reportage

Het mooiste stukje: zeilen langs de rand van europa

Op reis met een romantisch doel. Toine Heijmans zeilde even mee op de rand van de wereld, langs Schotland, richting Het Noorden.

Het eiland Rum bestaat niet meer. Het is opgelost in een prop wolken die uit nergens kwam - zijn het wolken? Wat is het voor nevel die een heel eiland onzichtbaar maakt, één eiland in de oceaan terwijl de andere gewoon liggen waar ze moeten liggen? Het eiland Eigg en het eiland Muck aan stuurboord. Het eiland Coll aan bakboord, Garbh Sgeir recht vooruit. Allemaal scherp afgetekend tegen de zwarte zee, als uitgeknipt karton.

Van Rum geen teken. Het moet een rotsberg zijn van 800 meter hoog, steil uit het water, zo is het ingetekend op de zeekaart. De kompaskoers ernaartoe is 340 graden. Die kun je blijven varen, hopend dat het eiland terugkeert, maar zeker is dat niet. Er kan zoveel veranderen in een dag. Het kan zodadelijk hard gaan regenen. Daarna kan de zon de hemel openscheuren. De wind doet ook maar wat: van stormachtig naar kalm en terug. De dieptemeter is van slag - net was er 100 meter water onder de boot, nu is het 5. Misschien zwemt er iets onder, een bruinvis of een zeehond of een reuzenhaai - er is veel hier dat je niet ziet en nooit zult zien.

Het bootje heet Marie. Het is 11 meter lang, heeft een blauwe romp en een diepe kiel, en een hoop zeemijlen achter de rug. Mijn zeilvriend maakt een rondje Groot-Brittannië, hij is vijf maanden onderweg en ik en een zeilvriendin mogen mee op wat hij 'het mooiste stukje' noemt. We kennen elkaar goed, Marie, de zeilvriend, de zeilvriendin en ik, maar dit is nieuw terrein. Voor het eerst op de lange golven van de oceaan. Het bootje ging van IJmuiden naar het zuiden, langs het poenerige eiland Cowes, daarna de hoek om, door de Ierse Zee en dan noordwaarts, langs een kust die steeds verlatener wordt en armer en on-Europeser, tot het niet meer is dan een verzameling rotsen bewoond door autochtonen en door zonderlingen die altijd te vinden zijn op dit soort plekken die er niet toe doen.

Dat is het mooiste stukje.

Ik kom aan boord in het stadje Oban, dat 's avonds een regenboog draagt. Hier begint Het Noorden, zeggen de Schotten zelf, maar wat het precies is zeggen ze er niet bij. We klimmen op de heuvel achter de haven en zien een vuurtoren in de vlammend blauwe zee. Er staat een kasteeltoren op de kant, overwoekerd met klimop. Het is zomer en het is koud, mijn zeilvriend heeft al de hele reis een rode donsjas aan.

In de haven vertelt de schipper van de Razor Edge, die net terug is uit Het Noorden, over golven tot halverwege de mast. 'Eentje brak in de kuip en viel boven op me. Ik heb nooit geweten dat water zo zwaar is.' In Het Noorden, zegt hij, mag je blij zijn met een paar dagen goed weer. De rest van de tijd lig je verwaaid. Daar moet je tegen kunnen. Hij heeft er zat van en gaat naar huis, en geeft een pak cheddar aan ons mee van het merk Scottish Pride. 'Misschien heb je dat nog nodig onderweg.'

Aan de steiger ligt ook een boot met een struik heide op de boeg gebonden. Dat mogen alleen schippers doen die noordelijker zijn geweest dan Ardnamurchan Point. Het is een erecode: alsof ze een geheim koninkrijk hebben bezocht en ondanks alles heelhuids zijn teruggekeerd, zo trots zit die struik op de boeg.

We stellen ons van alles voor, maar de weg naar Ardnamurchan Point is kalm. Er zeilen niet veel boten mee. Langs de kust van Tobermory zwerft een bootje van 7 meter met een jonktuig; de solozeiler bedient het roer staand met zijn voeten, hangend uit een mangat, half aan dek. Het bootje is een Jester, een wereldberoemd ontwerp van Herbert 'Blondie' Hasler, een mafkees voor velen, voor anderen een held, die op de zee zijn vrijheid zocht in een zo klein mogelijk scheepje dat de grootste golven kon weerstaan. Hij hield van Noord-Schotland en stierf in Glasgow, nog steeds zijn er puristen die in zijn sporen gaan. Daar leent het landschap zich goed voor. Als je wilt, kun je hier gemakkelijk verdwijnen.

Marie gaat voor anker in Loch Drambuie, een cirkelvormige kom achter een nauwe toegangspoort, bewaakt door bergen begroeid met brem en oude eiken. 'Het is niet ongewoon om hier een week vast te liggen, wachtend op goed weer', zegt de zeilersgids. Je zou er ook met mooi weer een week willen wachten, of een maand, zo overzichtelijk is er het leven. Dan moet de cheddar maar op rantsoen.

Er is geen wind en er is geen geluid. Er liggen drie zeilboten in de kom, als witte waterlelies. Niets beweegt. De boten, de bergen en de wolken spiegelen in het water zodat alles een dubbelganger heeft. De zonsondergang duurt twee uur en heeft veel kleuren, tot alleen het blauw achterblijft van de midzomernacht.

De volgende ochtend zeilt Marie naar het eiland Rum, rechtstreeks een koufront in. De temperatuur zakt en de lucht wordt dunner - als je lang genoeg vaart op de Schotse zee, kun je de lagedrukgebieden ruiken. Alles wiekt er om de weersystemen heen. De wolken en hun regenbuien zijn van verre al te onderscheiden, de hemel één groot radarscherm. We varen 340 graden op het schotkompas - maar het eiland houdt zich schuil.

Het is niet alleen de rand van Europa die mijn vriend bezeilt, het is ook de rand van de bewoonde wereld. Er is geen bereik met de mobiele telefoon. Er is geen wifi. De iPad werkeloos weggeborgen, een rode vissersboot het enige teken dat er andere mensen zijn. Er zijn niet veel havens in het noordwesten van Schotland, en wat ervoor moet doorgaan kun je soms nauwelijks een haven noemen. Twee pontons naast een zieltogend dorp, schuddend in de getijstroom.

De zeilbootjes hier passen zich aan. Ze hebben dekhuizen tegen overkomend water, zware ankers op de boeg, duizelingwekkend grote tanks voor diesel en drinkwater, radars in de mast en windmolens op het hek. Het zijn andere boten dan de opgewreven plezierjachten van het IJsselmeer. Het zout heeft vaak de verf al aangetast en over een kras of schram malen de schippers niet. Het is belangrijker om vooruit te kijken en zelfvoorzienend te zijn. Waar ben je geweest?, vragen ze op de plekken waar ze elkaar tegenkomen. Hoe was het daar? Waar ga je naartoe? In een wereld waar alles altijd verandert, wil iedereen informatie.

Mijn zeilvriend doet boodschappen zodra er een Co-Operative in zicht komt; je weet maar nooit wanneer de volgende kans zich aandient om de voorraad aan te vullen. Het is diesel tanken waar je tanken kunt - in Kyle of Lochalsh moeten we Marie parkeren tegen een industriële damwand van 30 meter hoog en laat een man in een oranje oliepak voorzichtig de brandstofslang met een gigantisch vulpistool eraan zakken, die eigenlijk alleen voor viskotters is bedoeld. 'Voorzichtig want het spuit eruit!', roept hij.

60 liter. Het is niks. Een beetje kotter tankt 3.000. Ze weten soms niet goed wat ze moeten met de yachties, die enkel voor de lol in Schotland komen varen, in hun kwetsbare bootjes, tijdens hun kostbare vakantiedagen, en met hun dure gele en rode zeilpakken aan. Tropische vogels in een bijna arctisch gebied. Maar de Schotten zorgen goed voor hun gasten en houden de brandstofpomp open, ook al is het eigenlijk te laat en levert 60 liter diesel nauwelijks geld op. 'Going North? Good luck to you mate.'

Er zijn zeilers die gek worden van kou en eenzaamheid, of in elk geval verward. Mijn zeilvriend gaat de gekte te lijf met controle, met hard werken en vooruitzien, en met de gezelligheid van een telkens wisselende bemanning. Hij kent de namen van de ankerplaatsen en de dorpen uit zijn hoofd, hij weet hoeveel schakels de ankerketting heeft, hij verzamelt elke dag alle meteorologische informatie die beschikbaar is. Hij rekent uren aan getij en stroming en blijft er vrolijk bij. De zee is groter dan jezelf, daar is niets aan te doen. Een foutje in de voorbereiding, een vuil dieselfilter, een vergeten rotsblok onder water of een lagedrukgebied, een val die vastloopt in de mast: als er één ding misgaat op zo'n bootje, gaat meestal alles mis. Het is belangrijk optimistisch te blijven, ook al wordt je pad gekruist door de zoveelste depressietrein die regen, onweer en hagel over het bootje kiepert.

Ik moet denken aan de Warnow, een omgebouwde loodsboot uit Schiedam, via Schotland op weg naar Noorwegen, bemand door muzikanten die als anarchisten over zee wilden gaan. Zonder plan en zonder geld, het leven zoals het geleefd moet worden. De Warnow is in april verdwenen en niemand, ook de paragnosten niet die meenden dat het op de Shetlandeilanden was aangespoeld, heeft er iets van teruggevonden.

Met anarchisten houdt de zee geen rekening. Je kunt denk ik maar beter de grote baas ter wille zijn. Deemoed is ook een prima medicijn, hebben we in al die jaren op zee geleerd, en voor de dagen dat we verwaaid liggen heeft mijn zeilvriend pakken wijn aan boord die hij 'kartonnetjes' noemt.

Daar is het eiland Rum! Toch nog, plompverloren in de oceaan. Het komt in contouren: eerst de berg, dan de afgekloven kust eromheen. Even prikt de zon door de nevels, dan is hij weer verdwenen, maar het eiland blijft bestaan. Uit de kliffen vliegen kleine alken op, sterns en zeekoeten; soms schieten ze nonchalant voorlangs de boeg, alsof het ze geen moeite kost, en dat aan ons zeilers duidelijk willen maken.

Er is een ankerbaai, gemarkeerd door twee heuvels die op borsten lijken. De wind valt ervan af en slaat je recht in het gezicht. We laten het anker vallen in 6 meter water bij een nederzetting die Kinloch heet. Dan pas zien we het kasteel.

We roeien met de bijboot tegen de harde wind in naar de wal. Het kasteel is van rood zandsteen en werd een ruime eeuw geleden gebouwd door een textielmagnaat. Het kreeg een roemruchte geschiedenis als feestpaleis, maar ligt nu al decennia op apengapen, de meeste ruiten aan diggelen. Het is een hele toer, zo'n bouwwerk aan de rand van de wereld te onderhouden.

Er is geen pub in Kinloch. Er zijn alleen een community house en een kleine winkel, een paar huizen met Land Rovers ervoor. Eén huis heeft een stoffige Jaguar op de oprit, met ZAPPA op de kentekenplaten, achter een groot roestig hek. Misschien woont hij hier nog, als oude zonderling. Misschien is hij nooit dood gegaan. Dit is een goede plek voor vreemde snuiters die verdwijnen willen, samen met hun Jaguar.

In het buurthuis zitten een paar jongens over laptops gebogen - biologen. Het meisje achter de bar geeft koffie en zegt dat het schande is dat ze geen bier mag serveren. Ze zingt in de keuken, ze heeft een mooie stem. De biologen kijken niet van hun schermen op.

We roeien terug naar Marie, die in de valwinden achter het anker ligt te zwaaien. We ruiken het eiland en het droogvallende land eromheen: kamperfoelie, oesters, gele brem dik als kroeshaar, nat loofhout. Plukken paarse rododendron. Een bruinvis komt omhoog en maakt een buiging achter de boot.

Wanneer we 's ochtends wegzeilen, duikt alles weg in een asgrauwe kou.

We zijn Ardnamurchan Point voorbij, maar binden geen heide op de boeg. We willen naar Loch Scavaig, een adembenemende ankerplaats tussen zwarte wanden van 1.000 meter hoog - zo staat het in de bijbel die elke zeiler hier bij zich heeft: de Sailing Directions And Anchorages van de Clyde Cruising Club. Nog is het kalm, straks zal de regen komen. Alken schuiven nuffig voorbij, sabbelend op het water, een jan-van-gent duikt met hoekige vleugels naar een prooi.

Het water is van zwart fluweel, daar zou je wel in kunnen verdwijnen. Als in de laatste woorden van Moby Dick: 'Then all collapsed, and the great shroud of the sea rolled on as it rolled five thousand years ago.'

De grote lijkwade van de zee. Het is een flard, een harde korte gedachte die je maar beter snel overboord kunt zetten.

Het duurt een half uur voordat de zee begint te kruiven. De golven ontstaan uit niets, dat is vaker zo, maar deze golven zijn apart. Het zijn puntige piramides waarvan de steile zijden samenkomen in een fontein, alsof onder elke golf een kleine walvis zwemt die uitblaast. Het is hier 90 meter diep. De vloedstroom zuigt zich tussen de eilanden door, versnelt en vertraagt en brengt het water in verwarring. De golven kloppen tegen de huid van Marie, alsof ze toestemming vragen om binnen te komen. Ze zijn niet hoog genoeg om ongemak te veroorzaken aan boord. Dat zullen ze wel doen bij Loch Scavaig, waar ze in een trechter samenkomen. Voor bootjes als Marie is het beter zich te voegen naar de omstandigheden.

De uitwijkplaats heet Mallaig, een verfrommeld havenplaatsje dat leeft van vis en van verdwaalde toeristen die er taartjes eten in een biertuin. Er is met financiële steun van de Europese Unie een kleine jachthaven aangelegd, een paar pontons die nu snel vol raken met uitgeweken zeilboten. De havenmeester heeft er stress van en loopt driftig over de steigers zonder iets te doen. Er wordt onhandig gejongleerd met lijnen tot iedereen een plek heeft en aan de whisky en de kartonnetjes kan; een buurboot kookt een hele kip in een barbecue, de vlammen slaan angstig omhoog.

Er is vervolgens niet veel meer te doen, dan in de kuip zitten met je zeiljas aan en naar de boten kijken.

's Avonds komt de langoustinevloot binnen: roestige brikken die hun lading lossen met spierkracht en krakende lieren. Een voor een hijsen ze hun bakken met vis naar boven, de kade op, de koelwagens in die met grommende motoren staan opgesteld. De stemmen van de scheepmaats kaatsen op de damwand.

Clear?

Yeah!

Clear?

Yeah!

De mannen dragen oliegoed. Het is alsof ze uit een andere, oudere wereld komen - ze vissen zoals hun vaders visten, hun overgrootvaders en over-overgrootvaders. Zouden ze weten dat er trawlers zijn zo groot als industrieterreinen, die een halve zee in één keer leeg kunnen halen? Of dat er ook elektrische kranen bestaan, die ze veel werk uit handen kan nemen?

Clear?

Yeah!

In het water tussen Marie en de viskotters in zwemt traag een oude, wit gevlekte zeehond. Hij weet dat hij moet wachten. Soms donderen er een paar langoustines naar beneden tussen een schip en de wal, dat is voor de meeuwen, maar als een hele bak tegelijk naar beneden komt, is de zeehond aan de beurt.

Fuck!

Damn!

Hij eet zich vol en zwemt weg, morgen komt hij weer. Ook dan heeft de zeehond vast geluk. Misschien gooien die vissers elke dag wel een bak vis naar beneden, gewoon, uit bijgeloof.

De weersystemen houden zich koest. We zeilen verder Het Noorden in, de Schotse miezerregen door, want mijn zeilvriend moet nog helemaal naar huis, langs Cape Wrath, de Orkney's voorbij, terug naar IJmuiden. Vijf maanden is misschien net genoeg om niet verslaafd te raken aan de ingewikkelde eenvoud van het reizen. De regen kleeft op onze pakken. De wind is vol vlagen en trekt Marie heen en weer. Soms verdwijnen de bergen op de kust, soms verschijnen ze weer, als in een View-Master.

We varen door de Sound of Sleat, een enge zeestraat langs het eiland Skye. Op een heuvel kijken drie edelherten toe. De bomen hebben gebogen ruggen. Aan stuurboord opent zich Loch Hourn, een zwart gat met antracieten bergen, er zeilt een bootje in dat snel verdwijnt, alsof het wordt opgezogen. Grijze sluiers vallen daarna langs de wanden naar beneden.

De doorgang wordt almaar smaller en het water begint te malen. De vloed is snel en sterk, en perst zich met een snelheid van zes knopen tussen de rotsen door. De Marie gaat dwars en is onbestuurbaar; ze kan alleen de kant op die het water gaat. Naast de romp vormen zich draaikolken waar zeehonden in jagen. De meeuwen schreeuwen. Tegen de bergwand hangt een zeearend, de klauwen naar beneden.

Dan spuugt de Sound het bootje uit in rustig water, een nieuwe kalme sprookjeswereld in.

**

Geen zeiler in Schotland kan zonder de Sailing Directions van de Clyde Cruising Club. Vanwege de vaaraanwijzingen, maar ook vanwege de overenthousiaste en overbezorgde Britse teksten. Loch Scavaig bijvoorbeeld, is 'one of the most dramatic and awe-inspiring anchorages in Europe', maar heeft last van 'furious squalls' en een 'extremely dangerous swell'. Alleen daarom al wil je ernaartoe.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden