig mos.

Ter Navolging heet de begraafplaats op deze duintop, en zij is van 1778 en lijkt in niets op een traditioneel kerkhof. Wanneer ik de grijze Louis Seize-poort passeer, stap ik pardoes een oud kerkje binnen dat ontdaan is van dak en pilaren.

Tegen de honderd stokoude, oude en nieuwe grafstenen bedekken als reusachtige plavuizen de vloer. De kleuren variëren van mosgroen tot modderzwart en verraden vaak een ongelijke strijd tegen zilte wind en zure regen. Opschriften zijn door de tijd weggevaagd, namen in het verleden achtergebleven, zerken door de natuur glad gepolijst.

Onder me weet ik bijna honderd grafkelders, met namen als Duymaer van Twist, Scheurleer, Mossel, Van Oldebarnevelt, Van Heerdt tot Eversberg, Suijck van Burmania Rengers.

Met berustende opschriften: 'Voor eeuwig gesloten' (79) of 'Voor altijd gesloten' (64).

Met bijbelcitaten: 'God is niet een God der dooden maar der leevenden' (27).

Met opendeurteksten: 'Gelijk het gras is ons kortstondig leven' (56).

Met afscheidsgroeten: 'Tot de jongste dag' (88).

Met één enkel woord: Rasch (45) of Holtius (60) of Saraber (64).

Of met een zin die zomaar abrupt tot stilstand komt: 'Ik heb U bij Uw naam geroepen. Gij zit mijn' (50).

Als een mini-altaar verheft zich tegen de achtermuur een witmarmeren monument voor de staatsman Guillaume Groen van Prinsterer en zijn echtgenote. 'Zalig zijn de dooden die in den Heer sterven. Hunne werken volgen met hen.' Het is een geschenk van de Christelijke Bond van Onderwijzers. Aan de kandelaars die ooit het marmer hebben verlicht, herinneren alleen nog twee boorgaten. Zijn grafsteen op nummer 17 is groen (!) uitgeslagen.

R MOEST een Zwitser aan te pas komen om Nederland de eerste begraafplaats búiten kerk, stad of dorp te bezorgen. In 1748 schreef Mr. Abraham Perrenot al een pamflet waarin hij ageerde tegen het onhygiënische van begraven binnen de bebouwde kom of nog erger: in een kerk. In 1775 volgde een tweede pamflet met nagenoeg dezelfde strekking.

Perrenot had inmiddels ontslag genomen als rentmeester van de Culemborgse Domeinen en de Burense Goederen en was naar Den Haag verhuisd waar hij was benoemd tot Nassaus Domeinraad. Samen met de huisarts Van der Hoop, schoonvader van Groen van Prinsterer, werd hij de drijvende kracht achter een bescheiden kerkhofje met de veelzeggende naam Ter Navolging in de Scheveningse Grafelijkheidsduinen, '415 roeden van het dorp'.

De toestemming kwam op 14 november 1777, de aanleg begon in het voorjaar van 1778. Veertien jaar later al werd het aantal grafkelders verdrievoudigd, van dertig naar honderdtwee. Vooral onder de progressieven bleek Ter Navolging een begeerde eindbestemming.

ie uitbreiding maakte Perrenot niet meer mee; hij overleed in 1784. In zijn zerk zit steenkanker. Sinds 1980 hangt daarom tegen de linker muur een marmeren steen waarop de voorbijganger in Latijn en Nederlands wordt toegesproken: 'Mijn rottende overblijfselen moeten verre van de stad liggen; daar ik levend vermeed iemand te benadelen wens ik zulks ook na mijn dood niet te doen.' Een betweter heeft met krijt in de Latijnse tekst correcties aangebracht.

De derde muursteen - meteen rechts na de ingang - is gewijd aan Betje Wolff en Aagje Deken. Als rechtgeaarde Verlichte Geesten lieten ze zich in 1804 op Ter Navolging begraven, maar binnen veertig jaar verdwenen ze anoniem in een massagraf. Vandaar als genoegdoening de gedenkplaat uit 1895.

Wat de Scheveningse begrafenisondernemer L. Jol sr. ('t Statenhuys) niet weet van dood en begraven, kan nauwelijks de moeite waard zijn. Ter Navolging is een beetje van hem. Hij was in 1979 een van de redders van een danig verwaarloosde begraafplaats, waarin decennia lang het klimop zijn gang kon gaan. Nu is er weer een wachtlijst want rechtgeaarde Scheveningers willen graag hartje stad liggen. Vijf, zes begrafenissen jaarlijks kan het kerkhof aan. Twee of drie in de kelders, de rest buiten de ommuring, in urnengrafjes voor vier personen.

Jol wijst tegen de buitenmuur op het teken van de dood: twee gekruiste zeisen met een groene, in zijn eigen staart bijtende slang. Hij maakt me attent op de zandlopers in het binnenhek, die gedragen worden door twee vogelvleugels, maar dat moeten eigenlijk een vogelvleugel en een vleermuisvlerk zijn. Symbolen van dag en nacht, wit en zwart, goed en kwaad.

IJ WIJST tegen de buitenmuur ook op de grafsteen van Pieter Anthoni baron de Huybert, 1693-1780, Zeeuwse adel, met 'Waakt Huybert' in plaats van 'Rust zacht', en met drie gekaakte haringen, de voorloper van het Schevenings wapen (drie ongekaakte haringen). 'Het moet een komische man zijn geweest; hij schreef operettes die nooit werden opgevoerd.'

Alleen zijn eigen graftekst overleefde de tijd: 'Hier legt het sterfelijk deel eens grijsaards wiens voyagie langdurig is geweest op d'aardsche pelgrimagie. Die doctors, chirurgijns tragte in dien togt t'ontvlien en in hun handen zig doch zelde heeft gezien.'

In de zomer zitten bejaarde Scheveningers op de witte bank (die dringend behoefte heeft aan een lik verf). De blik gericht op de zandstenen Antique Lijkbusch boven het binnenste hek. Misschien met in gedachten: 'Mijn oog zal op U zijn en bij U schuil ik.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden