Hier gebeurde het

Die lyrische beschrijvingen van landschappen kennen we nu wel, betoogt Fred de Vries. De reisschrijver kan beter focussen op sporen uit het verleden....

Hier in Rockey Street, in een verloederd deel van Johannesburg, vol dealers, zwerfvuil en Congolese bars, moet hij zo’n vijftien jaar geleden hebben rondgescharreld, toen de buurt nog werd bevolkt door blanke bohémiens. En daar, aan de overkant in Times Square Café, moet hij zijn dagelijkse kop koffie hebben gebietst van vrienden en bekenden, die langzaam maar zeker horendol werden van zijn verhalen over het Beat Hotel op Rue Gît-le-Coeur in Parijs, waar hij eind jaren vijftig kamers en opium deelde met toekomstige beroemdheden als William Burroughs, Allen Ginsberg en Gregory Corso.

Ik ken de Zuid-Afrikaanse beatdichter Sinclair Beiles (1930-2000) alleen van foto’s en verhalen, van gedichten en interviews. Ruim drie jaar geleden begon ik aan mijn speurtocht naar deze ‘vergeten beatnik’, de man die bewerkstelligde dat Burroughs’ Naked Lunch werd gepubliceerd, en die samen met Burroughs, Corso en Brion Gysin Minutes To Go schreef, het allereerste boek dat experimenteerde met cut-ups.

Ik ben hem nagereisd, naar zijn geboorteplaats Kampala, Oeganda, gewapend met een foto van wat vermoedelijk zijn ouderlijk huis was. Onvindbaar. Wel kwam ik zijn naam tegen in the Uganda Herald van 20 september 1933, waarin op de society pages werd vermeld hoe ‘Young master Sinclair Beiles’ met twintig vriendjes zijn derde verjaardag vierde.

In Parijs heb ik de cafés in Quartier Latin bezocht die Beiles frequenteerde, en was verrukt om Hotel Stella nog precies zo aan te treffen als het er tijdens zijn verblijf in 1970 uitgezien moet hebben. Op het Griekse eiland Hydra heb ik wijn gedronken in de voormalige Bill’s Bar, waar Beiles eind jaren zestig dagelijks rondhing met ontheemde kameraden als George Slater en Leonard Cohen, gedichten declamerend over vrouwen en liefde.

In Londen heb ik net als Beiles met mijn kraag omhoog door de natte straten van Hampstead gelopen, en probeerde ik me voor te stellen dat hij daar in een café in een zijstraat schaakte met Elias Canetti. In het goed verstopte Pentameter Theatre heb ik gesproken met de vrouw die daar stukken van hem liet opvoeren. En in een flat die uitkeek over herfstige kastanjebomen heb ik zijn psychiater uitgehoord over de manische depressiviteit waaraan Beiles leed. De typemachine waarop ze hem liet werken kon ze me niet meer laten zien; die had hij gestolen, waarna hij met de noorderzon was vertrokken.

Het leven van Beiles – rusteloos, kleurrijk en mythisch – leent zich perfect voor de vorm van reisliteratuur die het genre uit het slop kan halen: volg het spoor, volg de voetsporen. Weg van de lyrische beschrijvingen van plekken en landschappen, die je al genoeg aantreft in de ruim honderd Loney Planet-gidsen en op de ontelbare internetsites waarop iedereen zich reisexpert waant.

Aangezien alles is ontdekt en beschreven, moeten reisschrijvers iets hogers nastreven, waarin we waarneming en geschiedenis vervlechten met eigen inzichten en ervaringen. We moeten teksten componeren waarin heden en verleden elkaar ongemerkt bevruchten. Schrijvende reizigers hebben de mogelijkheid alles diepte en mythologische eigenschappen te geven: steden, landschappen, mensen en gebeurtenissen. Van Herodotos via de Bijbel en Waterloo naar ‘punk in New York’.

Een eenvoudige reis wordt zo een pelgrimage, waarin gebouwen veranderen in stoïcijnse hoeders van verhalen. Wie in Manhattan zo maar door East 12th Street slentert en de vijf verdiepingen tellende bruine bakstenen panden met brandtrappen ziet, ziet precies dat: een armoedig stukje East Village. Maar de wetenschap dat dichter Allen Ginsberg hier de laatste jaren van zijn leven sleet en dat oerpunk Richard Hell (de man die het punkuniform van piekhaar en gescheurde T-shirts introduceerde terwijl hij Blank Generation componeerde) hier nog steeds woont, geeft een pand een heel ander aura. Beelden van Ginsberg op zijn sterfbed met Patti Smith aan zijn zijde; zijn lethargische buurman Hell die gedichten schrijft, penissen tekent en heroïne spuit; vriendin Susan Sontag die even komt buurten.

Een straat verderop, in een vrijwel identiek pand, redigeerde Emma Goldman tussen 1903 en 1913 haar anarchistische tijdschrift Mother Earth. Scharrel een tijdje rond in de omgeving, bezoek de boekenzaken, lees de teksten, en je verdwijnt langzaam maar zeker in de joodse tegencultuur van de 20ste eeuw. De brownstones worden mythische paleizen.

Ook als lezende reizigers hebben we steeds meer behoefte aan die context en verbanden. We dolen met de Lonely Planet rond in een krimpende wereld vol Kentucky Fried Chickens, waarin iedere westerling toerist is. Vietnam, Malawi, Peru, het kan allemaal moeiteloos. In die steeds banalere omgeving is het verlangen het verleden met heden te combineren niet vreemd. We willen weten wat we missen, hoe het vroeger was, hoe die White Horse on Hudson eruitzag, de New Yorkse bar waar Dylan Thomas zich dooddronk. Het is nostalgie naar een tijd de we nooit hebben meegemaakt, een tijd die rijker, intenser en diverser lijkt.

In New York kun je daarom al jaren boekjes kopen met literaire wandeltochten, waarbij je huizen en kroegen van beroemde schrijvers passeert. In St. Mark’s Bookstore op de hoek van 3rd Avenue en East 9th Street ligt een plattegrond met 68 undergroundplekken in de East Village. Londense boekenzaken verkopen gidsen met beschrijvingen van alle beroemde rockplekken. Volg de aanwijzingen en je komt op het zebrapad waar The Beatles in een rij Abbey Road overstaken voor de hoes van de gelijknamige elpee; het ziekenhuis in Kensington waar Jimi Hendrix zijn laatste adem uitblies; en het statige pand in Notting Hill waar de baanbrekende film Performance met Mick Jagger werd opgenomen.

Nareizen, iemands spoor volgen en er dan over schrijven. Het klinkt zo eenvoudig. Steek ergens buiten New York City je duim in de lucht en waan je Jack Kerouac die in 1947 van de Oostkust naar de Westkust liftte. Onderweg kom je langs de plekken die Kerouac in On The Road beschreef, en met een beetje geluk kun je in San Francisco de 87-jarige Lawrence Ferlinghetti – dichter, uitgever en eigenaar van de fameuze City Lights-boekenzaak in wat inmiddels Jack Kerouac Street heet – uithoren over diens herinneringen aan de beatniks.

Kerouac heeft het vuile werk opgeknapt, en jij doet alles nog eens dunnetjes over, met een kaart in je hand en On The Road op het nachtkastje. Maar al snel stuit je op een structureel probleem. Kerouac was zelf al op zoek naar iets wat niet meer bestond: het mythische Amerika met zijn laatste cowboys, outcasts en jazz – the free spirit of the West. Kerouac wist dat rusteloze verlangen te vangen in een unieke stijl, die afwisselend gejaagd, jubelend en wanhopig was. De vraag is: hoe geef je als ‘nareizer’ kracht aan die intense gevoelens zonder te vervallen in een Kerouac-pastiche?

Een ‘sporenverhaal’ vraagt om historische kennis, psychologisch inzicht, inlevingsvermogen, een psychogeografische antenne, verbeelding, intuïtie, abstractievermogen, en een eigen stijl. Het is een stukje biografie, waarin de auteur met de centrale figuur moet meevoelen, door zijn ogen kijkt, maar ook voldoende afstand kan nemen en zijn onderwerp met gevoel voor ironie te bejegent.

Dat valt niet altijd mee. De geschiedenis dendert genadeloos voort. Architectuur heeft geen geheugen. Als schrijver moet je er op tijd bij zijn. Mythische paleizen worden ruïnes, gaan tegen de vlakte en maken plaats voor nieuwe paleizen. Sporen vervagen.

In Berlijn valt het bijvoorbeeld nu al niet meer mee nog iets terug te vinden van de zwarte romantiek van de jaren tachtig. Neem de legendarische Club Risiko die in 1986 werd gesloten. Hier, nabij de York-Brücke, was Einstürzende Neubauten-oprichter Blixa Bargeld de gulle barman (voor twee mark kreeg je een limonadeglas wodka van hem) en schuifelde Nick Cave heen en weer tussen de drugskamer en de gokkamer, om het een met het ander te financieren. Performances bestonden uit urenlang glazen kapot smijten, het publiek met stukken varkenshart bekogelen en stront aan de muren smeren. Betreed je het pand nu, stuit je op een Turks reisbureau en een moskee. Niemand die ook maar de geringste notie heeft van de taferelen die zich hier twintig jaar geleden afspeelden. Blixa’s voetstappen zijn als die van een geest.

Je moet als een archeoloog te werk gaan, geduldig schrapen, passen en meten. In elke voetstap kan een juweel van een verhaal schuilen. Als ik in Johannesburg door Rockey Street loop, langs de Nigeriaanse kapsalons die de plaats van koffiebars vol utopische dromen hebben ingenomen, denk ik aan die oude Sinclair Beiles, de surrealist, de vrouwenversierder, de bietser. De lijst met plekken die ik eigenlijk nog moet bezoeken om de pelgrimage compleet te maken is lang: Tanger, Leros, San Francisco, Istanbul, Malaga, Kroonstad, Nieuw-Zeeland, Bari, Litouwen. En al die mensen die ik nog zou moet spreken: de psychologen, de mededichters, de sycofanten, de onvindbare familieleden, de psychiaters in Londen, Parijs, Athene en Johannesburg, de apothekers bij wie hij om uppers en downers smeekte, de ontelbare vrouwen met wie hij het bed deelde.

Ik volg het spoor, vermoedelijk een oneindig spoor.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden